Boedel
Prijsgeven
(geplaatst op 27.06.2026)
En voordat er slechts herinneringen overblijven, levendig gehouden door vage beelden en sterke verhalen, zijn er spullen. Heel veel spullen. Wie geeft ze een toekomst? Niet als emotionele waarde verpakt in een doos op zolder. Maar een volgend bruikbaar leven.
Bart V.
Bezieling
(geplaatst op 13.06.2026)
Er zat niets anders op dan de gehele vloer van de woonkamer met chloor te behandelen. In eerste instantie had hij zich beperkt tot het reinigen van plas en spetters. Roodbruin maakte plaats voor pisgeel. De uitgebeten plekken vormden de contouren van het hoofd. Op het gevaar af te eindigen met een initiaal als achternaam, schrobde hij vol overgave de eikenhouten planken.
Gegarandeerd een slapeloze nacht
Duisternis
(geplaatst op 30.05.2026)
Een knuffelbeest ligt eenzaam te wezen. Op een verlaten marktplein. Met zijn billen in een plasje wanhoop. Ondanks de gestikte glimlach op zijn snoet, mist hij vast het jongetje, dat hem liet vallen.
Aandacht
Geen afscheid
(geplaatst op 16.05.2026)
Het assortiment is uitgebreid. Nooit geweten. Gelukkig ook niet eerder tegenaan gelopen. Ik vind de associatie licht – as – verlichting wel iets hebben. Je begrijpt, ik ben aangeslagen. Een plastic bol met schroefrand en deksel. Voldoende ruimte voor een energiezuinige en duurzame LED lamp, of een sterk gereduceerd lichaam, voorheen één meter 75. Associëren, dat heb ik van jou. Hoewel een slag groter, doet het mij denken aan de melkwitte lamp die vroeger aan het plafond van het halletje hing, van onze eerste woning. Een tweede hebben we nooit gehad, althans niet gelijktijdig met de eerste. Ik kan er discreet mee over straat. Alsof ik van de bouwmarkt kom. Een industriële lamp onder de arm. Hoewel het wellicht vragen oproept bij wandelaars, hier in de duinen. Ik loop voor de derde keer de route met de rode bewegwijzering. Ik ben op zoek naar het bankje waar we altijd even gingen zitten, maar kennelijk niet vaak genoeg. Je zal het vast niet erg vinden wanneer ik kies voor het uitkijkpunt, met in de verte de zee. De betekenis van verstrooien is tevens ontspanning zoeken. Het klopt. Wat een diepe innerlijke rust geeft deze handeling. Aandacht voor het moment. Dat heb jij me ook geleerd.
Poezebeest
Zonder chip
(geplaatst op 02.05.2026)
Jarenlang heb je haar gevoed. En als zij dat aangaf, gestreeld. Uitsluitend dan. Anders haalde ze uit. De erker, de vensterbank. Haar favoriete plek. Ze kon spinnen als geen ander. Keek hautain naar voorbijgangers.
Opeens was ze vertrokken. Je rammelde met de doos brokken. Je riep dagenlang haar naam waar ze nooit naar luisterde. Vanuit de openstaande keukendeur, in de ochtend, niet al te hard. Aan het eind van de middag vanuit de tuin, luider, over schuttingen heen. A4’tjes met haar foto en jouw nummer, op bomen in de buurt geplakt. Uiteraard meerdere keren langs bij het asiel. Nul. Nada. Noppes.
Je probeerde te accepteren, wat er wellicht was gebeurd. Op een dag deed je alles weg, wat met haar te maken had. Krabpaal, kattenmand, knuffelkip. Daar speelde ze zo leuk mee. De zomervakantie naderde en jij schaamde je. Even voelde het als een voordeel, nu je geen oppas hoefde te regelen. Hoewel de buurvrouw het graag deed, zei zij. Je wist echter niet wat je moest doen. Of je iets moest doen? Toen die zaterdag, tijdens een wandeling door de buurt. Eenzelfde soort straat, eenzelfde soort huis. Daar zat ze. Op de vensterbank in de erker. Dezelfde kleurschakering, dezelfde minzame blik. Niet één van herkenning. Je dacht vrijwel zeker dat je haar hoorde spinnen, door de dubbele beglazing heen. Voor haar was je slechts een tijdelijke haven.
Het moment
Handelen
(geplaatst op 18.04.2026)
Hij kent haar niet. Zij spreekt hem aan. Of hij bij het bovenste schap kan. De synthesizers van de jaren tachtig Albert Heijn play-list, maken plaats voor violen. Het tl-licht lijkt te dimmen. De geur van vers gebakken brood. Ze kijkt hem met een glimlach aan en hij verliest zich in haar ogen. Voor de koeling van de zuivel. Het toetje onbereikbaar op de bovenste plank. De liefde voor het oprapen. Stuntelig helpt hij, durft geen vervolg voor te stellen, zegt haar gedag. Teleurgesteld in zichzelf fietst hij naar huis. Drie straten verderop keert hij om, gaat op de trappers staan. Het is nog niet te laat. Hij fietst als een bezetene. Hoop slaat om in vrees. Hij kan het gebouw niet vinden. Verdwenen. Net als de kans. Net als zij.
Vakantie
Smeren
(geplaatst op 04.04.2026)
Hij heeft haar overgehaald. Hij deed er immers alles aan om avontuurlijk over te komen.
Kamperen. Ja, in een tent. Nee, naar het noorden. Ja, in mei.
Ze hadden nog geen gezamenlijk kerst beleefd, maar gingen wel samen op vakantie. Dan leer je elkaar pas goed kennen, zei hij zelfverzekerd.
Weken na thuiskomst werd hij nog herinnerd aan de verregende tijd in een krappe tent op een heuvel aan de rand van een donker bos. Alleen met een tube crème. Een paar foto’s op z’n mobiel en een hardnekkige schimmel tussen zijn tenen.
Kleurloos
Lente
(geplaatst op 21.03.2026)
Een gitzwarte nacht, een doorwaakte nacht, een nacht die veel langer duurt dan een vooraf gedefinieerde periode van acht uur. Je leeft voort, maar op de tast. Het hoognodige volstaat, hoewel eigenlijk alles bijzaak is. Wanneer, door een combinatie van veel praten en artsenij, je verplaatst vanuit het woud naar het bos, constateer je dat voorwerpen hun kleur hebben verloren. Een grauwsluier hangt over de dingen die in je herinnering ooit helder en fris oogden. Afgevlakt lukt het je niet de lente te zien.
Kleuterschool
Een nieuwe realiteit
(geplaatst op 07.03.2026)
Je bent in korte tijd onzeker geworden. Angstig zelfs. Wie zijn je ouders? Kan je ze nog vertrouwen? Ze hebben jou niet tegengesproken. In de waan gelaten. Soms zelfs gevoed. Jouw wereld blijkt uitsluitend in je hoofd te bestaan. Eenmaal door jou buitenshuis uitgesproken, is deze meedogenloos gesloopt. Verwoest. Door kinderen die je niet kent.
Cremeren graag
Luisteren
(geplaatst op 21.02.2026)
Door aarde omsloten, niet in staat geluid te maken. Geen schreeuw, geen tik op het hout. Even daarvoor heb ik ze onzin horen praten. Over hoe ik geleefd zou hebben. De daden die ik niet verrichtte. Oeverloos kroeggeleuter, voor de gelegenheid verpakt in een beknopt verhaal. Drie nietszeggende sprekers. En dan die muziek. Jezus, jongens. De ruimte laat het niet toe, om me om te draaien. Maar dat ik ooit heb meegezongen met die nummers, maakt me nog geen liefhebber. Trouwens, als jullie wel eens hadden geluisterd naar wat ik te zeggen had, had ik hier niet gelegen.
Niet gisteren of morgen
Nu
(geplaatst op 07.02.2026)
Op de vraag hoe het met hem gaat, antwoordt hij steevast: z’n gangetje, ik heb niets te klagen.
En toch laat hij het verleden het heden vormen en maakt hij zich daardoor druk over de toekomst. Hij leest over mindful leven. Leven in het nu. Hij zou graag het verdriet temperen, zonder de zorgen voor morgen. Of wanneer hij eens een vrolijke dag beleeft, het gevoel koesteren door niet te reflecteren op de gelukkige periode in het verleden toen alles beter was.
Het verleden is voorbij. Vandaag probeert hij uitsluitend om zich heen te kijken naar wat hij heeft, in plaats van bezig te zijn met hoe het er in de toekomst uit zou kunnen zien. Volgende maand is onwaarschijnlijk. Vandaag is realiteit. Niets te klagen hebben mag een gevoel van geluk teweegbrengen.
Walgen
De confrontatie aangaan
(geplaatst op 24.01.2026)
Hij kan er met niemand over praten. In deze tijd mag je zo’n gevoel niet hebben. Hij schaamt zich. Hoe kan hij hier iets aan doen? Hij probeert Frans te vermijden, maar het kantoorpand is niet groot genoeg. In de veertig is hij inmiddels en het is hem nog nooit eerder overkomen. Fysiek onpasselijk worden in de buurt van een bepaald persoon. Zo is de lift een no-go-zone. Als Frans tegelijk met hem wil instappen, veinst hij iets vergeten te zijn en neemt een lift later. Als hij al in de lift staat, de deuren openen en Frans staat daar, dan stapt hij direct uit, ongeacht op welke etage hij zich bevindt. Hij heeft niet de indruk dat Frans bij andere collega’s een soortgelijk gevoel opwekt. Hij is ruimdenkend genoeg om het bij zichzelf te zoeken. Wat zit er bij hem achter, dat hij oprispingen krijgt wanneer Frans in zijn blikveld verschijnt? In een zelfhulpboek leest hij dat indien de omgang met een bepaald persoon schuurt (over kokhalzen wordt niet gesproken), je juist deze persoon zou moeten opzoeken. Hij neemt zich voor de angst te overwinnen. Een keer vroeg in de ochtend. Ontbijt overslaan, koffie uitstellen. Met een lege maag op Frans afstappen en vragen hoe zijn weekend was. Of hij voetbal heeft gekeken. Onderwijl vluchtroutes uitstippelen en letten op de ademhaling. Wat een martelgang. En dan te bedenken dat eenieder, ergens op de wereld, ook een dubbelganger heeft. Twee Fransen. Een koude rilling loopt over zijn rug.
Vasectomie
Lullificatie
(geplaatst op 10.01.2026)
Ze zeggen dat je mijn oren hebt, lucky you.
Dat je net zo boos kan kijken als ik.
Zeker wanneer het niet gaat zoals jij wil.
Die ene krul bovenop je hoofd. Worden het er meer, dan zijn ze van mij.
Zo ook die frons in je voorhoofd, beweren ze.
Jouw gegrinnik wordt mij niet toegerekend.
Mij horen ze niet lachen.
Misschien omdat ik weet wat zij niet weten.
Of misschien weten zij juist, wat ik niet weet.
Wie de vader is, en doen ze alsof.
Je had me toch tot de dood beloofd?
Met de kerstboom de deur uit
(geplaatst op 27.12.2025)
We zouden niet doen aan goede voornemens. Daar waren wij niet van. OK, de feestdagen waren niet bepaald een aaneenschakeling van hoogtepunten. Te veel sociale verplichtingen. Of hadden we al die mensen om ons heen nodig om de maand door te komen? Aandacht aan anderen besteden. Geanimeerde gesprekken. Luidruchtig lachen, na weer een glas wijn. Misschien voelde ik het ook wel aankomen, maar hoopte stilzwijgend op een gesprek in de daaropvolgende sombere maand. Gisteren, tijdens het wegwerken van de overgebleven oliebollen, sprak jij jouw goede voornemen uit. Eentje waarbij ik geen rol zou spelen.
Glansrijke carrière
Zelfvertrouwen
(geplaatst op 13.12.2025)
Nee, ik schilder. Ik maak dus schilderijen. Ik moet nog ontdekt worden, maar dat is een kwestie van tijd. Laatst had ik nog een expositie in De Dorstige Drinker. De aandacht ging helaas uit naar de allesbehalve krokante bitterballen en de lauwe witte wijn. Tja, dan verkoop je nog geen bidprentje.
Overgangsfase
Zonder kader
(geplaatst op 29.11.2025)
Op de vraag hoe het met hem gaat, antwoordt de buurman: moeizaam. Hij vindt het fijn, als ik met hem praat. Dat zegt hij steevast bij het afscheid, dat vooral geen afscheid mag heten.
We weten allebei wat hem is overkomen. Ik mag het alleen niet onder woorden brengen. Niet waar hij bij is. Door de gebeurtenis een naam te geven, zegt hij, stelt het grenzen aan de beleving. De naam bepaalt vervolgens hoe hij zich zou moeten voelen. Hoe hij zich zou moeten gedragen. Hij wil vrij zijn in emoties, de gebeurtenis doorleven. Wat het opbrengt, waar het naar toe gaat: het is onbelangrijk. Ooit zal de tussentijd eindigen en weet hij op dat moment waar hij staat. Ik benijd hem niet, maar ik bewonder zijn mentaliteit.
Zeggen en doen
Dubbel
(geplaatst op 15.11.2025)
Voor iemand die zegt: ‘Het hoeft van mij niet meer,’ doet hij opvallend zijn best om gezond te blijven.
Tijd terugwinnen
Meerdere levens
(geplaatst op 01.11.2025)
In de vroege middag naar de film gaan. Alleen. Een epos, vastgelegd in diffuus licht. Wanneer ik de bioscoop uitloop is er nog steeds daglicht. De wereld heeft stilgestaan. Ik hoef met niemand de beelden in woorden te delen. Ze blijven van mij, in mijn gedachten.
Nog liever bedenk ik zelf de beelden, dan dat ik ze voorgeschoteld krijg. Door boeken te lezen. Gegrepen worden door het verhaal. Nadat ik het boek dichtsla kom ik langzaam terug vanuit een andere wereld. De wereld om me heen, blijkt niet veranderd te zijn. Heeft niets beleefd, heeft niets doorstaan.
Aangeschoten door een vreemde stad lopen. Een uiterst tevreden dronk. Ben ik het niet werkelijk die door de straten slenter. Een voor mij onbekende bestemming. De mensen zouden eens moeten weten. Zij die zich door gewenning laten leiden. De indrukken die ik opdoe, die mijn personage opdoet, zijn van mij alleen.
Ik weet het. Ik sluit me af, maar de tijd tikt gewoon door. Toch heb ik het gevoel dat ik tijd win. Door ervaringen op te doen, alsof ik ze zelf beleef. Zou ik reageren zoals het hoofdpersonage doet? Zou ik het juist anders doen? Ik speel met verschillende verhaallijnen.
Denk ik, niet ouder te worden bij elke tik? Vallen films kijken, boeken lezen, wandelen onder invloed, onder intens leven? Of gaat de tijd nu eenmaal langzamer wanneer ik andermans avonturen beleef en de mensen van vlees en bloed in mijn directe omgeving onwetend zijn?
Ik ben niet in de wieg gelegd om een dubbelleven te leiden. Een dubbelleven suggereert meerdere sociale relaties en een zwart notitieboekje om bij te houden wie ik wat voorlieg. Liever wil ik zelf bedrogen worden door met mijn bezigheden meerdere levens te leiden.
Vriend van mijn zoon
Gedrag
(geplaatst op 18.10.2025)
De wanhoop nabij. Wat zal er van hem worden? Of geeft het stellen van die vraag nog hoop? Het impliceert immers dat hij nog iets anders kan worden dan wat hij nu al is. Hoewel ik er sterk aan twijfel of het ontwikkelen van een empathische kant nog mogelijk is. Het valt misschien aan te leren dat hij reageert op een sociaal wenselijk wijze wanneer bepaalde omstandigheden zich voordoen. Een optelsom vertelt hem hoe te reageren. De reactie gewenst, maar niet gevoeld. Indien hij zijn blikkerige stemgeluid weet aan te passen, hoeft het voor de naar sympathie snakkende toehoorder niet op te vallen. Ja, in zoverre is er hoop. Dat wil ik geloven. Met de juiste begeleiding, die ik hem kennelijk niet kan geven. De opvoeding tot nu toe heeft gefaald, zo voelt het. Ook al weet ik op dit moment niet wat ik hem meer had kunnen geven. Warmte, liefde, aandacht. Inzicht in goed en slecht, en hoe je met dit gedrag op anderen overkomt .
Wat ik hem niet heb kunnen geven is een moeder. Ik weiger te overwegen dat het misschien aan haar ligt. De rol die zij na zijn geboorte niet heeft opgepakt. Haar latente aanwezigheid, juist door er niet te zijn. Hoewel het een stempel drukt op zijn kinderjaren, kan dat niet de reden zijn dat hij sadistische trekjes heeft ontwikkeld. Met terugwerkende kracht twijfel ik wel aan de doodsoorzaak van Toos, die ik een jaar geleden op een ochtend dood in haar kooi aantrof. Van wederzijdse interesse was trouwens geen sprake. Toos duwde haar snuffelneus nog wel eens tegen hem aan. Ik heb hem er nooit op kunnen betrappen dat hij haar aaide. In zoverre was ik niet verrast dat hij geen traan heeft gelaten. Geen binding met dieren, geen binding met soortgenoten. Vriendjes heeft hij niet. Bij mij dringt de vraag zich op, die ik niet durf te beantwoorden: als ik nu acht jaar oud zou zijn, zou ik dan een vriend van mijn zoon willen zijn?
Onwetend
Het is erger voor zijn omgeving...
(geplaatst op 04.10.2025)
Zonder een herinnering bezit hij geen enkele ervaring.
Onbevangen, begaat hij telkens weer dezelfde misstap.
De goede weg vooruit
Cursus
(geplaatst op 30.08.2025)
De schriftelijke cursus die je moet beleven, bleek niet schriftelijk te zijn. Althans niet vanuit huis te volgen. Ik moest op de daarvoor gereserveerde dag richting het oosten van het land. Een locatie in de buurt van een snelweg. Al jaren geschrapt uit de dienstregeling van het openbaar vervoer. De laatste paar honderd meter tussen dennenbomen over een grindpad met kuilen vol water, tijdens de droogste zomer ooit. Een laagbouw betonconstructie openbaarde zich. Ik dacht aan het voormalig Oostblok, maar zoveel kilometers had ik niet afgelegd. Op de gevel in blauwe neon letters: OTEL. Naast de O, aan de verkleurde steen te zien, de omtrek van de weggegevallen letter H. Verder een inmiddels verbleekte muurschildering in een poging de gevel op te fleuren, met daaronder in sierlijke letters de naam van een oord hier ver vandaan. Ooit werden hier bruiloftsfeesten gegeven, van mensen die niet meer bij elkaar zijn. Ik parkeerde de auto, of eigenlijk stond ik gewoon stil en zette de motor af. Ik checkte mijn mobiel. Ik zag dat ik op tijd was en geen bereik had.
De receptionist, uitgedost met een uitzonderlijk lange baard, heette mij van harte welkom. Of ik een kamer wou? Kennelijk was het nog steeds mogelijk een kamer te reserveren. Voor de avontuurlijke mensen onder ons. Of de wanhopigen. Wat heel goed samen kan gaan. In ieder geval zou het betrekken van een kamer betekenen dat men nooit meer zou kunnen vertrekken. Otel California.
De gelegenheid werd draaiende gehouden door de verhuur van de vergaderruimtes. Daar waar vroeger op ludieke wijze het ABC werd opgezegd, waarna er nog meer werd gedronken, waardoor eenieder zich op de dansvloer waagde. Een ruimte in tweeën gedeeld door een bruine harmonica schuifwand, zaten wij in het gedeelte waar de discobal nog aan het plafond hing. Met wij bedoel ik de cursusleider en ik. Er waren geen andere leerlingen. Kennelijk werd door niemand anders getwijfeld of de weg van het leven dat geleid werd, de goede weg was. Zalig zijn hen die door onwetendheid niet twijfelen.
De receptionist bleek de cursusleider te zijn en degene die de koffie serveerde met de voorverpakte roze koek. Hij stelde zich voor als Mister California en lachte daarbij onbedaarlijk. Vanaf dat moment bekroop mij het gevoel dat ik nog helemaal niet zover verwijderd was van het pad. Het werd nog versterkt door de drabbige koffie en de na het verwijderen van het cellofaan direct uit elkaar vallende glacékoek. Hij praatte aan een stuk door. Ik had betaald om de beleving te ondergaan als publiek. Binnen twee uur wist ik dat deze man nooit meer buiten is geweest sinds hij zich had laten verleiden om het hotel over te nemen van zijn, zoals hij het zelf omschreef, succesvolle oom. Het bereikte succes zat hem ongetwijfeld in het kunnen achterlaten van deze locatie. De opluchting was dan ook groot toen ik weer in de auto zat en het betonblok uit het zicht van de binnenspiegel verdween. Ik was ontsnapt. Terug naar mijn eigen leven, mijn eigen weg. Overtuigd van het zetten van een volgende stap. Gewoon een stap vooruit, zonder plannen of doel.
Wel of geen kat
Hechten
(geplaatst op 16.08.2025)
‘Kijk dan, hoe schattig!’ Laure laat een filmpje op haar mobiel zien. ‘De kat die zich manifesteert als de beste vriend in huis, dat wil ik ook,’ zegt ze verrukt.
‘Zeg je nu dat je een kat wil? En hoezo beste vriend in huis, dat ben ik toch? John kijkt haar aan, de wenkbrauwen over zijn ogen gezakt.
‘Ja, natuurlijk. Je zal altijd mijn nummer één zijn,’ dweept Laure. ‘Alleen een kat begroet me zodra ik opsta door te miauwen en voor mijn voeten te lopen, kopjes tegen mijn benen te geven.’ De ogen van Laure fonkelen.
‘Omdat meneer wil dat je naar de keuken loopt en hem eten geeft. Van die sterk geurende brokken, die je doen kokhalzen wanneer je de avond daarvoor bent doorgezakt. O ja, en uitslapen is verleden tijd. Dat gejank begint bij het krieken van de dag.’ John hoeft niet na te denken over tegenargumenten.
‘Ik vind het niet erg om in het weekend vroeg op te staan.’ De stem van Laure klinkt vastberaden.
‘Dat is nieuw,’ zegt John. ‘Bijtijds opstaan om te gaan sporten, is je tot op heden niet gelukt.’ Hij laat een gemaakte grijns zien op zijn gezicht.
‘Van sporten krijg ik geen liefde. Zo’n klein beestje zal verliefd op mij zijn.’ Door de woorden van Laure heen klinkt vertedering.
‘Aha, je wil een kitten.’
‘Natuurlijk. Die zijn het leukst.’
‘Nou ja, je zou ook kunnen kiezen voor een beest dat al zindelijk is. Dat al geleerd heeft dat het niet op het aanrecht mag, dat je verzameling Swarovski kristallen beeldjes er niet staat om een voor een speels om te tikken.’
‘Nee, ik wil het zelf opvoeden. Nu ik voornamelijk thuiswerk heb ik daar de tijd voor.’
‘Volgens mij heb je al een beslissing genomen,’ zegt John verongelijkt. ‘Nog iets om over na te denken: we wonen op een flat. Dat betekent dat hij binnen moet blijven. Ik vind dat heel onnatuurlijk.’ Hij gaat nog even door met het oplepelen van bezwaren.
‘Voordeel is dat je geen aangevreten vogeltjes op de deurmat vindt, wanneer hij terugkomt van een nacht rellen in de buurt,’ brengt Laure daar tegen in.
‘Het betekent een foeilelijke krabpaal in de woonkamer. En hopen dat hij zijn nagels niet zet in de bekleding van de bank. Het betekent ook een meurende kattenbak. Waar moet die eigenlijk staan? In de keuken waar we proberen op smaak en geur te koken?’ De ogen van John staan wijd open, de wenkbrauwen opgetrokken. ‘Jij ziet een spinnend beest op je schoot, terwijl je aan het bingewatchen bent. Misschien heeft het wel een karakter waar geen onderdanigheid in schuil gaat. Een die mensen veracht. Die uitsluitend toestaat dat wij hem voeden. Alsof hij ons een gunst verleent.’
‘Jij zou eens iets moeten doen aan je negatieve instelling.’ Laure kijkt geïrriteerd. ‘Altijd problemen zien die er nog niet zijn.’
‘Ik noem het realistisch denken,’ zegt John.
‘Toen ik over kinderen begon, kwam je ook direct met een lijst van bedenkingen,’ zegt Laure. Ze staat op, loopt naar de keuken. Voordat ze de woonkamer verlaat draait ze zich om en zegt met ingehouden woede: ‘Je bent bang een deel van je vrijheid op te geven voor iets waar je je misschien niet aan kunt hechten. Maar dat jij slecht socialiseert, hoeft nog niet voor mijn kat te gelden.’
Tropennacht
Beweging
(geplaatst op 02.08.2025)
Overdag nergens bang voor. Altijd op pad. Op ontdekkingstocht. De tropentemperatuur schept een eigen vegetatie met bijbehorend dierenrijk. Niet te vergelijken met het Hollandse platteland. Het geluid van mensen, handkarren, nooit ver weg. Wat kan er gebeuren?
Op tijd weer thuis. Van het een op het andere moment is het donker. Ondefinieerbare geluiden nemen de regie. Hij tuurt strak in het licht van de olielamp, zodat hij daar omheen ook echt niets ziet. Want als hij zijn hoofd afwendt van het licht, hij een tijdje richting het houten schot kijkt, neemt hij plotseling een beweging waar vanuit zijn ooghoek. Iets schiet over vloer. Vervolgens geeft een wezen achter hem een geluid. Beweging en geluid horen niet bij elkaar. Dat is wat hij zeker denkt te weten. Snel kijk hij weer gericht in het licht. Slapen. Zodat het ochtend wordt. Met zijn ene hand tilt hij de lamp van de haak, deze houdt hij vervolgens voor zijn ogen. Met de andere hand tast hij de omgeving af, schuifelt hij langs de wand naar de slaapkamer. Zodra hij in bed ligt, draait hij de lamp uit. Hij houdt zichzelf voor de gek. Hij ziet geen hand voor ogen en daardoor is er ook niets dat beweegt. Ogen dicht doen en houden. Nu nog de geluiden negeren.
Altijd aanwezig
Onbegrijpelijk
(geplaatst op 19.07.2025)
Hij zegt altijd wel iets en meestal is het onbegrijpelijk. Hij heeft een andere bloedgroep, komt van een andere planeet. Weliswaar geboren en getogen in de Randstad, zo Hollands als maar kan. Hij heeft zich echter een verouderd taalgebruik aangemeten.
Op het werk vertegenwoordigt hij een andersoortig expertise. Niemand van de overige aanwezigen weet precies wat het inhoudt. Uiteraard heeft de expertise een functiebenaming. Een functie waarvan bepaald is dat deze bij elk overleg aanwezig dient te zijn. Eentje in aanzien, althans zo wordt het door hem ervaren. En een man in aanzien laat altijd van zich horen. Er wordt van alles door hem gezegd. De meeste aanwezigen maken dankbaar gebruik van zijn spreektijd om te dagdromen. Wanneer de voorzitter het einde van het onsamenhangende betoog veronderstelt, laat hij een aandachtskuch horen. Het moment voor eenieder om weer aan te haken. De voorzitter vraagt de spreker of hij antwoord wil geven op de vraag: ben je het eens of oneens met het voorgestelde besluit. Uitsluitend reageren met een ja of een nee, graag. Voegt de voorzitter daar nog aan toe.
Binnenkort gaat hij op vakantie. Hij wordt vervangen door zijn directe collega. Iemand met beide benen op de grond. Eentje die niet onzeker is en wel te volgen wanneer hij iets wil zeggen. We nemen in twee weken tijd, besluiten over zes verschillende onderwerpen. De beslisnotities liggen al op de plank. Om een of andere reden, zijn we er niet aan toegekomen om deze eerder te bespreken.
Het geluk
Een storm op komst
(geplaatst op 05.07.2025)
Groots en meeslepend? Nee, deze jongen niet.
Huisje, boompje, beestje. Dat is wat hij al sinds zijn tiende voor ogen had. Waarschijnlijk onbewust door zijn ouders ingegeven. Een terpentine inhalerende kunstenares. Eerst erkenning in de kunstwereld voor ze aan haar enig kind kan denken. En een vrijwel altijd van huis zijnde zakenman. Eerst de deal van de eeuw sluiten, daarna, misschien, een keer op een zaterdag naar zijn voetballende zoon kijken.
De omstandigheden dwingen hem er toe: hij is vroeg zelfstandig. Gaat op zijn zeventiende uit huis. Al snel leert hij zijn toekomstige vrouw kennen. Lief, zorgzaam, attent. Na zijn studie, een negen tot vijf baan in de luwte. Met twee inkomens en een spaarzaam leven weten ze een kleine woning aan de rand van een dorp te kopen. Een woning met een grote tuin. Bij het naderen van de dertig zijn er twee kinderen. Uiteraard een jongen en een meisje, zoals hij vroeger al bedacht had. Eenmaal uit de luiers, komt Harry de labradoodle. Het geluk kan niet op.
Op het terras drinkt hij een glas wijn met zijn vrouw. De kinderen spelen in de tuin, de hond rent er opgewonden tussendoor. Hij knijpt even in de hand van zijn vrouw en zucht tevreden.
We hebben het goed, zegt hij.
Jazeker. Nu moeten we het zo zien te houden.
Wat bedoel je? Hij kijkt haar een beetje verward aan.
Ik las ergens de volgende uitspraak: Het geluk is als een veertje, maar
niemand weet het te dragen.
Nog voor zijn glas leeg is, begint het te waaien.
Plaatsmaken
Comfort
(geplaatst op 21.06.2025)
U gaat naar een onderhoudsvrij appartement en wij knappen het huis op. Het kost u helemaal niets. Sterker nog, de maandelijkse lasten gaan flink omlaag. Zeker weten dat het in uw nieuwe woning niet tocht. Denk ook aan het comfort van centrale verwarming in elk vertrek. Nooit meer ijs op de binnenkant van de ramen van de slaapkamer. Een wijds uitzicht over de velden vanaf de negende verdieping. Veel verder kunnen kijken dan vanuit deze woonkamer.
De woorden zingen na in mijn hoofd. Bij de eerste keer uitspreken worden ze begeleid door muziek waar geen touw aan vast te knopen is. Experimentele jazz, denk ik, waar ik een hekel aan heb. Ik ga nadenken. De woning is groot voor een mens alleen. Zeker voor mijn leeftijd. Veel onderhoud, veel zorgen. De klanken veranderen in romantische pianomuziek. Gerrit was daar zo dol op. Hij zou wel weten wat te doen. Ik teken bij het kruisje.
Een paar maanden later hoor ik onheilspellende tonen. Mijn zoon die de woorden uitsprak, heb ik sinds de verhuizing niet meer gezien. Vanuit het raam kan ik ver kijken. Te veraf om enige verandering te ontdekken. Ik mis de reuring van de straat. Het verkeer, de plantsoenendienst in actie, de kinderen die met hun vader of moeder naar school lopen en naar mij zwaaien. Wanneer ik geen tv kijk, is mijn enige afleiding opruimen. Of eigenlijk meer mijn spulletjes herschikken. Maar er is niets meer om door mijn handen te laten gaan. Zoonlief heeft het bestempeld als rommel. Het is niet meegekomen naar hier. En ik weet nu al, dat ik bij een strenge winter er naar verlang, om met mijn vinger op het raam, boter-kaas-en-eieren te spelen. Ook al win ik altijd, sinds Gerrit er niet meer is.
Rebellie
Maar met wie?
(geplaatst op 07.06.2025)
Hij zit vol energie. Gedreven door onvrede. Hij wil de barricades beklimmen, die anderen, vanwege zijn zwakke rug, dienen op te werpen. Hij snakt er naar het verschil te maken. Mensen wakker te schudden. Zo kan het niet langer voortduren. Nog even en er is geen weg terug meer. Schreeuwen om gehoord te worden. Het mag geen geluidshinder worden. Lawaai waardoor de boodschap niet verstaanbaar is. Hij wil geen herrie maken, hoogstens schoppen. Nee, de lawaaimakers vallen af.
De fluisteraars, het andere uiterste, daar voelt hij zich niet op zijn plaats. Zonder stemverheffingen, beleefd en bedeesd praten. Zo wordt de strijd niet gewonnen. En met zijn accent heeft hij het gevoel op eieren te moeten lopen, om binnen die groep serieus te worden genomen.
Het trekt hem niet aan om zich aan te sluiten bij andere museumjaarkaarthouders, om zich ergens aan vast te plakken. Niet met zijn dunne huid. In gedachte ziet hij een bewaker naderen met een plamuurmes in de aanslag. Vervolgens mag hij maanden met zalf in de weer en slechts bamboe kleding dragen.
Op zoek naar natuuridealisten? Om vervolgens hoog in de bomen te bivakkeren? Hij kan overal komen. Hij is immers lid van Natuurmonumenten. Wellicht kan hij zijn hoogtevrees bedwingen voor het goede doel. Echter zijn zwakke blaas zal hem na twintig minuten doen abseilen.
Weet je wat, denkt hij: ik ben de boodschap. Ik hul mij in kleding met ludieke teksten. Op mijn jas en tas spelt ik buttons met woorden die er niet om liegen. Ik ben de eenmansactie.
Een gevoel van trots warmt zijn lichaam. Nu alleen nog bedenken waartegen hij zal ageren.
Andere tijden
Hartverwarmend
(geplaatst op 24.05.2025)
Ik pak het fotolijstje, om beter te kunnen kijken. Ik herken het stralende stel niet, achter het stukgeslagen glas. Er is meer gesneuveld. Het servies, kennelijk niet door haar begeert. Het tweeluik hangt nog aan de muur, repen canvas in een lijst. De foto, de bloemenbordjes, het abstracte werk. Het doet me niets. Wat me raakt, zijn de gescheurde boeken, de bekraste lp’s. Ik zal haar vragen wat zij uit de boedel wenst. Ik sleep het naar buiten, stapel het op, besprenkel het met spiritus, trek een fles wijn open, klap een tuinstoel uit, steek een van haar sigaretten op en schiet de brandende peuk tussen de spullen. Rancune kan hartverwarmend zijn.
Volgend jaar Zwitserland
Herdenken
(geplaatst op 10.05.2025)
Een graf op de begraafplaats. Ik word er niet plotseling, of voortdurend mee geconfronteerd. Ik neem het me voor, ik spreek af en ga er naar toe. Ik praat, ik drink, trek wat onkruid uit de grond.
Een zeemansgraf daarentegen is overal waar zout water is.
De onrust. Ik moet herdenken. Telkens weer. Ik loop met een fles sterke drank over fijn zand, lavazand, kiezelstrand. Tot ik het water bereik. Ik neem een paar flinke slokken. Vooruit, nog een paar. De rest is voor het water. Voor jou. Niet dat ik niet aan je wil denken. Niet dat ik niet op jou wil drinken. Maar een vakantie langs de kustlijn is slopend.
Onderscheid
Duiding
(geplaatst op 26.04.2025)
We hadden maar liefst vier jongens, genaamd Bob. Elke Bob in klas 2H2 had een bijnaam. Effectief, om in verhalen aan te geven welke Bob je bedoelde. Nooit met de intentie om te pesten.
Je had Rode Bob. Hij beschouwde het als een geuzennaam. Werd op latere leeftijd depressief toen hij haar en identiteit verloor. Blue Eyes Bob, die dik tevreden was met het benadrukken van zijn staalblauwe ogen waar de meiden voor vielen. Brede Bob, zat al op jonge leeftijd aan de gewichten. Waar eenieder uit respect en noodzaak met een boog om heen liep. Toegegeven: Jampot Bob was minder enthousiast. De naam bleef bestaan, ook nadat hij overgestapt was op contactlenzen.
De man in de witte jas
Fantast
(geplaatst op 12.04.2025)
De man in de witte jas zegt dat ik weliswaar veel vertel, maar spaarzaam met de waarheid omga. Een wijze om tegen mij te zeggen dat ik soms lieg. Onzin. Mijn beleving komt niet altijd overeen met die van hem. Zijn rechtlijnigheid staat een andere invalshoek in de weg. Bij hem is het zwart wit. Elke week stelt hij me vragen en schudt zijn hoofd als ik ze beantwoord, om vervolgens een hogere dosering voor te schrijven. Dat hij de energie in de kamer niet voelt, maakt mij nog geen fantast. Misschien moet ik op zoek naar een witte jas met voorstellingsvermogen, voordat de medicatie al mijn emoties heeft afgevlakt.
Dragers
Eenzaam
(geplaatst op 29.03.2025)
Ik weet al wie de dragers zijn. Vier man sterk. Dat moet genoeg zijn. Wat de dokter ook mag zeggen, ik weeg niet zwaar voor mijn lengte. Ik weet eventueel nog wel een vijfde, maar tot zes kom ik sowieso niet. En die vijfde ken ik uitsluitend van de winkel. Om nou de bakker te vragen, is ook zo’n gedoe. Dan moet hij ook nog vrij nemen die dag en wie verkoopt dan die heerlijke moorkoppen. Nee, vier moet genoeg zijn. Het wordt wel even puzzelen voor ze. Waarom nu uitgerekend de vier vrienden die ik heb, nou ja…OK...kennissen, er twee de 1.90 aantikken en er twee niet boven de 1.60 uitkomen, is een speling van het lot. Dat ze elkaar niet kennen, hoeft geen probleem te zijn. De gang met de kist van de auto naar de aula hoeft niet saai te zijn. Er mag gelachen worden, al zou ik niet weten door wie.
Eigenlijk ken ik die vijfde man nog het best en hij mij. Zes keer per week zie ik hem. Altijd bij hem. Ik kom voor een praatje en een moorkop. Nooit kom ik in zijn zaak andere mensen tegen. Alsof hij alleen voor mij open is. Hoewel, wellicht komt er nog iemand ’s middags langs, want er staan altijd twee gebakjes in de gekoelde vitrine. Hij neemt en ik heb de tijd voor dat praatje. Soms over het weer, vaker over het leven. Op zondag kijk ik uit naar maandag. Als ik er niet meer ben, zal hij mij eerder missen dan de vier aangewezen dragers. Misschien dat hij ’s avonds bij de thee de overgebleven moorkop eet. Ik moet niet vergeten hem op de lijst voor een rouwkaart te zetten.
Relatie
Gebruiksaanwijzing
(geplaatst op 15.03.2025)
Een boek waar ik niet buiten kan. Niet kan neerleggen. Ik wil weten hoe het verder gaat, wil niet dat het eindigt. Ik koester haar. Ik lees echter te snel. Mis de signalen tussen de regels door. Mijn tempo blijkt verstikkend te werken. Bestaat er een gebruiksaanwijzing, voor het lezen van dit verhaal?
Rat
Nowhere to run
(geplaatst op 01.03.2025)
De kogel met zijn naam er op. Opgeblazen tot een zwarte SUV. De impact is verwoestend. De bestuurder zonder aarzeling. Geen remsporen op het wegdek. Zeker vijftien meter van zebrapad tot voortuin. Daar ligt hij nog even te knipperen met zijn ogen. Geen ontkomen aan, hij had het al verwacht. Alleen nog niet nu. Met een nieuwe identiteit. Hier, in dit door God verlaten dorp.
Stinkkaas
Volharden
(geplaatst op 15.02.2025)
Blauwgeaderde stinkkaas. Te hard om te smeren, te oud om te snijden.
De begeerte moet de frustratie overwinnen om er ooit een toastje mee te kunnen beleggen.
Dood is dood
Een schone lei
(geplaatst op 01.02.2025)
In 2016 sterft Tom voor de eerste keer. Vaststelling van vermissing door de rechter. De instanties hebben het niet over doodverklaard, hoewel er een akte van overlijden wordt opgesteld. Een uitvaartdienst met een lege kist. Om het af te sluiten.
In afzondering, zonder communicatiemiddelen. Een retraite, wandelen in de bergen. Twee weken zou het duren. Tom had een zware tijd achter de rug. Na het opzeggen van zijn baan zou deze periode een keerpunt inluiden. Terug uit de bergen, een nieuw begin. Toen ze gingen zoeken hebben ze precies niets gevonden. Gedurende die twee weken voelde Jacqueline zich opgelucht. Ze kon vrij ademen, had een besluit genomen en uiteindelijk haar koffers gepakt. Daarna keerde de zorgen terug. En de razernij. Weer trok hij alle aandacht naar zich toe, had het initiatief in handen. Ze neuriede tijdens de door haar gekozen nummers op zijn uitvaart.
Jaren later ontving ze via Facebook een bericht. Tom stelde zich voor als Luca. Hij wist van zijn uitvaart, ging nu als Italiaan door het leven. Een eenvoudig leven in de bergen. Tot zijn en haar verassing ging ze in op zijn uitnodiging om elkaar te ontmoeten. Zonder iemand op de hoogte te stellen, reisde ze af naar de Dolomieten. Daar, tijdens een wandeling, vertelt hij dat hij tijdens zijn retraite tot het besluit kwam alles achter zich te laten. Alsmaar verder te lopen. Geen bezittingen, geen zorgen. Verlicht. Geen woord over wat hij anderen had aangedaan. Geen woord over spijt. Er klonk zelfs iets van trots door in zijn stem. Nee, dacht Jacqueline, geen trots, eerder spot. Het bespotten van mensen die een aards bestaan leiden. De wereld draaide nog steeds om hem. Lopend over het smalle steile pad, nam haar woede achter zijn rug toe.
In 2020 werd hij als Luca gevonden in een ravijn. De rondtrekkende seizoenarbeider, de einzelgänger. Uitgegleden, was de constatering. Niemand heeft Jacqueline daar ooit gezien.
Contact
Instagram
(geplaatst op 18.01.2025)
Zijn vader is getrouwd met een prinses, maar zij is niet zijn moeder. Overigens is het zijn moeder die beweert dat het een prinses is. Zelf heeft hij daar geen bewijs van. De foto’s laten geen paleis zien, noch een villa met zwembad. En als hij door te trouwen rijk is geworden, zou hij kunnen bijdragen aan de kosten van zijn levensonderhoud. Alhoewel zijn moeder dat niet zou accepteren. Zij zegt herhaaldelijk dat zij hem niet nodig hebben. Vastberaden om het op eigen kracht te doen.
Een prinses zonder land of landgoed, dat kan natuurlijk. Eentje die op haar wenken wordt bediend. Haar man als dienaar. Waarschijnlijk ook als minnaar, want ze zijn zwanger. Het geluksmoment zorgvuldig geregisseerd en vastgelegd. Zou zij weten dat hij, net zoals zijn vader, haar volgt op Instagram? Of hoopt zijn vader op die wijze contact met hem te leggen? Zijn hand op haar bolle buik, zijn ogen strak op hem gericht.
Balistraat
Waar je mee omgaat...
(geplaatst op 04.01.2025)
Hij woonde in de Balistraat, in het ouderlijkhuis. Zijn moeder was huisvrouw, zijn vader timmerman. De taken waren verdeeld. In het grootbrengen en voeden van vier kinderen zat overigens meer uitdaging, dan het inmeten en maken van een kledingkast. Hij heeft nooit veel gegeven om ruimte, hoewel hij het heerlijk vond om een eigen kamer te krijgen, de kleinste in huis, toen de oudste van vier kinderen vertrok. Gesteld op rust. Een plek om alleen te zijn met zijn gedachten. Na de oudste volgden snel de andere twee. Hij was een nakomer. Zijn wereld bleef zich afspelen in de kleine slaapkamer. Vanzelfsprekend voor zijn vader, werd hij ook timmerman. Training on the job. Zijn moeder verliet onverwacht de woning. Hoewel zijn vader met dit verlies niet kon omgaan bleef hij klussen doen. En hij bleef zijn vader trouw als tweede paar handen. Toen zijn vader op een dag niet meer opstond en het huis van hem alleen was, is hij het reisbureau, waar ze een week geleden nog een stellage hadden gemaakt, binnengelopen. De vrouw achter de desk herkende hem. Wat ze voor hem kon betekenen, vroeg ze met een vriendelijke lach. Een reis om niet te vergeten, zei hij. Nog niet eerder was hij de provinciegrens overgestoken. Van verre bestemmingen had hij geen kaas gegeten, maar Bali moest het worden.
Tijd voor onderscheid
Afscheid
(geplaatst op 21.12.2024)
Hij verbreekt de vriendschap. Niet langs digitale weg, met een druk op de knop. Nee, met moeite en aandacht. Pen en papier. Uiteraard een envelop om de persoonlijke boodschap persoonlijk te houden. Hij weet waar zijn bijna ex-vriend woont, het adres moet hij echter opzoeken. Een velletje met tien zelfklevende zegels reeds gekocht. Precies genoeg. De brief kan geschreven worden.
Hij doet zich voor als verwachtingsmanager. Vriendschap vergt tijd. Een investering. Twaalf vrienden hebben is absurd. De dagen zijn te kort. Hij wil het de geadresseerde niet aandoen. Hij kan niet leveren wat van een vriendschap verwacht wordt. Het is niets persoonlijks. Hij heeft hem altijd gemogen Er is te weinig gedeeld, ook al kennen ze elkaar ruim vijfentwintig jaar. Dat van die vijfentwintig jaar schrijft hij niet op. De twee vrienden die hij wil overhouden kent hij een jaar langer. Hij twijfelt of hij met die twee mannen meer beleefd heeft. Maar om nou van al zijn kennissen afscheid te nemen. Bovendien zou hij dan nog een velletje postzegels moeten kopen. De waarde van de acht niet gebruikte zegels zal snel devalueren, niet meer genoeg zijn voor acht brieven, die hij nooit zal schrijven. Hij zoekt naar een afsluiting. Iets in de trant van dat hij hoopt dat hij het kan begrijpen. Even goede vrienden…
Door omstandigheden
Pijnlijke knie
(geplaatst op 07.12.2024)
Je hoort zijn woorden, voelt zijn handen. Kwetsbaar lig je daar in je onderbroek. De drank heeft je hier doen belanden. Hij oefent kracht uit, jij geeft tegendruk. De linkerknie draait, buigt diep. Wanneer hij lost laat is er pas consensus. Met moeite weet je je spijkerbroek aan te trekken. Weg van hier, wil je. En toch kan je niet anders dan, aan zijn als verzoek geformuleerd gebod, voldoen. Hij wil je over twee dagen weer zien. De pijn dicteert. Je hebt niets te vertellen, op zoek naar verlichting.
Eerst zien dan geloven
Bestaan
(geplaatst op 23.11.2024)
Boer is hij. Alleenstaand. Getekend door het leven. Afvallige bovendien. De pastoor probeert hem te overtuigen met een parabel: Als je de vos nog nooit hebt gezien, kan je zijn bestaan dan ontkennen wanneer je op ochtendinspectie twee vermoorde kippen en een aangeslagen haan aantreft?
Wat de boer hoort is een bevestiging van zijn zienswijze. Ik ben die haan, denkt hij.
Hetzelfde gevoel
Of niet?
(geplaatst op 09.11.2024)
Nadat de trouwring voor de eerste keer om je vinger is geschoven, voel je het nog dagenlang zitten. Eenmaal gewend, weet je niet beter. Wanneer je diezelfde ring na achttien jaar van je iets dikker geworden vinger weet te krijgen, voel je nog dagenlang de ring die er niet meer is. Is dat hetzelfde gevoel? Of bestaat er een verschil, veroorzaakt door de tussenliggende jaren?
Delen of niet
Wie ben ik?
(geplaatst op 26.10.2024)
We doen en delen alles samen.
Dat alles is van ons.
Wat rest, wanneer jij er niet meer bent?
Hoor ik, daarop vooruitlopend, een eigen ik te creëren?
Vanaf nu dingen alleen te ondernemen. Niet alles meer te delen.
En is dit dan mijn eerste niet tegen jou uitgesproken gedachte?
Vooral genieten
Afzien
(geplaatst op 12.10.2024)
Hijgend bereikt hij zijn voordeur. Driehoog, geen lift. Vroeger geen probleem, nu een opgave. Even later staat hij in de keuken en haalt de boodschappen uit de tas. Een pak gevulde koeken in zijn hand. Deze eet ik nog op, denkt hij. Daarna koop ik ze voorlopig niet meer. Ik ga aan mijn conditie werken, morgen ga ik naar de sportschool.
Bij het inchecken krijgt hij te horen dat hij nog een oude pas heeft. Ruim een jaar geleden zijn ze overgestapt op een nieuw systeem, vertelt het energieke meisje achter de balie. Ze kan zien dat hij bij is met het betalen van de contributie. ’Gaat u eerst lekker sporten,’ zegt ze. ‘Na afloop kunt u bij me langskomen, dan maken we een nieuwe pas aan. Geniet ervan!’
Na het sporten besluit hij niet langs te gaan, maar via e-mail zijn abonnement te beëindigen. Door de sessie in de sportschool voelt hij zich oud en lelijk. Afbrokkelend zelfbeeld. Hij trekt zelf de conclusie dat hij dumbbells niet nodig heeft. Voorlopig heeft hij genoeg aan zijn lichaamsgewicht. En voor cardio kan hij net zo goed gaan wandelen. Dat is inspannend genoeg. Morgen gaat hij beginnen.
Hij heeft moeite om de volgende ochtend zijn spijkerbroek aan te trekken. Doorzetten, zegt hij tegen zichzelf. Die spierpijn loop ik er wel uit. Een wandeling door de stad, zal mij goed doen.
Op drie kwart van de ronde, die veel langer lijkt dan hij had verwacht, moet hij bijkomen. Hij gaat zitten op een bankje aan het water, onderuitgezakt. Hij knippert met zijn ogen vanwege het zonlicht, zijn ademhaling is zwaar. Een paar tellen later verschijnt er een dame op leeftijd in zijn ooghoek. Ze vraagt of ze naast hem mag plaatsnemen. Hij maakt een uitnodigend gebaar, woorden spreken lukt nog niet. Ze gaat zitten, kaarsrechte rug die nauwelijks de leuning aanraakt. Zonder hem aan te kijken zegt ze: ‘U heeft een mooi plekje uitgezocht, de zon krijgt al kracht. Dit is genieten.’
Tijdens het wandelen speelt zijn hamstring op. Hij vervloekt de diepe squats van gisteren, zijn uitvoering gadegeslagen door de strakke lijven brigade. En voelt hij nu ook een opkomende blaar op zijn linker enkel? ‘Wat is dit afzien, zeg,’ mompelt hij. Hij besluit zichzelf te belonen, of misschien zoekt hij troost. Een koffie om mee te nemen. Een grote. Even later krijgt hij van het hippe meisje achter de bar een plastic beker in zijn hand gedrukt, waarop zijn naam met zwarte stift geschreven staat. Verkeerd gespeld. ‘Geniet ervan,’ zegt ze enthousiast.
Dit zou goed gaan met een gevulde koek, denkt hij. Zijn linkerbeen lijkt te slepen over het trottoir. In een mum van tijd, alsof hij een loden pijp heeft, heeft hij de koffie naar binnen gegoten. Te veel koffie, blijkt al gauw. Zijn oudemannen blaas staat op knappen. Ternauwernood weet hij de wc thuis te bereiken. Wanneer hij zijn zweterige lijf een kwartier later onder de douche parkeert, een warme straal water over zijn rug, blikt hij terug op de afgelopen twee dagen. Hij heeft slechts van één moment genoten: het legen van de blaas.
Balkje
Vervlogen tijden
(geplaatst op 24.08.2024)
Foto’s in lijstjes op het dressoir en aan de wand. Veel foto’s. Van vijf mensen. Niet meer. Dezelfde mensen afgebeeld in verschillende samenstelling. In verschillende stadia van hun leven. Het verschil in leeftijd onveranderd. De jongen, de jongeman, de man: het is één en dezelfde. Krullend haar, grote uitstaande oren. Op al die foto’s gaan zijn ogen schuil achter een zorgvuldig met watervaste stift aangebracht zwart balkje. Ik zie hem. Altijd en overal. Of hij nu wel of niet in de hal staat of hangt. Maar die onschuldige ogen horen niet bij hem.
Gelukkig
Zolang het duurt
(geplaatst op 10.08.2024)
Harold is uitgelaten wanneer zijn vader dat is. En misschien wat bedrukt wanneer zijn moeder verdrietig is. Hij heeft nog de leeftijd waarop hij zich niet af hoeft te vragen, of zijn ouders gelukkig zijn. Voor hem is het geluksgevoel als het openscheuren van een zakje Panini stickers en dan tussen de vijf plaatjes de topscoorder van zijn favoriete club aantreffen. Dat hij hem vervolgens ietwat scheef in het album plakt, doet daar niets aan af.
Innerlijke rust
Delen
(geplaatst op 27.07.2024)
Wanneer hij over de stilte wil spreken, is hij alleen.
Doorgaans overstemt de spraakwaterval het geluid van de stilte.
Toch heeft hij haar nodig om te delen.
Haar reflectie.
Het is toch niet te laat?
Hoe kan hij haar laten horen om vervolgens te luisteren?
Iemand die de leegte met geluid vult, vreest wellicht de gedachten.
Wat de sereniteit voor impact heeft.
Hij komt tot inzicht. Een om te verwezenlijken.
Te beginnen met het uitspreken en delen.
Hij moet haar vinden, voor de rust plaats maakt voor paniek.
Geruststellend vakantienieuws voor de thuisblijver
Komkommertijd
(geplaatst op 13.07.2024)
Brit beklimt Indonesische vulkaan op moment van uitbarsting.
Luchtballon vaart tegen rotswand in iconisch Turks landschap.
Canadese vrouwen doen alsof ze tot de Inuit behoren.
Man gooit meubels van twintig hoog naar beneden in New York.
Quad rijdt met 190 kilometer per uur door Belgisch Ieper.
28 mensen hangen half uur ondersteboven in kapotte Amerikaanse attractie.
Braziliaanse politicus demonstreert op straat zonder kleren aan.
Nieuwe flat Tokio wordt gesloopt vanwege blokkeren uitzicht op berg Fuji.
Zwarte zaterdag: extreem lange files verwacht naar het zuiden.
De zwijger
Niet aanspreekbaar
(geplaatst op 29.06.2024)
Een stabiele factor. Een zekerheid. Men kan er van op aan. Op het bankje met uitzicht over de vesting waaraan de stad haar faam ontleent, zit een zwijgende man. Hoewel hij alles ziet, neemt hij geen deel aan zijn omgeving, behalve dan door er te zijn. De bewoners van deze buurt, de hondenbezitters, zeggen hem gedag wanneer ze langslopen. Hij knikt of trekt een wenkbrauw op. Doof is hij niet. Een hond snuffelt even aan de bergschoenen en de blote benen. Zijn korte broek is van een onbestemde kleur en past goed bij de eeuwige sweater die hij draagt. Eventueel later op de dag de mouwen opgestroopt. Hij neemt de uitgelaten toeristen waar, die het uitzichtpunt hebben weten te vinden. Een punt van zelfverering en selfies. Hebben ze weet van de geschiedenis op de achtergrond van hun foto? Zien zij hem zitten of uitsluitend hun mobiel die ze voor hun gezicht houden?
Hij pakt een fles water uit de duffeltas die naast hem staat. Een tas met heel zijn bezit erin? Is hij een zwerver, of een reiziger met een vaste bestemming? Heeft hij een woning dichtbij, waarvandaan hij de dagelijkse gang maakt naar zijn bank met uitzicht? De haren gekamd, de baard verzorgd en de geur die om hem heen hangt is neutraal. Hij straalt een serene rust uit. Of is het toch een intens verdriet? Ik ben nieuwsgierig. Ik zeg hem gedag, want ik heb een hond. Maar, hem aanspreken doe ik niet.
Vakantiegevoel
Last minute
(geplaatst op 08.06.2024)
In short en t-shirt gehuld. Zijn linker over zijn rechterbeen geslagen. Een slipper bungelend aan zijn voet. Hij is thuis. Binnen. De ramen noodgedwongen gesloten. Hij zit op de bank. Op het internet. Scrollend langs de leftovers. Op zoek naar weer dat bij zijn kleding past. Zich niet meer afvragend waarom deze bestemmingen nog niet eerder geboekt zijn. Het enige filter dat hij heeft ingesteld is: mooi-weer-garantie.
Weegt het verlangen zwaarder dan de herinnering?
Dromen
(geplaatst op 25.05.2024)
Niets is hem liever dan het maken van een rondreis door Zuid-Amerika. Door de reis zal hij meer over zichzelf te weten komen. In het oppervlakkige leven dat hij nu leidt, heeft hij geen kans zichzelf te ontmoeten. Twee keer per week het supermarktverkeer en tijdens werkdagen de digitale interactie met zijn nietszeggende collega’s. Hij wil weten wie hij is, en om daar achter te komen heeft hij uitdagingen nodig. De reis zal hem inzichten geven, daarvan is hij overtuigd.
Hij spaart en koopt vakantiedagen. Een half jaar wil hij wegblijven. Hij leeft in het teken van de reis. Zijn verlangen groeit. De dag van vertrek, op de kalender rood omcirkeld.
De bij zijn medicijnen horende doktersverklaring wordt, op het vliegveld van aankomst, als frauduleus bestempeld. De zes maanden voorraad, als handelswaar beschouwd. De daaropvolgende visitatie met de broek op de enkels is mensonterend. Van empathische communicatie met het consulaat is geen sprake. Hij moet geduld hebben. Wanneer de zaak voorkomt zal blijken dat het op een misverstand berust. Tot die tijd zal hij ontberingen lijden in een uitpuilende gevangenis. Het spaarzame en niet voedzame eten, de slapeloze nachten, de constante dreiging beroofd te worden, in elkaar geslagen te worden, of erger.
Er gaat daar geen dag voorbij of hij vervloekt zijn roep om uitdagingen. Negen weken lang. Het misverstand wordt vastgesteld. Vermagerd en berooid, met geleend geld van zijn ouders, keert hij terug. Hij is zichzelf tegengekomen, maar de herinnering die hij heeft aan de afgelopen tijd, besmeurt met terugwerkende kracht het verlangen van op reis te gaan. Hij vraagt zich af of hij een volgend verlangen onvervuld zal laten, zodat een droom een droom blijft.
Verslaving doet billen verdwijnen
Onbetaalbaar
(geplaatst op 11.05.2024)
Deze pastilles werken echt. Je valt gegarandeerd af. Slechts een per dag. En ze zijn nu in de aanbieding: 30 stuks, gisteren en morgen 180, vandaag 150 euro. Drink daarnaast uitsluitend water met schijfjes citroen en je weet niet wat er gebeurt. Sporten kost meer geld. En tijd.
Deze groene dragees hebben een speciale werkzame stof die eenmaal opgenomen in het lichaam, gericht op zoek gaat naar de derrière. Daar valt het op agressieve wijze de vetkwabben aan. Agressief, als in doelgericht. Niet, als in pijnlijk. Veel van onze gebruikers kunnen na twee maanden al nieuwe pantalons kopen of rokken, afhankelijk van de voorkeur. Wil je het buikvet te lijf gaan? Neem dan de rode capsules. Zo hebben we een regenboog aan mogelijkheden, iedere kleur gericht om een specifieke plek van binnenuit aan te vallen.
Zonder de bijwerkingen, werkt het als een opiaat. Heb je ooit een drugsverslaafde met een omvangrijke bilpartij gezien? Maar je wil het leven van een drugsverslaafde niet, en nu je erover nadenkt, het lichaam eigenlijk ook niet. Terug naar de groene dragee. Voor je het weet kan je het achterwerk weer op een barkruk plaatsen en bestel je een cocktail. De tabletten zijn zonder bijwerkingen te combineren met alcohol en verzadigde vetten. Overdag functioneer je normaal. Beter zelfs. Want je zit immers beter in je vel. Start vandaag nog. De zomer komt er aan. Tijd voor een strandwaardig lichaam.
Benen
De laatste keer
(geplaatst op 27.04.2024)
Hij herkent haar blote benen. Haastig geschoren onder de douche. Hier en daar nog haren zichtbaar. Af en toe een schram. Benen die hij heeft begeerd, gestreeld, gekust. Wanneer was de laatste keer?
Op die vakantie in Kroatië? Na een vroege lunch met zeker een fles rode wijn. Vervolgens een duik in het meer. Met de druppels nog op de huid in de snikhete tent. Dat moet de laatste keer geweest zijn. Sindsdien weer verder met hoe het daarvoor was. Nauwelijks aandacht. Met afgewende blik. Niet in haar ogen kijken, niet naar haar benen. Wanneer was de laatste keer dat ze hebben gepraat?
Ze heeft de jurk aan, waar hij haar complimenten over heeft gemaakt. Toen, op vakantie. Nu, veel te luchtig voor de tijd van het jaar. En zeker voor zijn gevoel. Haar teennagels gelakt. Eén voet met, één voet zonder pump. Wanneer was de laatste keer dat ze schoenen met hakken droeg?
Ja, haar benen herkent hij overal en altijd. Maar hij verwacht ze niet te zien, bungelend in het trapgat.
Op zoek naar spijt
Tweede helft
(geplaatst op 13.04.2024)
Hij heeft nergens spijt van.
Hij heeft niets recht te zetten.
Nu hij eindelijk eens stilstaat, zich afvraagt wie hij is,
terugblikt op de eerste 45 jaar van zijn leven,
stemmen de gedachten hem somber.
Altijd binnen de lijntjes kleuren.
Het hoofd iets gebogen, een afgewende blik.
Niet aangesproken worden, niet opvallen.
Geen uitgesproken mening, geen eigen initiatief.
Zijn leven zodanig ingericht om falen te voorkomen.
Een onbesproken leven. Precies dat.
Niet de moeite waard om er over te praten.
Vanaf nu gaat hij op zoek.
Op zoek naar meningen, situaties, waar hij later spijt van gaat krijgen.
Nog een leven voor zich om te vallen.
Kont tegen de krib, tegendraads, op avontuur.
Schreeuwen vanaf de barricade.
Uitgeput oud worden.
En dan, vol van berouw, kunnen praten over een bewogen leven.
Geen gezicht
Emoties
(geplaatst op 30.03.2024)
Een oud hoofd.
De huid gelooid. Diepe rimpels.
De tekenen van weer en wind.
Het leven geleden, het leven gevierd.
Het gezicht constant in de plooi.
Het praten verleerd.
De bewoners denken dat hij boos of verdrietig is.
En anders op z’n minst chagrijnig.
Maar niet de vrouw die sinds kort in de kamer naast hem woont.
Zij ziet, met onbevangen blik, de man werkelijk en ziet zijn ogen lachen.
De straat die nooit een boulevard zal worden
In het licht
(geplaatst op 16.03.2024)
Een straat die wel een moord kan gebruiken. De moord die bij daglicht plaats moet vinden, want dan valt er minder te zien. Een maand later een plaquette op de muur. In woorden wordt weergegeven wat wanneer hoe is gebeurd, en dat vrijheid van meningsuiting een groot goed is. Opgehangen naast de nog steeds zichtbare kogelinslagen in de bakstenen wand. Er zullen mensen komen kijken.
Op de weg geen kasseien of klinkers, maar betonplaten. Aan weerszijden een verhoogd trottoir en daar weer aangrenzend, zowel aan de linker- als de rechterzijde, een gemetselde muur van een hoogte waar een noorderling niet overheen kan kijken. Een strook van vierhonderd meter, waar de seizoenen geen vat op kunnen krijgen. Een onveranderd aanzicht.
Waarom staan er in hemelsnaam zoveel lantaarnpalen? Wanneer de avond is gevallen staat de straat te stralen. Met de ambitie om opgenomen te worden in de stadgids, als onderdeel van de route die is uitgezet langs lommerrijke lanen, bezienswaardigheden en vergezichten. Een weg die snakt naar een obscuur kunstwerk waar schande over wordt gesproken en dus mensen aantrekt. Tot die tijd zal geen mens doelbewust naar deze plek trekken, of het moet een liefhebber van straatverlichting zijn.
Zo moet het gaan
Toch?
(geplaatst op 02.03.2024)
Je bent steeds vaker weg van huis.
Een avond, een nacht, een volgende dag.
De intervallen duren langer.
Je spullen onaangetast, jouw mobiel buiten mijn bereik.
Geef me iets van houvast.
Een teken om in te geloven.
Waarop mijn hoop gevestigd kan worden.
Een hoogst-waarschijnlijkheid dat je altijd zal terugkeren.
Wanneer ik je even zie, jij je winterjas omruilt voor die korte dunne regenjas.
Laat op dat moment iets blijken, waardoor het ook voor mij lente wordt.
Nog één voorjaarsstorm, nog één keer los.
En dan komt bij jou het besef, dat je bij deze saaie lul veilig bent.
De vraag die niet gesteld wordt
Denk je nog aan haar?
(geplaatst op 17.02.2024)
Het was op vijf juni 2019, drie uur in de middag. De uitslag. Een paar weken daarvoor had ik je zo ver gekregen om naar de huisarts te gaan. Zij verwees je met een bezorgde blik, na een kort onderzoek, door naar het ziekenhuis. Helemaal doorgelicht. Gevolgd door nog twee ronden om het zeker te weten. Met een steen in mijn maag gingen we die woensdagmiddag naar de behandelend arts voor de uitslag. Zakelijk, zonder al te veel empathie kregen we die te horen. Misschien lag dat aan mij. Ik had behoefte aan een arm om mijn schouders een troostend woord tot mij gericht. Hoe egocentrisch. Hand in hand ondergingen wij de uitspraak gelijk een oordeel. De arts raadde je aan alles te gaan regelen en afscheid te nemen. Ik schakelde in een soort van ontkennende overlevingsmodus. Stelde vragen of het zin had om voor een second opinion te gaan. Of we tijd zouden kunnen kopen waardoor de weg langer zou duren dan het aantal weken dat de arts aangaf. Je onderbrak me, zei dat ik niet zo moest knijpen en dat het goed was. Hoe bedoel je goed, dacht ik. Wat was er goed aan dat doemscenario?
Gelukkig hebben we altijd veel met elkaar gepraat. Over echt van alles en zeker ook over de belangrijke dingen in het leven. Gelukkig hadden we tot dan toe het leven geleefd. Nee, niet alsof er geen morgen zou komen. Maar wel stilgestaan om te genieten, intieme momenten beleefd. We waren veel samen. Deden ook onze eigen dingen. Ik vaak met de gedachte ‘dit moet ik onthouden en straks aan jou vertellen’. We hadden in de resterende tijd niet nog iets in te halen. Dat neemt niet weg dat jij bleef praten, als de pijn het toeliet. Veelal in de verleden tijd. Toen vond ik dat vervelend. Ik ben zelfs een keer geïrriteerd tegen je uitgevallen. We leven verdomme nu, zei ik. Nog wel. Laten we het over nu hebben. Vandaag de dag ben ik je dankbaar dat je zoveel over het verleden hebt gepraat. Je bevestigde wat ik al wist, de ups-and-downs die wij hebben beleefd waren altijd ergens goed voor, een mooie tijd samen.
Geen verrassingen op de lijst met nummers die je op de dag van de uitvaart wilde laten horen. Je had een draaiboekje samengesteld. Niet alleen met de muziek. Een bescheiden lijst met genodigden. En de wens dat niemand een toespraak zou houden.
De palliatieve sedatie was ingezet. Ik lag naast je toen ik aan je ademhaling kon horen en aan je lichaam kon voelen, dat je tot rust kwam. Vijf voor zes ’s-ochtends, vijf minuten voor de tijd dat jij doorgaans stilletjes opstond om mij niet wakker te maken, ben je er tussenuit geknepen.
God, wat had ik je lief. Heb ik je lief. Er gaat geen dag voorbij, of ik denk aan je. Dat er inmiddels twee jaar negen maanden en zestien dagen zijn verstreken heeft daar geen verandering in gebracht. Dat zou ik ook niet willen. Wie weet verwacht men dat het zo verloopt, dat men daarom de vraag niet stelt. Omdat het een onzinnige vraag lijkt. Of omdat men het niet wil oprakelen. Alsof mijn gevoelens die dag ook diep onder de grond zijn gestopt. Ik zou willen vertellen omdat men er naar vraagt. Uit interesse. Omdat men jou niet is vergeten. Heel graag zou ik willen, al is het maar de buurvrouw, dat ze de vraag stelt: denk je nog aan haar?
Eindbestemming
Niet gemist
(geplaatst op 03.02.2024)
Al jaren reist hij met de trein. Vier keer per week. Anderhalf uur heen. Anderhalf uur terug. Terug is thuiskomen. Hij twijfelt vaak aan wat heen eigenlijk is. Vooruit? Of al die tijd stilstaan? Het is wel de reden dat hij thuis kan onderhouden. Anders was hij allang uitgestapt. Wanneer er geen door NS aangeduide calamiteiten zijn, zit hij in de intercity. Halverwege het traject stapt hij uit. Een automatisme.
Meestal leest hij. Afhankelijk van de woorddichtheid, zo’n 25 tot 35 pagina’s. Ooit laat hij dat tussenstation passeren. Ooit zal hij reizen naar de eindbestemming. Wellicht op de dag dat hij zijn laptop moet inleveren. Nog vijf jaar te gaan.
Een onbekende eindbestemming. Een bestemming die in geen enkele reisgids als zodanig wordt aangeduid. Geen plaats om voor om te rijden. Voor hem zal het een andere wereld zijn. Het etiket van de eenling zal ook daar aan hem kleven. Maar het ontbreken van de smalende blikken van collega’s, zal hem de rug doen rechten. Waarom wachten? Deze ochtend stapt hij uit, na 60 bladzijden te hebben gelezen. Missen doen ze hem toch niet.
Hoop op betere tijden
Niet van hier
(geplaatst op 20.01.2024)
De bakker wil geloven. Geloven geeft hoop. Hoop op betere tijden. En betere tijden kunnen ze wel gebruiken, hier in het dorp. Het hoeft geen vernieuwing te zijn. Het mag ook terug naar vroeger. Zolang het heden maar wil wijken. Niet door het verstrijken van een dag. Nee, door een ommezwaai. Er gaan stemmen op om de tunnel af te sluiten. De tunnel die door de machtige berg loopt. De berg die het dorp al tijdens het lunchuur in hoogzomer van schaduw voorziet. De tunnel met de enige weg naar de buitenwereld. De naast de weg gelegen spoorlijn is overwoekerd met een onkruid dat zelfs in het donker weet te groeien. Aan de andere kant van de tunnel, zetelen de zogenaamde beleidsbepalers. Niet wetende wat er zich hier afspeelt, willen ze de wereld verbeteren door te beginnen met de lokale economie de nek om te draaien.
De voorstanders roepen: ‘Opblazen en voor ons zelf beginnen. Wij bedruipen het dorp. Wat hebben wij eigenlijk van hen nodig?’
‘Meel,’ oppert de bakker.
‘Kleding,’ vult de eigenaar van Every Day Fashion aan.
‘Vlees,’ zegt de slager halfluid.
‘Jullie komen altijd met bezwaren,’ zegt een van de voorstanders. ‘Probeer groots te denken en je een toekomst voor te stellen.’
‘Ik zie er een waarin we rondlopen in lompen en enkel vis eten.’ De bakker gaat met zijn vingers door zijn onverzorgde baard. Een omstander is even afgeleid en denkt aan de grijze haar die ze vanochtend in het binnenste van het brood aantrof. De driekoppige bemanning van de boot, de enige boot die het dorp rijk is en vaart op het meer waar na lunchtijd het licht van de zon nog wel volop aanwezig is, is tot actie bereid. Actie, voordat het over een paar dagen niet meer mag uitvaren om vis te vangen. De klok luidt, de dienst begint, de discussie verstomt. Gelaten stappen ze een voor een, plichtsgetrouw, het kerkje binnen.
De bakker wenst, wellicht tegen beter weten in, dat de man die vandaag de dienst leidt, een verkondiger is. Eentje die een veelbelovende tijding te brengen heeft. Bij voorkeur een hoopgevend wonder. Een mirakel dat door de kerk wordt erkend. Ze zullen van heinde en verre komen. De treinverbinding zal worden hersteld. De vissersboot verzorgt tochtjes over het meer. De kledingzaak voorziet in sweaters met opdruk en woorden verwijzend naar de wonderbaarlijke gebeurtenis. Hijzelf zal luxe broodjes verkopen met vleeswaren van de slager. Zal de geestelijke vandaag deze boodschap verkondigen? De bakker denkt van niet. De priester is niet van hier. Hij komt uit de buitenwereld.
Besloten ruimte
Overzicht
(geplaatst op 06.01.2024)
Ze kwam op de wereld toen ze dertien was. Bij toeval ontdekt door twee Jehovah’s Getuigen. Dat is een versie van het moment. Volgens de verkondigers van Gods Koninkrijk heeft het zo moeten zijn. Waarom zouden ze anders op die ochtend bij dat afgelegen huis op de deur hebben geklopt? Om vervolgens in actie te komen naar aanleiding van een geluid dat uit het souterrain klonk? Hoe dan ook, eenmaal bevrijd en verlost van haar wereldvreemde vader die al naar schatting een week tegen de met grendels afgesloten kelderdeur zat, ontdekte ze op dertienjarige leeftijd een buitenwereld die vreemd op haar over kwam. Zelf was ze ook een bezienswaardigheid en object van studie. Een achterstand in taal en groei. Bewegingsvrijheid en zonlicht niet gewend.
Ondergebracht in een enorme ruimte met heel veel glas, zat ze overdag het liefst op de grond tussen een fauteuil en een muur geklemd, met niet meer dan een meter zicht. De mensen die ze te zien kreeg, altijd in een witte jas en een clipboard in de hand, moedigden haar aan om de ruimte te verkennen. Heel geleidelijk gaf ze daar aan toe. In het donker, wanneer de witte jassen lagen te slapen. Door af te tasten raakte ze bekend met de wit gestucte muur, het door de zon verwarmde glas, de ribfluwelen bekleding van de stoel, de veerkracht van het matras. Zou ze daar ooit op kunnen slapen? Ze begreep al snel, dat waar ze vandaan kwam bijzonder was. Een vrouw die een aantekening maakte op het vastgeklemde papier, mompelde ‘niet goed’. Ze wist hoe ze zich had te gedragen om de gevolgen van ‘niet goed’ te voorkomen, dat had haar vader haar bijgebracht. Maar wat had dat met de besloten ruimte te maken? Een plek zoveel overzichtelijker dan waar ze nu was.
Geen actieve herinnering
Euh...
(geplaatst op 23.12.2023)
Mike ziet op zijn Google Maps Timeline, dat hij aan het begin van afgelopen maand in Café Bert is geweest. Of in ieder geval zijn telefoon. Ook nog eens een hoogtepunt, leest hij.
Een compositie om te vergeten
Singer-songwriter
(geplaatst op 09.12.2023)
Was ik maar een singer-songwriter. Ik zou schrijven over je verschijning, over de zon en de donkere wolken. Over je uitspattingen en je zoektocht. Over je hechtings- en verlatingsangst. Over hoe je liefde inzet en gebruikt. Als een verwoestende drugs.
Een bomvolle zeven minuten. Alle herinneringen en bijbehorende gevoelens in woorden gevat, in een diep gedolven papieren graf. Begeleid door symfonische rock. Van een gefluisterde bries tot een schreeuwende orkaan. Een eenmalig optreden als een Apocalyps. Elke gezongen regel verdwijnt in het zich snel vullende gat. Na de slotakkoorden stap ik over jou heen. Ben ik over jou heen.
Echt waar
Een politiek dier
(geplaatst op 25.11.2023)
Hij vertelt over de gebeurtenis zoals hij die heeft beleefd. Geen absolute waarheid. Nee, zijn waarheid. Hoewel hij zegt open te staan voor nuances aangedragen door anderen. Die anderen hoeven niet persé zelf de gebeurtenis ervaren te hebben. Vragen stellen. Kritische mogen ook. Een lichte spot kan hij hebben. Echter, wanneer ten stelligste zal worden ontkend hetgeen hij beschrijft, zal hij volharden. Zijn waarheid mag bevraagd worden. Zijn waarheid mag niet onderuit gehaald worden. Hij beweert geen fantast te zijn. Aan het predicaat verhalenverteller heeft hij een hekel. Hij zegt gebeurtenissen niet bewust te verpakken in een versie die toehoorders zal boeien. Toch heeft hij graag een publiek.
Uiteindelijk kan men feiten weten te achterhalen. Een opsomming alleen, maakt nog geen verhaal. De verbanden die hij legt, zullen interpretaties zijn. Veelal persoonlijk, zelden objectief. Waar feiten aaneengeschakeld worden, komen voorkeur en vooroordeel om de hoek kijken. Er ontstaat ruimte tussen oprecht zijn en gelijk hebben. Overtuigd van zijn gelijk wacht hem een carrière in de politiek.
De boodschap verpakken
Het woord en het oog
(geplaatst op 11.11.2023)
De spreker zit achter een tafel en verkondigt de boodschap: Je moet van jezelf houden om van anderen te kunnen houden. Om van jezelf te kunnen houden moet je weten wie je bent.
Tim is diep onder de indruk. De vraag is dus eenvoudig, denkt Tim. En aan het antwoord kan ik werken. Wanneer ik eenmaal weet wie ik ben en daarmee tevreden kan zijn, durf ik me te binden. Het zal een proces zijn, niet direct een resultaat. Maar aan het eind gloort het geluk.
Even later staat Tim in de rij voor de tafel. Het driehonderdentwintig pagina’s tellende zelfhulpboek in de hand. Nu ik er toch ben laat ik een handtekening zetten en misschien een bemoedigende boodschap van de schrijver. Bijna aan de beurt, nog een iemand te gaan. Iemand waarmee hij zich nooit zou vereenzelvigen. Op dat moment zegt de schrijver met luide stem dat hij even een sanitaire pauze neemt. Volhouden, denkt Tim. Ik wil dit. Nog even wachten. De schrijver loopt langs de tafel en Tim ziet wat hij niet wil zien. De auteur heeft voeten. Blote voeten die te groot zijn voor de sandalen. De twee grote tenen, allebei te bestempelen als jubeltenen, steken over de rand omhoog. Opvallend behaard. Met geel verkleurde dikke kalknagels. Tim slikt. Hij stapt uit de rij, legt het boek op de speciaal voor deze lezing gecreëerde stapel en verlaat de winkel.
Verschillen
Verbinding
(geplaatst op 28.10.2023)
Bij gebrek aan fruit een schep suiker, een scheut Sprite voor het koolzuur, een plens Licor43 en niet te vergeten het basis ingrediënt rode wijn. Alles gekoeld. Een stoot bruisende energie. Hij zit in de voortuin van de vakantiewoning en laat de drank zijn werk doen. Nog twee weken vakantie te gaan. Nu zijn vriend de eerste de beste vlucht terug naar Nederland heeft genomen, is het zijn mening die telt. De zon verwarmt zijn lichaam. Hij kijkt naar niets in het bijzonder, totdat zijn blik blijft haken aan de stoel naast hem. Daar waar Dave gisteren nog zat.
Wat maakt een stoel eigenlijk een stoel, vraagt hij zich af. Vervolgens is de gedachtestroom niet te stoppen. Een stoel maakt een stoel vanwege de verschillen met een kruk, denkt hij. Ooit is er consensus ontstaan om een stoel stoel te noemen. En een kruk kruk. Onderscheid maken om iets te specificeren. En ook al zit ik op een zogenaamde identieke stoel, die van Dave heeft een buts.
Dave en ik hebben altijd de verschillen benadrukt. Oh, wat zijn we uniek. Niet alleen als stel, maar ook ten opzichte van elkaar. Waarom wil eenieder uniek zijn? Vanuit dat denkbeeld zoomen de mensen in op de verschillen. Dave en ik hadden beter naar de overeenkomsten kunnen kijken. Verbinding vinden. Nodig om onze eerste vakantie samen te overleven. Wat een stoel en een kruk gemeenschappelijk hebben is overduidelijk. Dave had van mij de kruk mogen zijn Hij glimlacht bij die gedachte. Zo dadelijk siësta. Eerst nog een glas slaapverwekkende stroperigheid. Hij hoeft met niemand rekening te houden.
Waar is iedereen?
Net doen alsof
(geplaatst op 14.10.2023)
Het plassen doet hem goed. Een bevrijdend gebeuren. Op een gegeven moment is er geen houden meer aan. De handen wassen, de polsen onder het koude water. Met aandacht loopt hij in een rechte lijn, door de klapdeuren, de kantine in. Niemand te zien. Althans, niet op de plek waar hij zo-even nog oeverloos stond te lullen.
Rondom de statafels verlaten barkrukken. Glazen op tafel. Leeg, een stuk of twaalf. Een vijftal, met bodempjes doodgeslagen bier. En twee pitchers. Waarvan een, nog voor een kwart gevuld. Nee, met zijn waarnemingsvermogen is niets mis. Hij doet alsof hij weet waar de anderen zijn. Alsof het zo afgesproken is. Hij pakt zijn glas, van de plek waar hij vijf minuten geleden nog stond met een hand ontspannen op de tafel te leunen. Geconcentreerd en met vaste hand schenkt hij het glas vol. Wanneer hij zonder er bij na te denken het glas heft, zijn mond naar de rand reikt, maakt hij de kantelbeweging nog voordat het glas op zijn onderlip rust. Hij herstelt de koers van het glas en neemt een flinke slok. Hij kijkt spiedend naar zijn donkerzwarte sweater. De natte verkleuring valt nauwelijks op.
Waar is iedereen, vraagt hij zich af. De andere tafels kennen nog dezelfde bezetting als voorheen. De dame achter de bar heeft het te druk voor oogcontact. Laat ze de kolere krijgen, denkt hij ferm terwijl hij even door de linkerknie zakt. Het bier is bij bestellen al afgerekend. Er zit zelfs nog kleingeld in de pot, ziet hij. Hij pakt het schone glas, keert het om en laat de munten in zijn hand glijden om ze vervolgens in zijn broekzak te stoppen. Hij kijkt nog een keer om zich heen, met het biertje in zijn hand. Hij probeert uit te stralen, dat hij niet in de zeik wordt genomen, dat hij wel vrienden heeft. Zo dadelijk stapt hij op de fiets. Naar huis, waar niemand op hem wacht.
Taxi
Waardering
(geplaatst op 30.09.2023)
‘Ik breng je wel, zei mijn vader. Ik stribbelde nog tegen. Ik had immers de reis naar het vliegveld al met het openbaar vervoer gepland. Hij schrok zelfs niet van het vroege tijdstip.’ Ik zucht overdreven diep en ga verder met mijn verhaal. ‘Ik ga je niet uitzwaaien, hoor. Ik zet je alleen af, drong hij aan. Het lijkt mij fijn… Ok, ik vind het fijn om je naar Schiphol te brengen. Dan zitten we nog even een half uurtje naast elkaar. En jij hebt geen gestress met het openbaar vervoer, hoor ik hem zeggen. En ach dan ben ik de kwaadste niet en sta ik hem toe mij te brengen.’ Ik kijk naar mijn vriend die er wel ontspannen uitziet.
‘Dat is toch lief van hem, dat hij zich aanbiedt?’
‘Aanbiedt? Hij dringt zich op.’ Bewust frons ik mijn wenkbrauwen. ‘Vervolgens doet hij het voor komen alsof ik het zonder zijn hulp niet zou redden.’
‘Daarom sta je hier nu met het zweet op je voorhoofd,’ zegt mijn vriend. ‘Omdat jij zijn hulp niet kan aanvaarden.‘
‘Nee, dat is het niet. Om half zes til ik mijn koffer in de achterbak, mijn vader kruipt al achter het stuur. Ik hoor een schrapend geluid, dat zich een paar keer herhaald telkens wanneer mijn vader de contactsleutel omdraait en gas geeft. Er wil geen geruststellend geronk voor in de plaats komen. Hij vloekt, slaat op het stuur met zijn vuist. En zegt op een rustige toon, maar met overslaande stem, dat de accu leeg is.’ Ik kijk mijn vriend aan en rol met mijn ogen voor het dramatisch effect. ‘Ik moet toegeven dat hij daarna adequaat heeft gehandeld. Hij heeft een taxi gebeld, die natuurlijk niet direct voor de deur stond. Vandaar dat ik laat ben. Vervolgens heeft hij geld naar mij overgemaakt om de rit naar hier te betalen. Hoe dan ook, ik had niet naar hem moeten luisteren toen hij me emotioneel onder druk zette om van zijn diensten gebruik te maken.’
‘Rustig, we hebben nog tijd genoeg. Het vliegtuig halen we wel,’ zegt mijn vriend geruststellend. Ik kijk hem aan, voel mijn hartslag dalen. Hij straalt rust uit. Altijd. Nu kan mij niets meer gebeuren. ‘Gelukkig,’ zeg ik. ‘Straks na de douane een bak koffie. Even bijkomen. En dan post ik een slechte beoordeling op zijn Uber-account. Lees familie-app. Dat zal hem leren. En daarmee bescherm ik mijn zus, die over een maand naar Spanje vliegt.’
Kleur
Twijfel
(geplaatst op 16.09.2023)
Geen fotolijstje op het kastje. Niets aan de muur dat een voorkeur voor iets zou kunnen uitdrukken. Zelfs het behang is onzijdig wit. Een strak opgemaakt bed. Het kussen deels onder het laken, dat is teruggevouwen over de deken. Hij is nooit overgestapt op een dekbed. Uitsluitend het antieke bureau geeft de slaapkamer in zijn ouderlijkhuis wellicht een persoonlijk tintje. Lag er maar een boek op het kastje waar geen fotolijstje staat. Het zou hem wat kleur kunnen geven. Niemand weet dat hij houdt van eindeloze wandelingen over de hei.
Wanneer hij op zijn veertigste een vrouw ontmoet in wiens armen hij zichzelf vindt, herkent hij zichzelf niet al voelt het vertrouwd. Hoewel hij het liefst altijd dicht in haar buurt wil zijn, wordt hij zo nu en dan overvallen door een unheimisch gevoel. Koude rillingen over zijn rug drijven hem in alle vroegte naar de hei. Alsof daar het antwoord ligt op de vraag die hij beter hardop zou kunnen stellen, met haar armen om zich heen. Mag hij van zichzelf, zoveel van hemzelf, aan haar geven?
Inmiddels is hij twaalf jaar met haar samen. Zij die zijn slaapkamer nooit heeft gezien. Zij die hem voor anderen karakter geeft. Hij is blij met haar. Ondanks dat, staat hij weer over de begroeide vlakte uit te kijken. Waar ligt zijn hart? Niet op die slaapkamer, niet op de heide. Bij haar…toch?
Two of a kind
Aanpassen
(geplaatst op 02.09.2023)
De poedel kent mij. Ik ken de poedel. Het is immers mijn poedel. Ook al erkent hij geen baasje. Hij luistert naar het ritselen van de zak met brokken, niet naar de naam die mij door het dierenopvangcentrum is opgegeven. Hij gedoogt mij als poortwachter van zijn voedselvoorraad.
Hij doet niet wat ik wil. Althans niet op het tijdstip dat ik voor hem heb uitgekozen. Dat maakt hem niet ongehoorzaam. Het is een hond met een vrije wil. Rekening houdend met de nachtrust van de buren, smoor ik het geblaf vanuit de keuken waar de mand staat waar hij nooit in, maar altijd naast gaat liggen. Ik ga ’s nachts met hem over straat. Ik plaats vraagtekens bij zijn vorige leven. Twee schimmen schuimen de straten af. Alsof hij mijn alibi is om heimelijk de buurt te verkennen, op zoek naar makkelijk toegankelijke woningen, om op een ander tijdstip met een koevoet onder de jas verscholen nog eens terug te komen. Een nachtbraker van een hond.
De krullenkop heb ik al. En, voornamelijk uit zelfbehoud, neem ik zijn gewoonte over. Ik leef wanneer het donker is. Zo gaat ook dit zelfbenoemde baasje op zijn viervoeter lijken.
Voorbestemd voor de eenzaamheid
Sombere gedachten
(geplaatst op 19.08.2023)
Het zijn mijn ouders, die ik niet heb. Althans, ik ben uiteraard verwekt en gebaard. Het gaat eigenlijk meer om hun zelfgekozen afwezigheid. Als zij in het bezit waren geweest van een greintje overlevingsdrang, dan hadden ze me kunnen opvoeden. Bij voorkeur mij een gevoel laten ervaren dat ik gewenst ben. Nu nog steeds. Misschien zelfs geliefd.
Ik heb ze niet gekend en die ene foto van ons drieën is allang vergaan. Wat ik me ervan kan herinneren is dat ze een houding uitstraalden die overeenkomt met ongemakkelijkheid. Niet weten wat ze met die rood aangelopen baby in hun midden aan moeten. Sinds hun laffe vertrek ben ik kind van het systeem. En het systeem kent geen empathie. Ik heb vele plekken gekend waar ik mocht slapen, maar die nimmer mijn thuis zijn geweest. Ik woon inmiddels op mezelf. Uitsluitend door ouder worden, heb ik die status bereikt. Ik leef in een containerwoning zonder warmte. Sociale vaardigheden zijn mij niet aangeleerd. Geen SIRE-campagne kan mij verlichten. Ik ben voorbestemd voor de eenzaamheid.
Het licht in de weg staan
Besturen
(geplaatst op 05.08.2023)
Donkere wolken pakken zich samen wanneer hij het pand betreedt. De deur gaat open, de warmte eruit, de vrieskou erin. Met een straffe, gure westenwind. Niet dat je denkt: hè fijn winterweer ik ga naar buiten. Weg wil je wel. Vluchten.
Besturen is onderdrukken. Maandagochtend een donderpreek, om de week gemotiveerd met knikkende knieën te beginnen. Op vrijdag een herinnering dat niet zozeer het weekend voor de deur staat, maar dat er ook een maandag in het verschiet ligt. Week in week uit. Successen worden niet met de werkvloer gevierd. Dit soort banen liggen niet voor het oprapen. Zeker niet in deze streek. De meeste van ons werken hier al ruim twintig jaar. Wij zijn een hechte vriendenclub geworden, dankzij de gezamenlijke vijand. Doet die ouwe toch nog iets goed.
Hoelang nog tot zijn pensioen? Kunnen we misschien collecteren, zodat hij eerder kan vertrekken. Dan wordt dat ons afscheidscadeau voor hem. Zijn vaarwel-receptie zal druk bezocht worden. Iedereen aanwezig om zich er van te verzekeren dat het werkelijk eindig is. En velen aanwezig voor de afterparty. Waar we verhalen vertellen over hoe hij reageerde toen er dit en dat gebeurde. We zullen er om lachen, omdat de alcohol de pijn verdooft. Laten we er nog eentje nemen. Wij onderdanen zijn verlost van de dictator en zijn schrikbewind. En ik hoor je denken, had je het niet eerder bij iemand kunnen melden? Bij zijn vrouw zeker? Zij is waarschijnlijk de reden waarom hij zo is. Ze verhuizen naar Spanje. Ik betwijfel of daar het zonlicht ze kan warmen. Hun zoon neemt het over. Een man in spijkerbroek en t-shirt. Zonder uiterlijk vertoon. Zachtmoedig. Het gerucht gaat dat hij geadopteerd is.
Impulsaankoop
Kijk mij eens...
(geplaatst op 22.07.2023)
Een designerhuis met heel veel glas, waardoor het onduidelijk is waar de voordeur zich bevindt.
Hij is zelf de weg kwijt. Zijn huis betreedt hij altijd via de garage, dat een niveau lager ligt. Daar wacht hij aan het eind van de middag op de maaltijdbezorger. Het huis is minimalistisch ingericht. Koud, weet hij nu. Ondanks de verwarming onder de plavuizen. Hij verlangt naar het hoogpolige tapijt van vroeger. Wanneer het donker wordt en de lampen gaan aan, kan iedereen hem zien. Hij heeft niets te verbergen, vindt hij zelf. Daarvoor is hij niet interessant genoeg. Maar om zijn aanwezigheid zo te etaleren, dat past niet bij hem. In een notitieboekje schrijft hij onder het woord vloerkleed, gordijnen op. Hij vreest dat het in de zomer broeierig warm zal worden. Ook als de schuifpui en de ramen open staan. Airconditioning met een vraagteken, komt in het boekje te staan.
En dat riante kookeiland. Ongebruikt. Hoe werkt een stoomoven eigenlijk? Hierover schrijft hij niets op. Het kan hem niet schelen. Het huis moet op hem afstralen. Moet hem een positieve karaktereigenschap toedichten. Moet mensen op het verkeerde been zetten, zodat ze denken: een mooi huis, een stijlvolle man. Zoiets.
Alleen op reis
Tijdelijk
(geplaatst op 29.04.2023)
Samen het land veroveren, de omgeving beleven.
Praten over wat er in ons opkomt.
Oppervlakkige gesprekken, diepgaande gedachtewisselingen.
Liefdevolle aanrakingen, lichte irritaties.
Lachen, veel lachen.
Ja, ik mis het samenzijn.
Toch voel ik me niet alleen.
Reflecteren op omgeving en mezelf, geeft stof tot nadenken.
En altijd in de wetenschap dat het tijdelijk is.
Na verloop van tijd zijn wij weer wij.
Met de zon in de rug
Onzichtbaar
(geplaatst op 15.04.2023)
Ik heb mijn inmiddels warm geworden Fristi nog niet op, of de volgende fles wordt uit de koelbox gehaald. De glazen worden tot de rand toe gevuld. Het is van dat roze spul, waarvan mama na verloop van tijd veel en hard moet lachen. En papa is al zo ver dat hij het niet erg vindt dat er zand aan zijn onderbenen kleeft. Tante Tinie en oom Frank, die niet eens de broer of zus van papa en mama zijn, zijn ook mee. Ze zijn gewoon de buren van een paar huizen verderop. Ik ken hun gezamenlijke middagen in de achtertuin. Ze zeggen dan wel honderd keer proost. Uiteindelijk lukt het me om onzichtbaar te worden. Ik speel met mijn auto’s, kijk midden op de dag tekenfilms en eet veel chips die ik uit de keuken weet te pakken. Wanneer de tuin gevuld is met rook, lukt het me meestal niet meer om een hele hamburger te eten.
Nu zijn we op het strand. Ik verveel me. In het begin deden ze mee, sloofden ze zich uit. Vlakbij het water vulden ze emmertjes met zand en draaiden die om. Een heuvel dat op een kasteel moest lijken. Althans, dat riepen ze: Kijk Jip, een zandkasteel. Waar is de ophaalbrug en waar zijn de puntjes op de torens waar de ridders zich achter kunnen verschuilen? En nog belangrijker: waar zijn de ridders? Die zijn onbekend land aan het veroveren, zei oom Frank, een eindje hier vandaan. Hij strekte een arm en wapperde met zijn hand.
Het wordt tijd dat ik die ridders ga zoeken. Langs het water, waar ik absoluut niet alleen in mag. Dat heb ik mama moeten beloven. Een wandelingetje mag wel. Dat zal me goed doen, zegt papa altijd tegen me, als ik geen zin heb om naar buiten te gaan. Het onbekende terrein heb ik snel gevonden, maar de ridders zijn zoek. Ik draai rondjes en kijk om me heen. Er is nog meer zoek. Het kasteel, mijn dino-handdoek, mama, papa, de buren. Onzichtbaar. Of vertrokken zonder mij. Zouden ze stiekem ergens hamburgers eten? Ik zou nu wel een hele op kunnen.
Hij past niet in de kamer
Te klein of te groot...
(geplaatst op 01.04.2023)
Staan er te veel meubels in de ruimte? Komt het door het laaghangende systeemplafond? De smalle deuropening? De donkere muren waardoor de ruimte klein oogt? Is het zijn gestalte? Zijn lengte? Zijn zadeltassen? Zijn draaicirkel?
De meubels kunnen er uit. Net zoals het systeemplafond. De deuropening kan verbreed worden, de muren wit geschilderd. Aan zijn lengte valt niets te doen zonder blijvende schade. Maar afvallen kan hij wel. De vraag is of het zin heeft. De kamer blijft te klein, als zijn ego niet verandert.
De ziel ontbreekt
Goed bedoeld
(geplaatst op 18.03.2023)
Het dak lekt. Ach, op de vliering komt hij eigenlijk niet meer. Drie muren van het huis staan enigszins uit het lood. Hierdoor kan de voordeur niet meer open. Geen probleem voor hem. Zijn hele leven lang loopt hij al achterom het huis binnen. Zijn ouders gebruikten de voordeur slechts om verre bekenden te ontvangen. Vrienden gebruikten de achterdeur. Toen en tot voor kort. Zijn enig overgebleven vriend woont niet meer in het dorp. Ondergebracht in een bejaardenhuis in een voor hem onbekende omgeving.
Zijn twee dochters, die komen nog wel eens via de achterdeur. Betuttelaars. Samen met die ene schoonzoon. Ze hebben het voor elkaar dat hij tijdelijk in een tehuis mag. Eentje waar voor hem wordt gekookt. Alsof hij daar op zit te wachten. Hij is tevreden wanneer hij zelf een blik opwarmt. Zelf bepaalt wat hij eet en vooral hoe laat.
‘Het is maar tijdelijk, pa. Je komt hier weer terug.’
Hoe vaak hij dat wel niet heeft gehoord. Hij is gezwicht voor de verbale terreur. Maar ze hebben niet gelogen. Zijn oudste dochter rijdt hem naar het dorp toe. Terug naar huis. Drie maanden is hij hier niet meer geweest. De auto stopt, hij herkent zijn huis niet. Het mos, de grijs zwarte vlekken, zijn verdwenen. De muren, verblindend wit gepleisterd, staan rechtop. Het dak vernieuwd, de pannen glimmen. Zijn jongste dochter doet de voordeur open. Hij loopt naar binnen. Hij ziet niet, dat wat hij zich kan herinneren. Het huis is van binnen volledig gestript, opnieuw opgebouwd, hoort hij iemand zeggen.
De enige warmtebron, de houtkachel. Hoeveel avonden heeft hij daar met zijn ouders doorgebracht? Met zijn dochters? Een centraal punt in het huis om bijeen te komen. Weliswaar door koude gedreven. Toch associeert hij de kachel met gezelligheid. Weg. Vervangen door vloerverwarming door het hele huis. Het fornuis en de gasflessen vervangen door een elektrische kookplaat. Nooit meer staren in de blauwige vlam. De trap waarvan hij het kraken van elke trede kon onderscheiden is een stille weg naar boven geworden. Het ruitje in de slaapkamer, die met de barst. Hij kon nog net het boek ontwijken dat zijn vrouw hem naar het hoofd slingerde. Hij had het verdiend. God, wat mist hij haar. Dubbel glas nu. Het bad waar hij voorheen drie keer in de week, heerlijk een half uur in lag te weken, hij had immers de tijd, vervangen door een douche met stralen die van alle kanten zijn lichaam zullen geselen.
Zijn dochters hoort hij herhaaldelijk en opgewekt zeggen, hoe mooi alles is. Hij glimlacht. Hij wil niet ondankbaar zijn. Wel wenst hij dat ze snel vertrekken. Als hij aan het eind van de middag eindelijk alleen is, zit hij in een vreemde luie stoel. Ook nieuw. Hij kijkt nog eens om zich heen, zucht en denkt: voortaan gebruik ik de voordeur.
Misschien ben je niet eens hier
Gedenktekens
(geplaatst op 04.03.2023)
Misschien ben ik op zoek naar herinneringen die niet van jou zijn. Zoals het wel vaker gebeurt: de een kan zo voor de geest halen wat ze samen in die boekhandel hebben gekocht, de ander denkt oprecht dat dezelfde boekhandel pas net zijn deuren heeft geopend. De een, een beetje gepikeerd omdat de ander blijkbaar niet weet wat door die een zo wordt gekoesterd.
Mijn tocht door de stad langs plaatsen waar we ooit samen waren, waar we koffie hebben gedronken, waar we spullen hebben gekocht, waar we hebben gegeten, waar we aangeschoten zijn geweest, voert langs andere gedenktekens. Jouw route zou anders verlopen.
Wat is het dan waard, als het slechts mijn herinnering is? Weliswaar levendig, mooi en warm. Toch begin ik te twijfelen aan mijn waarheid. Wellicht is die te rooskleurig. Zag ik het daardoor niet aankomen. Heb jij eigenlijk een route? Wanneer je door de stad loopt en denkt aan mij, omdat jij iets ziet dat mij niets meer zegt?
Als de dagen lengen
Daglicht
(geplaatst op 18.02.2023)
Als de dagen lengen, de zon steeds meer aandacht opeist, trekt René zich terug. Wat moet hij met zoveel daglicht? Het leven speelt zich buiten af. Hij hoort mensen, uitgelaten op straat. Na een donkere periode komen ze tevoorschijn. Hij ziet nieuwe bladeren aan de bomen. Alles leeft, zit vol energie. Alles confronteert hem met zijn moedeloosheid.
Mensen heeft hij nooit begrepen. Sinds hij met pensioen is, is hij de buitenwereld gaan mijden. De voor hem georganiseerde afscheidsborrel, die hij als lijdend voorwerp niet kon afzeggen, werd slechts bezocht door alcohol liefhebbende collega’s. Hij ging als eerste weg.
Wat moet hij met een dag die zich steeds langer uitstrekt, het donker verdrijft, het invallen van de schemer uitstelt? De uren daglicht besteedt hij aan lezen. Met in de winter Mahler op de achtergrond en in de zomer op de voorgrond, om het opgetogen geluid van de straat te overstemmen. Zijn stoel, met de rugleuning naar het raam. De boeken bestelt hij via internet, de boodschappen worden bezorgd.
In de winter gaat hij zodra het donker is, gehuld in een gewatteerde jas en een wollen muts de straat op. Incognito. De individuen die zich buiten wagen, haasten zich naar warmere oorden. Ja, in de winter is hij vrij. Januari is zijn favoriete maand. Zo na de feestdagen. Niets te beleven. De gordijnen al vroeg gesloten.
Kluizenaar, dat lijkt hem wel wat. Een hutje op de hei. Niemand om hem heen. Zelfvoorzienend. Zijn eigen eten verbouwen. Hij realiseert zich dat hij daarvoor het lengen van de dagen nodig heeft. Zal hij dan buiten in de zon zitten kijken, met een glimlach op zijn gezicht, naar opkomende gewassen? Hij kan het zich nauwelijks voorstellen, wanneer hij het onkruid ziet dat de kop opsteekt tussen de tegels in zijn achtertuin.
Modelleren
Voorkeur
(geplaatst op 04.02.2023)
Ik ben gek op haar, wil alles voor haar doen. Ook al kennen we elkaar pas twee maanden, het voelt zo vertrouwd. Ik had hier niet eens meer op gehoopt. Dat ik sinds kort lp’s van Blur draai die zij me heeft gegeven, dat heb ik er graag voor over. Oasis luister ik wel in mijn eigen tijd. Mijn kleding van vóórdat we elkaar ontmoet hebben, komt de kast niet meer uit. De roodbruine pantalon, is een zwarte spijkerbroek geworden. Het wit getailleerde overhemd, ruimvallend zwart. Geen kleurrijke leren sneakers, maar donkere canvas gympen. Mijn bril vervangen door contactlenzen. Mijn krullen in bedwang gehouden door gel. Ik ben nog niet eerder zo gelukkig geweest.
Aardappelen met jus maken plaats voor zilvervliesrijst. Karbonade verdwijnt voor peulvruchten met noten. In mijn koelkast geen ingrediënten meer voor een traditioneel ontbijt tegen de kater. Ik kom op alternatieve feesten voor veertig plussers, wat op de tickets staat gedrukt. Ik ontmoet haar vrienden, ze heeft er veel. Die twee van mij, zitten tegenwoordig liever thuis. Net zoals ik, de dag voordat ik haar ontmoette.
Bij de bar hoor ik, net boven de muziek uit, dat ze tegen haar vriendin zegt dat ze het zo leuk vindt dat mijn favoriete kleur zwart is. En dat het fijn is dat ik zo verantwoord eet. Wanneer ik diezelfde vriendin later op de avond vraag met wie mijn vriendin staat te praten, vertelt ze me graag dat Tim de ex van Bianca is. Ik zie een man van mijn leeftijd in het zwart gekleed. Ik loop naar ze toe, tik Bianca op haar schouder zodat er ruimte ontstaat om mijn hand uit te steken naar Tim met de krullen. Enigszins verbaasd schudt hij mijn hand. Ik buig voorover en schreeuw in zijn oor: ‘Jij bent vast een veganist die van Blur houdt.’
Houtje-touwtje
Afkopen
(geplaatst op 21.01.2023)
Gedurende de reis door het voor hem bijzondere land, constateert hij dat vrijwel alles met touwtjes, ijzerdraad en ducttape gerepareerd wordt. In het hostel, wordt de kraan boven de wastafel rechtop gehouden door een sisaltouwtje gespannen tussen de hals van de kraan en een speciaal daarvoor in de muur gedraaide schroef. De uitlaat onder de auto, die hem naar het volgende dorp brengt, rammelt bij het stationair draaien in een van ijzerdraad gevlochten lus. De leuning van de houten trap, de directe weg naar het eetlokaal, heeft speling binnen de reikwijdte van de ruimschoots aangebrachte ducttape.
Onderweg is daar ineens een moderne kabelbaan. Vanuit de vallei naar een tempel hoog boven op een berg. Waar de godin vereerd wordt die wensen vervult. De lokale bevolking mag tegen sterk gereduceerde prijzen gebruikmaken van het vervoer. Geiten, die in de vallei nog springlevend zijn, dienen zich met begeleider en al in een aparte rij op te stellen. Eenmaal boven aangekomen, is de levensduur beperkt. Kennelijk maakt het vervullen van wensen hongerig.
Toeristen tellen maar liefst twintig Amerikaanse dollars neer. Voor de weg naar geluk en weer terug. Hij is blij dat hij zo’n hoge prijs mag betalen. Althans het geeft hem hoop dat het geld gebruikt wordt voor onderhoud. Onderhoud waarbij touwtjes, ijzerdraad en ducttape niet gezien worden als verantwoorde reparatiemiddelen. Die gedachte doet hem zijn hoogtevrees bedwingen.
Chalet
Vakantie in de bergen
(geplaatst op 07.01.2023)
Een ingelijste foto tegen boeken geleund. Een man met een rugzak kijkt uit over het dal. De eigenaar van het chalet? Er dreigt onweer. Op een morgen is de man verdwenen. De foto zelf verder niet veranderd. Of toch wel, en komt het onweer dichterbij?
In de bergen kan het flink spoken.
Kerstgedachte
Stof tot nadenken
(geplaatst op 24.12.2022)
Snel boodschappen doen. Voor de drukte uit, in ferme pas door de winkel. Alles wat op de lijst staat, ligt op zijn plek. Inclusief een laatste exemplaar van de door hem begeerde, met chocolade omhulde stracciatella ijstaart. Tevreden laadt Brian twee boodschappentassen vol, in de achterbak. Kerst kan wat hem betreft beginnen. Met Last Christmas op de radio rijdt hij naar huis. Tijdens het tweede couplet gaat het mis. In tegenstelling tot de fietser, slaat Brian rechtsaf. Wanneer hij wacht op de ambulance, gaan zijn gedachten uit naar het voor eerste kerstdag bestemde, smeltende dessert.
Vriendschap
Onvoorwaardelijk
(geplaatst op 10.12.2022)
‘Hoe kom je aan dat tientje?’ vraagt Remco. Hij ziet zijn vriend een verfrommeld biljet uit zijn broekzak pakken
‘Gevonden,’ zegt Thies. Hij legt het briefje op de houten zitting naast hem en strijkt met zijn hand het biljet in vorm.
‘Zo hé. Op dezelfde plek waar je verleden week dat briefje van vijf vond? Wijs mij die plaats eens aan.’
'Wat kan jou het schelen waar het geld vandaan komt?’ snauwt Thies. ‘Ik geef je altijd de helft. Op dat moment hoor ik je niet klagen.’
‘Jij bent mijn favoriete vriend.’ Remco laat een overdreven glimlach op zijn gezicht zien.
‘Ja, ja. Ik ben je enige vriend, zul je bedoelen.’
‘Ok. Mijn ware vriend. Daar kan je er nooit veel van hebben.’
‘Hoezo?’ Thies fronst zijn wenkbrauwen. ‘Ik ben niet zo’n loner. Ik heb meer vrienden. Zeker als ik de jongens van voetbal meereken.’
‘Die van voetbal, tellen niet mee. Jullie stellen elkaar in staat om een wedstrijd te spelen. Meer niet.’
‘De meesten zijn wel gezellig na afloop van de wedstrijd,’ werpt Thies tegen.
‘Jij je zin,’ zucht Remco. ‘Degene die na afloop blijven hangen, zijn vrienden-voor-de-leuk.’
‘Euh…?’ Thies rolt met de ogen.
‘Het gaat uitsluitend om de lol die je met elkaar hebt. In je eentje in de kantine zitten, daar is niets aan.’ Remco kijkt zijn vriend in de ogen en vraagt: ‘Zou je met die jongens afspreken, wanneer je niet met ze zou voetballen?’
‘Ik zou naar de wedstrijden gaan kijken. Zo blijf ik ze zien,’ zegt Thies met een overtuigend klinkende stem.
‘Laat ik het anders vragen. Zie je die jongens gedurende de periode dat er geen voetbal is, tussen twee seizoenen in bijvoorbeeld?’
Thies kijkt bedenkelijk en stamelt vervolgens: ‘Nee…nee.’
‘Wie blijft er over? Heb je iemand die jou het hele jaar door ziet?’ Remco werpt een triomfantelijke blik richting Thies.
‘Ja, leuk. Dat ben jij.’
‘Dat zeg ik. Ik ben je ware vriend.’ Remco spreidt zijn beide armen.
‘We gaan niet klef doen, hè.’ Thies maakt een afwerend gebaar.
‘Thies, bij mij kan je zijn wie je bent,’ roept Remco.
‘Ook iemand die geld heeft terwijl jij niet weet waar het vandaan komt?’ reageert Thies. Remco knikt heftig met het hoofd.
‘Mooi. Dan kun je stoppen met lullen en gaan we naar Het Paradijs. Twee patatjes oorlog. Ik trakteer.’
De oppervlakkigheid van de meerderheid
Authentiek
(geplaatst op 26.11.2022)
De eerste drie jaar is hij goed doorgekomen. Bewust heeft hij er voor gekozen om in de brugklas te integreren, zich aan te passen. Een lijn die hij de jaren daarop heeft voortgezet. Door te observeren heeft hij in dat eerste schooljaar al vóór de herfstvakantie de juiste kleding en de juiste rugzak aangeschaft. Juist, in de zin dat de meerderheid van de jongens binnen de klas zich hult in spijkerbroek en hoodie en in het bezit is van een bij voorkeur zwarte rugzak, van een bepaald buitensportmerk. Door de kat uit de boom te kijken heeft hij de gemene deler gevonden. De opvattingen binnen de groep die hij voortaan deelt. Met wat aangemeten bravoure heeft hij zich een positie weten te veroveren binnen de groep. Misschien is het de weg van de minste weerstand. Schooltijd is nu eenmaal een verplichte periode in het leven waarin men onplezierigheden tracht te vermijden indien men het enigszins zelf in de hand heeft. Na acht jaar lagere school in een ander deel van het land, heeft hij zich voorgenomen dat hij er alles aan zal doen om niet meer buiten gesloten te worden. Lodewijk is nieuwsgierig naar wie hij is, waar hij voor staat. Dat kan hij beter ontdekken vanuit een positie waarin hij niet getreiterd wordt. Niet over zijn schouder hoeft te kijken wanneer hij door de gangen van het schoolgebouw loopt, wanneer hij naar huis fietst.
Eenmaal thuis, binnen de cocon van zijn slaapkamer, houdt hij zich bezig met dingen die de groep niet kent. Hij heeft nog nooit een andere jongen binnen de groep horen vertellen over iets wat buiten de gemene deler valt. Schaken is zo’n ding. Voetballen. Hockeyen misschien. Vooruit gamen. Daarover mag gepraat worden. Maar schaken… Durft hij tijdens de les maatschappijleer eens kritische vragen te stellen? Over de opvang van vluchtelingen, over het terugdringen van de stikstofuitstoot, over consumptie en dierenwelzijn. Onderwerpen die hem interesseren, waarover hij veel leest. Het gesprek op school gaat nu niet verder dan ‘we kunnen niet iedereen opvangen’, ‘we willen wel gewoon kunnen vliegen als we op vakantie gaan’ en ‘maak het biologische vlees goedkoper dan kunnen we daar voor kiezen’.
De eerste schooldag van het vierde jaar. Lodewijk heeft hem al gezien. De groep heeft hem al gezien. Een nieuw gezicht. Een afwijkende outfit met een linnen boekentas. En toch staat hij niet achteraf bij het groepje dat niets anders deelt dan de status buitenstaander. Nee, deze jongen staat vlakbij de deur van het klaslokaal. Hij laat zich niet verdringen door de komst van de groep. Met een neutrale gezichtsuitdrukking neemt hij ruimte in. Wanneer de deur opengaat, wacht hij niet. Hij wacht niet tot dat iedereen zit en hij naar het tafeltje kan lopen dat niemand anders wil hebben. Hij neemt achterin het lokaal plaats. De overige leerlingen laten de plek naast hem vrij.
Al binnen de eerste weken ontpopt Anton zich als eigengereid. Hij houdt van boeken lezen. Literatuur. Spontaan gedeeld toen hij in discussie ging met de docent Nederlands. Het gegrinnik vanuit de groep deed hem uiterlijk niets. De verdiepende vragen die hij wel durft te stellen laat de groep soms met een mond vol tanden achter. Het evenwicht is verstoord. De groep vindt Anton eigenwijs. Toch zijn er ook jongens die daar aan toevoegen dat het misschien een nerd is, maar wel een die door zijn vragen de lessen een stuk interessanter maakt. Het duurt niet lang voordat Lodewijk Anton op het schoolplein de vraag stelt of hij van schaken houdt. Die middag zitten ze voor het eerst tegenover elkaar. Lodewijk heeft een lijst met onderwerpen waarover hij met Anton van gedachten wil wisselen. Ze hebben de tijd. Wit begint.
Waarnemingen van een oude man
Mensen kijken
(geplaatst op 12.11.2022)
Op het pleintje een bankje. Op het bankje een ietwat verschrompelde man. Zijn pluizig grijze haardos doet een groter hoofd vermoeden dan hij nu heeft, nu de diepe groeven in zijn gezicht zijn weke vlees doen samenvouwen. Hij moet vaker naar buiten van de dokter. Een man in een witte jas heeft hij te gehoorzamen. Dus hier zit hij. Twee straten heeft hij doorkruist. Hoewel hij het niet via uiterlijk vertoon heeft laten doorschemeren, was hij blij toen hij het lege bankje zag. Precies op tijd.
Hij kijkt om zich heen en ziet een klimrek en een wipkip waar hij zojuist langs moet zijn gelopen. Aan het rek hangt een jongen van een jaar of zes. Waarom is hij niet op school, vraagt de man zich af. De man ziet dat de jongen dik volwassen haar heeft en een bril met rood montuur. Eigenlijk een hoofd dat op een dertiger zou passen, eentje zonder baardgroei. Het jongetje kijkt even naar de man, knippert met de ogen achter de dikke brillenglazen, schopt de wipkip in beweging en rent weg.
Daar lopen twee geliefden. Het spat ervan af. Het zijn vast toeristen, denkt hij. Hun rolkoffers staan al geparkeerd op de hotelkamer. Ze gaan hand in hand de stad verkennen. Zou zij nou werkelijk hebben gedacht aan een romantische citytrip om vervolgens een jurk aan te trekken die lijkt op het tafelkleed dat bij ons beneden in het restaurant gebruikt wordt voor Pasen? Liefde versus smaak. Wanneer die jongen over een paar jaar foto’s van deze dag op zijn mobiel ziet, vraagt hij zich af hoe ze ook alweer heette. Het stel kijkt zijn richting uit, beduusd.
Kijk, die komt een bigshopper vol met flessen in de glasbak gooien. Aan zijn vale huid kan ik zien dat hij hetzelfde advies zou moeten krijgen van zijn dokter. En ik geloof zomaar dat die collectie lege wijnflessen binnen een paar dagen is samengesteld. De man kijkt onder het legen van de tas naar de man op het bankje. Hij haalt verontschuldigend zijn wenkbrauwen op alsof hij wil zeggen dat niet alle flessen door hem alleen zijn geleegd.
Het doet me goed om buiten te zijn, denkt hij. Niet wetende dat de dertigjarige jongen hem een morsige oude man vindt, het stel niet zo alleen wil eindigen als hij en de man met de lege flessen vermoedt dat hij nooit meer iets te vieren heeft.
Onbezorgd
Toekomst
(geplaatst op 08.10.2022)
Daar zit hij. In de schaduw. Op een bankje aan de rand van het stadspark. De e-bike op de standaard. Sinds kort voorzien van spiegels. Hij heeft last van zijn nek. Nou ja, last. Het doet geen pijn, maar over zijn schouder kijken behoort niet meer tot de mogelijkheden. Zijn zoon heeft zelfs de vraag hardop aan hem durven stellen of het wel verstandig is om te blijven fietsen. De vrijheid die het hem oplevert is hij niet bereid in te leveren. Vandaar de spiegels. De volgende stap zal een helm zijn. Zijn toekomst is overzichtelijk. Aan het eind van de week naar de fysiotherapeut. Volgende week naar de oogarts.
Links voor hem, ziet hij een jongen naderen. In het tenue van de plaatselijke voetbalclub. Het is woensdagmiddag. Waarschijnlijk heeft hij er een training op zitten, denkt de man. Na afloop heeft niemand hem gevraagd om af te spreken. Het schijnt hem niet te deren. Hij zingt een onverstaanbaar liedje. Met een plastic bakje in zijn hand, is zijn blik op de struiken gericht. Hij plukt bramen. Niet denkend aan morgen. Even stopt hij met zingen en niest vol in het bakje met de oogst. De rug van zijn vrije hand wrijft over zijn neus. Hij gaat door met zijn lied en met plukken. Zo onbezorgd zou ik wel weer eens willen zijn, denkt de man.
Woudloper
Wat het uiterlijk laat zien
(geplaatst op 24.09.2022)
Sjors ziet vanachter de toonbank, via de observatiespiegel, een man de dierenspeciaalzaak binnenlopen. En dat terwijl Sjors bezig is om een mevrouw een zak kattenbakvulling te verkopen.
Bruine ronde hoed met een brede rand. Ideaal. Waar de zon ook staat. Geen zonnebril nodig om tegen de zon in te kunnen kijken. Geen boerenzakdoek nodig ter voorkoming van een roodverbrande nek. Zwart t-shirt met op de voor- en de achterkant (is er wel sprake van een voor- en achterkant, vraagt Sjors zich af) een wit doodshoofd bewerkt met donkerrode lijnen. Een netwerk van aderen is blootgelegd. Rondom de schedel een tekst van groene dikke psychedelische letters: save the planet. Waarschijnlijk een waarschuwing. Geven we daar geen gehoor aan, dan eindigen we allen zoals de afbeelding laat zien. Het t-shirt is zorgvuldig in een bermuda short gestoken. Er hangt geen enkel stukje stof over de cognac kleurige ceintuur welke bewerkt is met waarschijnlijk een guts. Sjors ziet bergen, een blokhut, een kampvuur. En dat op vijf centimeter breedte, rondom de heupen. De opgetrokken witte sokken gestoken in wat hoogstwaarschijnlijk is verkocht als casual leren schoenen. Misschien casual, meer dan een aantal jaar geleden.
Qua kleding ziet de man er uit als een woudloper. In dit geval een getatoeëerde woudloper. Elk lichaamsdeel dat niet door kleding is bedekt kent met inkt gezette afbeeldingen. De meeste, vermoedt Sjors, van symbolische betekenis in het land of de planeet, waar hij oorspronkelijk vandaan komt. Het moeten wel symbolen zijn. Van realistische voorstellingen is geen sprake. Uitsluitend zijn gezicht is vrij gebleven. Hoewel dit getooid is met een gesoigneerde zwarte snor van een flink formaat.
Met een zwaar accent plaatst de bewonderaar van Baden-Powell, in het Engels, zijn bestelling. Hoewel Sjors liever ook niet heeft dat men hem beoordeelt op zijn uiterlijk, plaatst hij vraagtekens bij het doel van de bestelling. Zijn de drie levende kuikens een snack voor een mogelijk koudbloedig huisdier, of vult hij vanavond een diepe kom met de bewegelijke beestjes en knabbelt hij er wellustig op los bij het kijken van een gestreamde horrorfilm? En dan durven ze thuis te beweren dat werken in een dierenzaak saai is, denkt Sjors.
De elfde man
Gedogen
(geplaatst op 10.09.2022)
Stanley is altijd op tijd. Hij staat zoals gebruikelijk aan de rand van de groep die zich in de kantine heeft gevormd, zonder deel te nemen aan de gesprekken. Hij wordt vriendelijk op de schouder geklopt door Bart, die steevast te laat is. Mark ziet dat Stanley iets rechterop is gaan staan en dat zijn lippen bewegen, maar verstaanbare woorden als blijk van groet achterblijven. Ik moet toch echt eens een gesprek met hem aanknopen, neemt Mark zich voor.
De groep verplaatst zich naar de kleedkamer. Eén iemand duikt in de kledingtas, om de stapel gele shirts te pakken. Hij roept rugnummers, spelers claimen hun shirt. De zeven overgebleven shirts worden naast de tas gelegd. Stanley bekijkt ze. Een heeft rugnummer 14. Hij gaat voor 18, het nummer dat het minste kwaad kan.
De aanvoerder telt de hoofden wanneer iedereen zich aan het omkleden is. Precies 11. Daarom, vindt Mark, moeten we blij zijn met Stanley. Ok, het mag dan een vreemde vogel zijn. Eentje die zodra het beneden de 16 graden is, een maillot draagt. Om maar iets te noemen. Je zou ook kunnen zeggen dat hij een sterke persoonlijkheid heeft. Dat de rest met blote benen loopt, daar trekt hij zich niets van aan. Hij is een vaste waarde. Dat kan je van de vijf spelers, die zich met onduidelijke redenen voor deze wedstrijd hebben afgemeld, niet zeggen.
Mark loopt op een drafje richting veld. In het voorbijgaan tikt hij de schouder van Stanley aan en stelt een overbodige vraag: ‘Waar sta je, Stanley?’ Als Stanley geen wissel staat, staat hij rechtsbuiten. Inmiddels weet eenieder van het team dat Stanley zijn eigen warming-up doet. Eentje zonder bal. Een hoop rek- en strekwerk, looplijnen die alleen hij voorziet. De rest is bezig met overschieten en een samenvatting te geven van de avond daarvoor.
Tijdens de wedstrijd ziet Mark dat Stanley zijn best doet. Gedreven is. Misschien wil hij de voorafgaande week van zich afspelen en ziet hij in de linksback van de tegenpartij het evenbeeld van zijn baas. De snoeiharde tackle komt zelfs voor ons uit de lucht vallen. Dat betekent nog niet dat de tegenpartij verhaal mag halen bij Stanley. Dat staat onze voorhoede en rechterflank niet toe. Het is toch een jongen met hetzelfde kleur shirt aan. Mooi, die teamgeest, vindt Mark.
Na afloop in de kleedkamer, roept Niels: ‘Wat dacht je, Stanley? Freefighten in plaats van voetballen?’ De lawaaimakers binnen het team overstemmen het vervolg. Keiharde tackles van de afgelopen jaren passeren de revue. Een reactie van Stanley blijft achterwege .Hoewel Mark hem even een grimas ziet trekken. Dat is alles.
In de kantine vraagt Mark zich af of Stanley het wel leuk vindt. Sporten in teamverband. Op dat moment kan hij het niet aan de rechtsbuiten zelf vragen. Stanley is thuis douchen. Houdt hij zoveel van het spelletje, denkt Mark, dat hij daar per se aan mee wil doen en dat wij, tien randdebielen, voor hem de elfde man zijn? Mark moet lachen om zijn gedachte. Wie gedoogt wie?
Ramptoerisme
Koffiedik kijken
(geplaatst op 27.08.2022)
‘Dus hier is het gebeurd,’ constateert Brenda. Ze kijkt met grote ogen naar haar vriendin. Zelfde kleur fleece trui, zelfde praktisch kortgeknipte coupe.
‘Daar zijn we maar mooi getuige van,’ zegt de Gerda terwijl ze haar look-a-like even met de ellenboog in de zij aantikt.
Vandaag getuige zijn, van iets dat twee dagen geleden is gebeurd, vergt een grondige voorbereiding. De ochtend begint met koffiedik kijken.
‘Ik zie duidelijk een vreemde structuur die mijns inziens duidt op een boodschap. Vandaag zullen we de beste belevenis ervaren,’ zegt Brenda.
‘Is het niet een stukje van de verpakking,’ vraagt Gerda. ‘De laatste keer dat wij er op uit trokken om een plek te bezoeken, bleek het allesbehalve een gunstig gesternte te zijn. Toen we die middag na thuiskomst de kopjes gingen afwassen bleek dat we ons hadden laten leiden door een stukje van de mokka verpakking, die een glinstering in de prut aanbracht. We hadden ons die dag beter kunnen laten leiden door buienradar. Nat tot op het bot, weet je nog wel?’
‘Ja, ja. Dat weten we nu wel,’ reageert Brenda. ‘Zonder mij zou je geen hobby hebben.’
‘Lieverd, ik neem het jou ook niet kwalijk. Weer of geen weer, ik vind het heerlijk om met jou naar plekken te gaan waar de geschiedenis voelbaar is. Laten we nog een keer naar de beelden van de bewakingscamera kijken.’ De dames zitten naast elkaar aan tafel, voorovergebogen naar het scherm van de laptop. Het filmpje op YouTube bekijken ze drie keer achter elkaar. ‘Wat een impact,’ zegt Gerda.
‘Kom,’ zegt Brenda, ‘we fietsen er naar toe.’ Na bijna een uur fietsen, naderen ze het dorp. Plaats van bestemming bereikt: de rotonde die net buiten de dorpskern ligt. De enige die het dorp rijk is, het kan niet missen.
‘Laten we het laatste stukje lopen Brenda,’ zegt Gerda. Met de fiets aan de hand lopen ze langzaam naar het vrijstaande huis. Brenda staat stil, slaat haar hand voor haar mond.
‘Jeetje, jeetje, wat een schade,’ zegt ze vanachter haar hand. Gerda staat naast haar. Ze kijken beide aandachtig rond. Geschokt en nieuwsgierig. De gevel van het huis is gestut. Blauw bouwzeil ligt op een deel van het dak. De pannen liggen in brokken, in bruinrode hoopjes bijeen geveegd, langs de border van het huis.
‘Kijk,’ zegt Gerda en ze wijst naar links. In het gras, in het verhoogde midden van de rotonde zijn de bandensporen duidelijk zichtbaar. ‘Van die kant kwam hij aanrijden,’ gaat ze verder. ‘Hoge snelheid, geen remsporen, rechtdoor over de heuvel lanceert hij zijn sportauto in de gevel van het huis, net onder de dakgoot. Ik hoor het ronken van de motor.’
‘Ik voel de klap,’ zegt Brenda. ‘Laten we nog even die kant oplopen. Vanaf die hoek zijn de beelden vastgelegd.
‘O ja, daar hangt een camera.’ Ze positioneren zich in de buurt van de camera, de ogen gericht op de rotonde en het huis. Gerda pakt haar mobiel en zoekt het filmpje op.
‘Het is alsof we het live zien gebeuren,’ zegt Brenda.
‘Ik voel een rilling over mijn rug gaan,’ zegt Gerda. In stilte lopen ze terug, nu aan de andere kant van de rotonde, de kant waar de auto vandaan kwam.
‘Genoeg gezien? Gaan we thuis bijkomen met een kop koffie en een heerlijke tompouce. Dat hebben we wel verdiend,’ zegt Brenda. Ze gaat op het zadel van haar fiets zitten, enigszins verhit.
‘Ja, heerlijk. Je hebt het prut goed gelezen Brenda,’ zegt Gerda enthousiast. ‘Wat een avontuur.’
Eindelijk een huis
Niet van hier...
(geplaatst op 13.08.2022)
Een rijtjeshuis in een nieuwbouwwijk. Een relatief nieuwe wijk. Het zand is hier al betegeld, of wordt bijeengehouden door struiken en bomen op maat. De vuilcontainer is ingegraven, zelfs de bus weet de wijk al te vinden en de buurtsuper is twee straten verderop. Op de vraag van Bertram waarom het huis eigenlijk te koop staat, antwoordt de makelaar dat de huidige eigenaar hier niet kan aarden en teruggaat naar het oosten van het land. Bertram weet genoeg. Dat zal de reden zijn waarom het huis tegen een redelijke vraagprijs te koop staat. En laat ik nou eens een keertje de eerste zijn die een bod mag uitbrengen. Het geluk lacht me na een jarenlange zoektocht eindelijk toe. Nu moet ik toeslaan.
Ook Bertram is niet van hier. Hij is ervan overtuigd dat hij het in deze vriendelijk ogende buurt naar zijn zin zal hebben. Zijn droom komt uit om naar de stad te verhuizen. Dat het vanaf de woning nog zeker vijfentwintig minuten fietsen is naar het centrum, neemt hij voor lief.
Bertram maakt kennis met de rechter buurvrouw. En de Yorkshire Terriër, Pitta. Zij is vriendelijk, Pitta niet. De buurvrouw biedt hem een kopje thee aan. Bij het kauwen op een bitterkoekje klaagt ze over overlast van hangjongeren op het speelplein aan de overkant van de straat en maant ze Pitta tot kalmte. Schreeuwen, harde muziek, kapotte flessen en de zoete geur van stikkies, zo vat ze de overlast samen.
Bertram luister aandachtig. ‘Ze vallen u toch niet lastig, hoop ik,’ reageert hij.
‘Nee, nee. Dat niet,’ zegt ze.
Bertram denkt er het zijne van. De buurvrouw is op leeftijd, heeft niet veel om handen. Haar stoel in de huiskamer staat zo opgesteld dat ze langs twee planten op de vensterbank beschut naar buiten kan kijken, richting het bewuste plein. Als je lang genoeg kijkt, zie je altijd wel iets wat je niet bevalt.
Op de stoep voor het huis stelt hij zichzelf voor aan de linker buren. Een echtpaar van begin vijftig. Hij een beer van een vent, bestuurder van een zwarte Amerikaanse pickup. Zij met goud behangen, de vriendelijkheid zelve. Hij wordt direct uitgenodigd, voor de barbecue komende zaterdag.
‘Dan hoef je niet te koken,’ zegt ze. ‘Je hoort een vriendin te hebben, hoor. Er is toch niets mis met je? Ik vind in ieder geval dat we als buren er voor elkaar moeten zijn.’ Ze raakt met haar hand Bertrams onderarm aan. Sociale mensen, denkt Bertram even later bij het uitpakken van de laatste verhuisdozen.
Donderdagnacht. Een klamme nacht. Het raam staat open. Hij heeft gekozen voor de slaapkamer aan de voorkant van het huis. Het lukt hem niet in slaap te vallen. Het is niet uitsluitend de broeierige temperatuur. Ook het geluid dat afkomstig is van het speelplein helpt niet mee. Het is elf uur geweest en hij hoort de bass van versterkte muziek, het kapotvallen van glaswerk, oer- en keelklanken die niet tot woorden te herleiden zijn.
Vrijdagnacht idem dito. Uiteindelijk valt hij in slaap. Om een uurtje of twee wordt hij ruw gewekt door een luide knal, gevolgd door een alarm dat afgaat. Geschrokken schuift hij het gordijn opzij en steekt zijn hoofd uit het raam. Hij ziet de knipperlichten van de enorme pickup aan- en uitgaan. Het alarm is van de auto, die dichtbij de voordeur van de eigenaar geparkeerd staat. De voordeur ligt op straat. Een stofwolk daalt neer. Ik denk dat ik straks bij daglicht mijn bed verplaats naar de kamer aan de achterkant van huis. En ik vermoed dat de barbecue morgen niet doorgaat. Bertram hoort naderende sirenes. ‘Ja, ja, een redelijke vraagprijs,’ mompelt hij.
Bezienswaardigheid
Verbeelding
(geplaatst op 30.07.2022)
Na veertien uur vliegen en een kleine tien uur rijden, staat Maarten voor de ingang van het uitgestrekte terrein. Achter de bomen ligt het grootste Boeddhistische complex ter wereld.
Ik had hier met jou moeten staan, denkt hij. Je zat vol verhalen over de tijd dat je hier eerder bent geweest. Het was jouw droom om mij mee te nemen en samen de terrassen te beklimmen van het bouwwerk dat 42 jaar geleden zo’n indruk op je heeft gemaakt. Ik zie zo weer de blossen op je wangen wanneer je vertelt over de Borobudur. Het onderste terras, het dagelijks leven. Op het dak van het heiligdom het Nirvana. Zou jij daar nu zijn? Ik koop geen kaartje, ik ga het terrein niet op. Stel dat ik de tempel beklim en niet voel wat jij mij hebt doen voelen met jouw verhalen? Liever blijf ik onder invloed van de door jou onder woorden gebrachte begoocheling. De werkelijkheid kan niet intenser zijn dan de verbeelding.
Onverschillig
Afstand nemen
(geplaatst op 16.07.2022)
Ben ik hier nog wel op mijn plaats? Als ik om me heen kijk, ben ik de vreemde eend in de bijt. Dat was ik misschien altijd al. Vroeg kinderen, mijn eigen pad. Vandaag de dag krijgt de een na de ander een kind en voelt het alsof zij van mij vervreemd zijn. Of is het toch andersom?
Ik verzin smoezen om niet op de babyshower te verschijnen, ik vermijd verjaardagen van peuters. Ik zou voor de ouders komen, nou ja meestal uitsluitend voor de vader, waar geen goed gesprek meer mee valt te voeren. Hun wereld is voor mij een herinnering. Een hele goede weliswaar. Het lukt me alleen niet om af te stemmen op hun verhalen over slapeloze nachten, poepluiers en hoe slim hun zoon of dochter is voor de leeftijd die de kwijlende hummel op dit moment heeft.
Eigenlijk wil ik tegen mijn vrienden zeggen, ik zie jullie wel weer over zes jaar. Dan pakken we de draad op. Ze gingen mij toch ook uit de weg toen die van mij hulpbehoevend waren? Ik wil ze niet met gelijke munt terugbetalen. Dat zou duiden op een negatieve emotie. Echter de waarheid is, mijn waarheid is, dat ze me onverschillig laten. De gasten waarmee ik avonturen heb beleefd staan te ver van me af. Alsmaar de verhalen over vroeger herhalen in de hoop daar weer iets bij te voelen, het komt sneu over. Toen hadden we een elastische band gevormd door de omstandigheden en de tijd waarin we verkeerden. We konden ver uit elkaar staan, ruzie maken, vechten en toch trokken we weer naar elkaar toe om te praten, lol te hebben, op vakantie te gaan. Inmiddels is die band poreus. Wanneer we nu ruzie zouden maken knapt het elastiek en zien we elkaar nooit meer. Is dat erg? Ik weet het niet. Alhoewel ik niet op zoek ben naar ruzie. Ik laat de herinnering aan de emotionele connectie in stand, zonder er op dit moment iets bij te voelen. Ik knijp er stilletjes tussen uit. Neem een nieuw 06 nummer en wie weet zien we elkaar terug over een aantal jaar onder andere omstandigheden. Onder voor ons gelijke omstandigheden.
Geuren maskeren
Anders ruiken
(geplaatst op 02.07.2022)
Scheren duurt lang. De geplooide huid trekt hij met de ene hand zo strak mogelijk, om met de andere hand waarin het scheerapparaat schuilgaat over de baardharen te bewegen. Het lukt niet meer om alle haren uit de groeven te snijden. Gelukkig is zijn scherpe blik, zachter geworden. Het idee van geschoren zijn is voor hem belangrijk.
Na de geklaarde klus besprenkelt hij zich rijkelijk met aftershave. Ooit heeft hij eens gelezen dat oude mannen naar oude mannen ruiken. In de range van geuren associeert hij het niet met het tegenovergestelde van baby’s ruiken naar baby’s. Maar hij vermoedt dat de vermeende oude-mannengeur niet in de buurt komt van die van Zwitsal wasgel en talkpoeder. Sowieso wil hij voorkomen dat zijn kleinzoon over een paar jaar onder woorden brengt dat opa anders ruikt dan papa. Sinds kort gebruikt hij dezelfde geurlijn als zijn schoonzoon. Voordat hij het huis verlaat om Sam op te halen van de crèche, spuit hij een beetje aftershave in zijn grijze haren. Hij weet zeker dat hij beter ruikt dan de dagopvang, waar men de geur van poepluiers denkt te maskeren met luchtverfrisser.
Mee met de tijd
Van betaalpaal tot afhaalautomaat
(geplaatst op 18.06.2022)
Klaas gaat mee met de tijd, hoewel hij het niet meer ervaart als zijn tijd. Een tijd die steeds sneller lijkt te gaan naarmate hij ouder wordt. Zijn hersenen kraakt hij met sudoku puzzels, de krant leest hij digitaal van voor naar achteren. Internet kent geen geheimen voor hem, voor zover het bijdraagt aan zijn behoeften. Hoewel hij een praatje met de kassière weet te waarderen, scant hij sinds kort zelf zijn boodschappen. Het is toch de toekomst, zegt hij. Nooit vertelt hij zijn exacte leeftijd, wanneer mensen een opmerking maken in de trant van u ziet er nog goed uit voor uw leeftijd. Een gevreesde opmerking voor iemand in de vijftig. Voor Klaas een warm compliment. Dit jaar word ik 82, zegt hij dan. Altijd de leeftijd noemen die in het verschiet ligt. Vooruitblikken.
Bij het afrekenen bij de betaalpaal geeft het scherm een melding aan. Met de leesbril op het puntje van zijn neus staart hij naar het scherm en weet hij dat er vandaag toch nog een praatje in zit. Hij ziet een dame gehuld in een niet flatterende stofjas met supermarktlogo op de linkerborst, naar hem toelopen.
‘Goedemorgen meneer. U bent er al lekker vroeg bij.’
‘Goedemorgen mevrouw. Op mijn leeftijd slaap je niet meer zo goed. Zodra ik wakker word, sta ik op. En dat is vroeg.’
‘Ik kom even een controle uitvoeren,’ zegt ze vriendelijk zonder verder acht te slaan op de opmerking van Klaas. Ze rommelt in de zorgvuldig ingepakte tas vol met boodschappen. ‘Ai… u heeft het blikje tomatenpuree niet gescand.’ Ze kijkt Klaas aan. Hij verschiet van kleur en stamelt dat hij zich daar niet van bewust was.
‘Geeft niet meneer. Zoiets kan gebeuren. Ik zal de kassa zo instellen dat u alles in een keer kunt afrekenen.’
Klaas schaamt zich, wil zo snel mogelijk weg uit de winkel. Hij moppert op zichzelf. In de auto gaat hij zijn gang door de supermarkt in gedachten nog een keer na. Hij herinnert zich dat hij bij het pakken van het blikje eerst de vakkenvuller moest vragen of hij er even bij mocht. Blikje gepakt, ruimte gemaakt voor de jongen om verder te kunnen werken, blikje vergeten langs de handscanner te halen. Hoewel hij het zichzelf verwijt is hij opgelucht dat het duidelijk een vergissing was. Er was afleiding en de buit ter waarde van 35 cent zou hem nu ook weer niet een groot financieel voordeel hebben opgeleverd. ‘Een groot stuk oude kaas, dat tikt pas aan,’ zegt hij hardop.
Klaas parkeert de auto voor de apotheek. Hij zoekt de code op die hij per sms heeft ontvangen, stapt uit en loopt naar de afhaalautomaat. Zo, alles in een actie geregeld: boodschappen en medicijnen in huis. Ik hoef de deur niet meer uit, denkt Klaas tevreden.
Wanneer hij thuiskomt opent hij eerst de medicijnverpakking voordat hij de boodschappentas gaat leeghalen. Hij drukt twee capsules uit de strip en slikt ze door met een slok water. Aan het eind van de middag voelt hij een tinteling in de lippen. ‘Dit ziet er niet best uit,’ zegt hij een paar uur later tegen zijn spiegelbeeld. Zijn mond ziet er uit als die van een bokser die de wedstrijd heeft verloren. Hij voelt de bloeddruk omhoog gaan, terwijl hij daar nu juist medicijnen voor heeft ingenomen. Misschien mag hij nog een pil nemen. Hij zet zijn leesbril op, pakt het doosje om de voorschriften te lezen. Zijn adem stokt. Wat zijn dit voor medicijnen? Dit zijn niet mijn gebruikelijke pillen. Jeetje wat ben ik toch een sukkel, denkt hij. Waarom heb ik de verpakking niet gecontroleerd? Klaas heeft het warm gekregen. Hij spreekt zichzelf toe: geen paniek, let op je ademhaling. Even later rijdt hij naar de eerste hulp post. Geen hulp inroepen van naasten, vindt hij. Zijn kinderen hoeven er niet achter te komen. De arts weet hem gerust te stellen. De zwelling is niet meer dan een allergische reactie die na een paar uur zal afnemen. Tegen negenen is hij weer thuis.
‘Wat een dag,’ mompelt hij. Hij pakt de ingelijste foto van zijn vrouw, drukt zijn lippen tegen het glas en zegt: ‘Lieve schat, ik doe mijn best. Meegaan met de tijd valt niet mee zonder jou.’
Slijterij blues
Sterke drank
(geplaatst op 04.06.2022)
Ik had haar in de slijterij ontmoet. Het was wellicht niet de ideale ontmoetingsplek voor het ontstaan van een stabiele relatie. Maar ik zag haar verschijning met een fles gin, als een gunstig omen. Vlak voor sluitingstijd. Dezelfde gedachte, een andere fles. Thuis had ik vloeibare moed tot mij genomen, kennelijk voorbestemd voor dit moment. In het hoekje met de buitenlands gedistilleerde drank sprak ik haar aan, terwijl ik de fles Jack Daniel’s omhoog hield. ‘Zullen we deze flessen samen opdrinken?’ Ik knikte achtereenvolgend richting mijn fles, haar fles en haar gezicht. Ik had zichtbaar al iets gedronken. ‘Ik ben op weg naar een feest. Bij iemand thuis, met band en alles er op en er aan. Zullen we samen gaan,’ lispelde ik. Ze stemde in met dubbele tong. Hand in hand verlieten we de Gall & Gall. Onze aankopen verenigd in één plastic tas.
Sindsdien zijn we onafscheidelijk. Op dit ogenblik toch zeker zo’n drie uur lang. Je hebt je naam nog niet gezegd, of ben ik het vergeten? Kom ik die ooit nog te weten? Ik twijfel, kan niet meer helder denken. Iets zegt me dat het over is, wanneer ik je het schijfje limoen, dat eerst nog in je longdrinkglas dreef, met je tong uit de mond van de gitarist zie vissen.
Foto
Wie ben ik?
(geplaatst op 21.05.2022)
Heb ik zo af en toe een foto nodig, om vast te stellen wie ik echt bent? Niet, wie ik denk te zijn.
Het liefst een foto waarop ik niet poseer. Afstand nemen door in te zoomen. Ik zie een bekende op de foto. Ik twijfel er aan of ik het ben. Ik herken mijn kleding, mijn bril, mijn snor. Echter deze figuur is groter, neemt meer ruimte in, dan ik.
Het liefst ga ik op in de ruimte. Ziet bijna niemand me. Een schaduw in de feestzaal. Op de foto sta ik in het licht. Er zal toen niemand zijn geweest die me over het hoofd heeft gezien. De rug recht, de schouders hoog, een opgeheven hoofd. Een glimlach, een twinkeling in de ogen.
Waarom had ik niet het bijbehorende gevoel? Stond ik, in mijn herinnering met natte oksels, aan de rand van het tafereel. Afzijdig, maar niet afgezonderd. Ik maakte zogenaamd plaats voor de minder lange mensen. Alsof ik deel uitmaakte en meedeed met de groep waartoe ik niet behoorde.
Na afloop van de receptie, met wind door mijn haren naar huis gefietst. Ik voelde me bevrijd en nam mij voor nooit meer een sociale verplichting na te komen, die vooraf al als een last zou voelen.
De jubilaris vertelde me de daaropvolgende maandag, dat hij verheugd was met mijn aanwezigheid. Zijn vrouw zag in mij een gangmaker op kantoor, een verbindingsfactor tussen de individualisten. Met iedereen een praatje maken, makkelijk benaderbaar. Dat terwijl er door en bij mij sociale incontinentie was vastgesteld.
Soms heb ik een foto van mezelf nodig om een gestalte te zien die qua uiterlijk voorkomen niet past bij m'n innerlijke gemoedstoestand en waar ik, weliswaar achteraf, een goed gevoel bij krijg.
Mijn moeder is mijn moeder niet
Geen klik
(geplaatst op 23.04.2022)
Altijd al zo’n voorgevoel dat ik niet de zoon van haar ben. Ik lijk in de verste verte niet op haar. Mijn bruine krullen heb ik niet van haar. Ook niet van mijn vader, besef ik. Maar van hem heb ik geen last. Mijn vader is er overdag niet. Die werkt. Ergens op kantoor. Hij staat zaterdag langs de lijn om naar mij te kijken. Dat ik OK, want hij houdt zijn mond. Mijn moeder kan dat niet. Zij roept mijn naam zodra ik schoolgebouw uitloop, nog knipper met mijn ogen tegen het zonlicht. De donkere gestalten achter het hek. De meesten van hen zullen iemand mee naar huis nemen, sommigen zijn voor niets gekomen. Ik mag echter zelden spontaan afspreken. ‘Daarvoor kom ik je niet ophalen van school,’ zegt ze. Ik moet ’s ochtend al op het plein bedenken met wie ik na schooltijd wil spelen. Dan blijft degene die ik mama moet noemen, nog even staan kletsen met een aantal ouders. Afspreken met Robert kan bijna nooit, want hij komt pas het plein oplopen in de nagalm van de bel. Ik ga vaak bij Roos spelen. Ik ren het plein op en zij biedt zich aan. ‘Hai Eddy, als je niemand hebt om mee af te spreken, mag je bij mij komen, hoor.’
Ik zou natuurlijk kinderen naar mijn huis mee kunnen vragen. Nou ja, kind. Want meer dan één vindt mijn moeder te druk. Ik doe dat liever niet. Mama gaat zich bemoeien met het spel dat we spelen wanneer we binnen blijven. Alleen buiten hebben we rust.
Mijn moeder haalt me op en roept mijn naam. Waarom? Ik weet dat ze min of meer elke keer op dezelfde plek staat te wachten. Zal ik voor de grap naar een andere moeder lopen en haar mama noemen. De kans dat ik vanavond geen toetje krijg, is eerder een risico.
Waarom ziet ze er zo uit, zoals ze er uit ziet? Het kortgeknipte steile zwarte haar boven de gele regenjas. Een grijze afritsbroek die papa ook heeft, maar niet meer draagt. ‘Die broeken hadden we al toen jij er nog niet was,’ zegt ze regelmatig. Ze staart vervolgens naar niets en denkt aan de tijd dat ze met papa aan het reizen was, weet ik. Ze keert weer in het hier en nu terug met de woorden: ‘Dat was een mooie tijd’. Aan haar voeten afgetrapte gympen, alsof we thuis geen geld hebben voor nieuwe. Waarom lijkt ze niet meer op de moeder van Roos? Daarom ga ik graag bij haar spelen. Haar moeder heeft halflang blond haar, draagt jurken, ook in de winter en schoenen met een hak. En hoewel zij zich met ons spel mag bemoeien, doet ze dat nooit. Weet mijn vader dat mijn moeder mijn moeder niet is? Spelen ze samen een spel met mij, zoals Roos en ik met haar zusje? Wanneer zij zich mag verstoppen en wij iets anders gaan doen.
‘Voor jou blijf ik thuis,’ zegt ze af en toe. ‘Van mij mag je gaan werken,’ zeg ik wel eens. ‘Ik red me wel.’ Daar ben ik nog te jong voor, krijg ik te horen. Ik kan toch naar de opvang? ‘Trouwens, wie gaat er dan koken?’ zegt ze nog. O ja, alsof pasta met prut veel tijd kost. Bij Roos heb ik wel eens aardappelen, groente en vlees gegeten. Drie aparte dingen op het bord. Ze wil het niet. Ze wil niet werken. Misschien kan ik een mail sturen naar dat televisieprogramma, waar je een wens mag doen die uitkomt. Ik wens dat zij mijn echte moeder vinden. Die loopt ergens rond met lang krullend bruin haar, mij vreselijk te missen.
Van rommelkont naar rotzooimaker
Opgeruimd
(geplaatst op 09.04.2022)
Ze vindt dat ik veranderd ben. Niet meer degene ben waar ze ooit op is gevallen. Ik laat me nog steeds niet leiden door de tijd. Vroeger vond ze dat zo ontspannen. Nu kan ze vreselijk mopperen wanneer ik volgens haar gevoel ergens te laat kom. Ik ben zuinig zonder gierig te zijn. Ik neem nooit spontaan een bos bloemen mee. In het begin vond ze dat juist verfrissend. Ik moest vooral geen geld aan haar uitgeven. Daar is ze na een paar jaar op teruggekomen.
Ik kan vier dingen tegelijk doen terwijl ik vijf dingen niet afmaak. Een opengeslagen boek midden op tafel. Een beker, nog voor een kwart gevuld met de koffie van gisteren, op het bijzettafeltje. De tube tandpasta ligt balancerend op de rand van de wastafel, de dop spoorloos. De onderbroek naast de wasmand als resultaat van een gemiste driepunter. De glazen pot met een bruine bonen etiket, gevuld met twee kwasten van verschillende diktes in een mengsel van terpentine en water, staat al weken onaangetast op de aanrecht. Allemaal geen probleem toen ze bij mij introk.
Ik doe nog steeds zelf het huishouden. Daar heeft ze zich vanaf dag één niet mee willen bemoeien. Het is schoon zonder te blinken. Nu hoor ik haar zeggen dat ik haar geluk beïnvloed. De toonzetting laat er geen misverstand over bestaan. Het is geen positieve bijdrage. Ze wil een opgeruimd huis, voor een opgeruimde geest. Daarvoor moet ik met mijn spullen plaats maken.
Praten in je slaap
Open je hart
(geplaatst op 26.03.2022)
Ik hoor de geheimen die je hebt, de onvertelde verhalen.
Ik neem je in mijn armen en streel je in slaap.
Je ademhaling licht en regelmatig, het geluid van je kloppend hart.
Een hart dat gesloten blijft, mij niet toelaat.
Ligt de oorzaak bij de naam die op je lippen ligt?
De naam die je prevelt wanneer je ligt te slapen.
Is Marvin jouw God?
Is hij degene aan wie je rekenschap hebt af te leggen?
Soms ben je boos op hem, of eerder geïrriteerd.
Je vertelt dat jij alles doet wat in je macht ligt, hij komt de afspraken niet na.
Ik wil afspraken met jou maken en mij er aan houden.
Zeg met wat je wil.
Veel vaker spreek je hem lief toe.
Op gehurkte kleutertoon gepraat, echter de liefde druipt ervan af.
Praat ook zo tegen mij, al is het slechts voor één keer.
Zeg me wat ik moet doen.
Ik kan je niet meer verstaan, je ademhaling wordt dieper.
Zal ik morgen vragen stellen?
Niet tijdens het ontbijt, want je kan je niets herinneren.
Nee morgenavond, wanneer je met hem ligt te praten.
Zal ik vragen wie hij is, wat je met hem wil en of ik ooit zijn plaats kan innemen?
Maar wat als ik in jouw wereld een vreemde voor je ben?
Een dictator heeft een volk nodig
Klein beginnen
(geplaatst op 12.03.2022)
In tegenstelling tot Mao heet hij Kenny. In tegenstelling tot de eerst genoemde, bestuurt hij geen uitgestrekt grondgebied. Zijn kavel is beperkt tot het huis gelegen aan Bataviaweg 18 met een smalle voortuin en een diepe achtertuin op het oosten. Klein van stuk enigszins gezet, dat komt wel overeen. En andersdenkenden onderdrukken. Hij duldt geen andere mening, geen tegenspraak. Zijn getrouwen zijn dienaren. Zijn dienaren zijn gezinsleden.
Zijn vrouw, voor de verzorging en het huishouden. Hun achterlijke zoon, voor wie hij een toeslag ontvangt. En hun geadopteerde zoon. Die laatste moet Kenny ruimdenkend doen overkomen richting buitenwereld. Ondertussen dient de jongen het zuur verdiende geld van de krantenwijk, bij pa-lief in te leveren. Kenny erkent de overheid niet, toch houdt hij zijn hand op voor een bijstandsuitkering.
Zijn dagen slijt hij met het bepalen wat er wel en vooral niet mag. De regels die hij zijn gezinsleden oplegt, de visie voor een toekomstige staat, schrijft hij op in een boekje met harde kaft. De ideologie van Ken, staat er op de eerste bladzijde in zwart geschreven. Wanneer hij zichzelf adresseert heeft hij het over Ken. Als in ongekend. En om grappen te voorkomen, zoals kenny-waar zijn. Niemand zou overigens een dergelijke grap in zijn bijzijn durven uit te spreken, daarvan is hij overtuigd.
Kenny besteedt veel aandacht aan de borstelige snor onder zijn neus. Daar waar het haar nog wel wil groeien. Het exemplaar moet een kopie zijn van het snordragende, zichzelf respecterend kader, dat hem met gezag toesprak tijdens zijn militaire dienstplicht. Het uitdunnende haar boven op zijn hoofd baart hem zorgen. Een krachtig leider hoort niet kaal te zijn. Kaal staat voor inhoudsloos en leidt af van de met zorg gearticuleerde woorden die langzaam over zijn lippen rollen.
Voorafgaand aan elke maaltijd wordt niet God aangesproken, maar het volk, nu nog bestaande uit de drie toehoorders van zijn huishouding. Als een ware demagoog fulmineert hij tegen de huidige maatschappij en hoe deze zou moeten veranderen volgens de denkbeelden van Ken.
Zijn ideaalbeeld is een autarkie. Zodra hij zijn ideeën kan publiceren zal hij medestanders vinden. Dan zal zijn volk uitbreiden. Met middelen van zijn volgers kan land aangekocht worden en kan een gesloten samenleving gerealiseerd worden. Zijn utopie, waarover hij wederom vannacht in kleur heeft gedroomd.
Goed geluimd loopt hij de trap af. Hij verwacht een gedekte tafel aan te treffen, waar zijn door hem benoemde discipelen klaar zitten om hem te begroeten. De tafel staat echter verlaten in de woonkeuken. Hij roept namen. Die van zijn vrouw meerdere keren. Zijn schelle stem galmt door het huis. Hij kijkt in slaapkamers en kasten en komt tot de ontdekking dat ze vertrokken zijn. Zelfs de cavia heeft zijn hok verlaten. Voor het eerst sinds zijn bruiloft twintig jaar geleden, voelt hij zich machteloos. Een door volk verlaten alleenheerser neemt niemand serieus.
De man zonder voetafdruk
De vergeten werknemer
(geplaatst op 26.02.2022)
Theo Abbing wordt uit beleefdheid toegeknikt op de werkvloer. Buiten het kantoorgebouw wordt hij niet herkend. Zoals de caissière die door de winkelstraat loopt. Hij draagt wat de meeste mannen in het bedrijf dragen: een grijs pak met wit overhemd. Hij heeft zich de kleur van de massa aangemeten. Hij zondert zich niet af, om niet op te vallen. Theo loopt mee en praat niemand tegen. Hij deelt de mening van de meerderheid, als iemand hem ooit om zijn mening zou vragen. Hij is een sociale kameleon.
Niemand weet wie Theo Abbing is. Hij is aanwezig zonder ruimte in te nemen. Hij maakt geen overbodig geluid. Of hij vrouw of kinderen heeft, hobby’s of liefhebberijen, geen mens vraagt het, geen mens weet het. Theo leidt een geruisloos bestaan. Hij is niet ongelukkig. Hij klampt zich vast aan de gedachte dat het ergens goed voor moet zijn. Onopvallend door het leven gaan. Eens zal het hem iets opleveren. Theo blijkt een ziener te zijn.
Er vindt een fusie plaats tussen het bedrijf waarvoor hij werkt en een andere IT-gigant. De chaos van de daarop volgende ontslagronde grijpt hij aan om niet meer naar zijn werk te gaan. Niemand weet wie Theo Abbing was. Drie jaar na de fusie ontvangt hij nog steeds iedere maand zijn salaris.
Op kamers
Misofonie
(geplaatst op 12.02.2022)
Al jaren heeft hij een eigen kamer. Zijn territorium. De ruimte heeft hij een persoonlijk tintje gegeven, binnen de richtlijnen van het bedrijf. Een uitgebeelde voorkeur voor een bepaalde voetbalclub aan de wand, zou een potentiële klant afkomstig uit een rivaliserende stad tegen de borst kunnen stuiten. Hij heeft wat posters op laten hangen van kunstwerken die hij weet te waarderen en waar volgens hem niemand aanstoot aan kan nemen. De ingelijste foto op zijn bureau laat zijn trots zien, een zelf opgeknapte motorcruiser. De van huis meegenomen sanseveria heeft hij, ondanks het kantoorklimaat, tot bloei laten komen.
De door te voeren bezuinigingen binnen het bedrijf hebben tot gevolg dat twee locaties worden samengevoegd. Hij mag blijven zitten waar hij zit, maar vanaf vandaag staan er twee bureaus in de kamer. Marlou kent hij van diverse overlegstructuren, als collega van de andere locatie. Toch nog op kamers met iemand, denkt hij met een glimlach op zijn gezicht.
Hij heeft de helft van de kast ontruimd. Plaatsgemaakt voor haar spullen en dossiers. Hij biedt haar aan bepaalde posters van de wand te halen, zodat zij haar voorkeur kan etaleren. Hij stelt Marlou voor aan de sanseveria en hij laat haar de ingelijste foto zien. De eerste dag verloopt in harmonieuze sfeer. Zelden heeft hij zolang met een collega gepraat over niet-werkgerelateerde zaken.
In de namiddag valt ze plotseling stil, midden in een verhaal. Op het moment dat hij een appel uit zijn tas pakt, een mesje uit zijn bureaulade, een papieren handdoekje op het bureaublad uitspreidt. Hij kijkt haar aan terwijl hij de appel schilt. Lukt het hem om de appel in een keer van de schil te ontdoen zonder dat deze breekt? Altijd weer een uitdaging, vindt hij. Hij ziet dat Marlou verschrikt kijkt naar zijn handen. Verbeeldt hij het zich, of moet ze werkelijk kokhalzen?
‘Vaste prik,’ zegt hij. ‘Op dit tijdstip eet ik een appel. Goed voor de vitaminen.’ Hij snijdt de appel in partjes. Wanneer hij een stukje doormidden bijt, duwt Marlou met haar handen tegen de richel van het bureaublad haar stoel naar achteren. Met een rood hoofd staat ze op en loopt gehaast de kamer uit. De deur slaat achter haar dicht.
Met opgetrokken wenkbrauwen, mompelt hij: ‘Nou ja zeg, die heeft ook veel te lang alleen op een kamer gezeten.’
Leven zonder angst
Moeite doen
(geplaatst op 29.01.2022)
‘Ben je nooit bang mij te verliezen?’ Nynke draait haar hoofd en kijkt even naar de uitdrukking op het gezicht van haar vriend, die naast haar zit.
‘Nee, hoe zo? We hebben het toch goed samen? Ik ken geen angst in het leven,’ zegt hij zelfverzekerd.
Nynke constateert dat die gezichtsuitdrukking het beste valt te omschrijven als verveeld. Ze gaat verder: ‘Geen angst leidt tot onverschilligheid, waardoor je mij als vanzelfsprekend beschouwt.’
‘Waar komt dat nu ineens vandaan?’
Van verveling naar verbazing, ziet ze. ‘Je zou beter je best doen, wanneer bij jou zo nu en dan de angst om mij kwijt te raken komt opzetten.’
‘Sorry?’ Hij trekt zijn wenkbrauwen op.
Vertwijfeling, zou ook kunnen, schiet het door haar hoofd. ‘Je zou je voor mij leuk aan kunnen kleden, in plaats van die eeuwige joggingbroek die je sinds Corona tot je standaardoutfit bent gaan rekenen. Je zou me, zodra de regels het toelaten, mee uit eten kunnen nemen. Of de tafel hier dekken en eten bestellen. Wanneer is de laatste keer dat we samen, tête-à-tête, aan tafel hebben gezeten onder het genot van niet alledaags eten en drank uit echte glazen? In plaats van wokgroente met rijst en je niet flatteuze bier uit blik. Ik heb een paar keer eten besteld, dat jij vervolgens uit de plastic bakjes op de bank gezeten naar binnen hebt gelepeld. Scheelt afwas, was je uitleg. Daar zat ik dan, met een voor mijzelf leuk opgemaakt bord, naast je in een speciaal voor de gelegenheid aangetrokken jurk. Misschien moet je niet altijd zo praktisch willen zijn.’ Nynke hoort haar stem omhooggaan.
‘Voel je je niet lekker?’ Hij schudt even met zijn hoofd, haalt zijn schouders op.
Hij speelt alsof hij moeite heeft me te begrepen, denkt ze. ‘Kijk dat is weer zo’n typische opmerking,’ reageert ze fel. ‘Het ligt niet aan mij, dat jij aan het verslonzen bent. Ik constateer. Het is een feitelijke opsomming, die ik je geef.’
‘Niet geheel ontdaan van emotie,’ flapt hij eruit.
‘Nee, precies. Emotie. Angst is ook emotie. Jij zou een ietsepietsie angst moeten hebben.’ Ze vouwt haar armen over elkaar.
‘Fijn dat je mij dat toewenst,’ zegt hij schamper.
‘Angst geeft je levensenergie. Dat begrijp je blijkbaar niet.’ Ze merkt dat ze luider is gaan praten. ‘Door angst leer je waarderen wat je hebt, wat goed gaat,’ voegt ze er nog aan toe.
‘Ik ben bang dat het met jou niet goed gaat.’
‘Je maakt het belachelijk. Je maakt mij belachelijk. Blijf jij maar lekker niet bang, om mij te verliezen. Misschien denk je over een half jaar nog eens terug aan dit gesprek, wanneer het slot op de voordeur is vervangen, een koffer gepakt met jouw joggingbroeken op de stoep staat.’ Ze staat op, loopt langzaam richting gang. Ze hoopt op een reactie. Verbouwereerd blijft haar vriend achter op de bank. Hij zwijgt en denkt: ik denk dat zij wil dat ik morgen mijn spijkerbroek aantrek.
Sabbatical
Vervormde herinneringen
(geplaatst op 15.01.2022)
Er gebeurt niet meer zoveel in het leven van Edo. Janine is de laatste jaren meer gaan werken, de kinderen zijn het huis uit. Aan dynamiek ontbreekt het niet alleen thuis. Op het werk is het een dode boel. De collega’s, allemaal van zijn leeftijd of ouder. Geen jonge honden. Geen opschudding. Hij mist verhalen over het snelle, energieke leven.
Edo en Janine gingen regelmatig op vakantie. Avontuurlijke reizen. Totdat zoon en dochter hun natuurlijke beperkingen oplegden, vonden zijzelf. Geen probleem. Op de camping met zijn vieren in Frankrijk was binnen bepaalde grenzen ook avontuurlijk. Nu de kinderen niet meer meegaan, is er meer ruimte, ook financieel. Juist nu, heeft Janine zorgen over het milieu ontwikkeld. Ze wil niet meer in een vliegtuig stappen. Er valt nog zoveel te beleven vlakbij huis, zegt ze. Op ontdekkingsreis in eigen land, zijn ze tot op heden niet gegaan.
Werk vult de meeste tijd. En juist daar is hij op uitgekeken. De voorspelbaarheid. Alles op de automatische piloot aankunnen. Edo wil weer het gevoel hebben dat hij leeft. Hij probeert Janine over te halen, om samen voor langere tijd vrij te nemen. Om weer dingen te gaan ontdekken. Zij maakt hem duidelijk dat ze nu leeft. En in het nu kan zij geen vrij nemen van haar werk. De zorg kan dat niet aan. Neem gerust zelf vrij, voegt ze daar nog aan toe.
Enigszins bezwaard, is dat wat Edo doet. Voor zes maanden. Een sabbatical, dat had hij nooit gedacht. Eenmaal vastgelegd, kijkt hij er naar uit. Hij is van plan veel te lezen. Boeken verslinden, zoals hij dat deed toen hij een twintiger was. De klassiekers die hij de afgelopen jaren heeft gekocht, staan ongelezen in een goed gevulde boekenkast. Onderdompelen in een andere wereld. Zich daar een beeld over vormen. Laat naar bed, omdat hij niet vroeg op hoeft te staan. Of juist vroeg opstaan om voor dag en dauw naar buiten te lopen. Eten wanneer hij trek heeft. Wie heeft eigenlijk bepaald dat ontbijt na half elf geen ontbijt meer mag heten?
Waar ze normaal gesproken de taken hebben verdeeld, doet Edo in zijn eentje het huishouden, de boodschappen. Hij kookt hoogstens op zondag niet. Hij staat op, wanneer Janine opstaat. Anders is het zo ongezellig, vindt hij. Ook al praten ze nauwelijks, tijdens de ochtendrituelen. Een plichtmatige kop koffie en een boterham.
Zodra de deur in het slot valt, gaat hij het laminaat dweilen. Dat is zeker driekwart jaar geleden, dat dat voor het laatst is gebeurd. Daarna boodschappen doen. Niet alleen naar de supermarkt. Ook naar de toko. Hij is op zoek naar wereldgerechten. Niet uit een potje of een pakje. Zelf vers bereiden. De lijst met ingrediënten is lang. De bereidingstijd idem dito. De smaak van curry moet hem voor even doen terugkeren in het land van oorsprong.
Eindelijk eens de boekenkast uitruimen. De boeken afstoffen en terugplaatsen volgens een nieuwe indeling. Op schrijver en herkomst, of thema geordend. De wijze waarop de kast is ingedeeld, moet hem verleiden. Door de kaften te bekijken, de achterflappen te scannen, kiest hij op dit moment voor Honderd jaar eenzaamheid. Toen hij zelf ooit in Zuid-Amerika was, was het magisch realisme bijna tastbaar. Kan de schrijver hem teleporteren van hier naar daar? In de tijd tussen huishouden en koken door, gaat Edo daar voor openstaan.
Rob is al de derde collega die Edo aanspreekt. Niemand verwacht hem na een maand terug op kantoor. Edo steekt zijn verzonnen verhaal af. Hij neemt weer verlof, zodra ook Janine vrij kan nemen. Veel leuker. In werkelijkheid verlangt hij naar de regelmaat van het werk. Geen tijd om zijn herinneringen te herschrijven.
De zelfbereide curry smaakte niet zoals in India. De kurkuma was allesoverheersend. Was dat toen ook al het geval? Het gerecht deed hem niet in de stegen van Varanasi belanden. De klamheid, de chaos, de geuren. Het viel allemaal niet op te roepen, aan de keukentafel gezeten. Tijdens het lezen van het boek kreeg hij het gevoel dat hij in Zuid-Amerika niet goed had opgelet. Dat er daar nog zoveel meer te beleven was.
Waarom zou hij zich van de juistheid van zijn herinneringen vergewissen met een boek in de hand, of een sfeer trachten te bewerkstelligen middels een geurend gerecht met bittere nasmaak? Liever heeft hij geen sabbatical en blijft hij overtuigd van hoe het ooit eens was. Waar of niet waar.
Kleren aan om niet gezien te worden
Een schim
(geplaatst op 02.01.2022)
Kasper stapt in op het vertrekpunt. Gewoontegetrouw neemt hij plaatst rechts achterin de bus. Het is de vroege bus. Plaats zat. Hij zakt iets onderuit. Het licht in de bus maakt het haast onmogelijk om naar buiten te kijken. Een blik naar het raam toe, levert een eindeloze spiegeling van het interieur op. Telkens, zodra de bus even stil staat, weet hij door te dringen tot de donkere buitenwereld. De halte nadert. De halte waar zij staat te wachten. Als enige.
Zij, die kleren aan heeft om niet gezien te worden. Netjes, verzorgd, onopvallend. De andere passagiers slaan geen acht op haar. Verdiept in hun eigen ochtendrituelen. Blauw, draagt ze. Jas, broek, rugzak.
Bij het instappen knikt ze naar de chauffeur. Althans dat is wat Kasper denkt te zien. Hij zit te ver weg om te horen of ze misschien iets van goedemorgen zegt. Die knik moet de groet zijn. Ook zij heeft een vaste plaats. In het midden van de bus, de twee stoelen naast de uitgang. Met moeite doet ze haar rugzak af, terwijl de bus optrekt. De spanning op de rits duidt op een overvolle tas. Wat torst ze in hemelsnaam elke dag met zich mee? Altijd wanneer ze de rugzak van haar schouder op de zitting van de stoel aan het gangpad zet, ziet Kasper het beest bungelen. Aan het lipje van de ritsluiting van de rugzak, een sleutelring met daaraan een pluche beest. Een tien centimeter grote mammoet. Priemende knopogen. Zelf gaat ze op de stoel aan het raam zitten. Buitengesloten.
Kijkt ze hem even aan? Dat is wat hij graag denkt. Hij zit immers vandaag achter haar vaste plek. Zelf kijkt hij zogenaamd uit het raam, via de spiegeling observeert hij haar. Op zoek naar contact. Kasper ziet de mammoet zwaaien. Zodra ze zit, richt Kasper zijn blik naar voren. Hij ziet haar bruine haren, ruikt ze. Een naar kauwgumballen ruikende shampoo. Of is het de geur van parfum?
Na een paar weken merkt hij op dat de crunchie die haar haren bijeenhoudt, nog wel eens van kleur wil veranderen. Als het niet blauw is, is het fluweelachtige haarelastiek zwart. Kasper kan niet constateren wat de reden zou kunnen zijn om zo af en toe voor zwart te kiezen. De rest van haar outfit kent geen verandering van kleur.
In het weekend pakt Kasper de fiets. Hij kamt de straten uit, in de buurt van de halte waar zij altijd opstapt. Stel dat hij haar tegenkomt? Zou hij haar groeten? Zonder het interieur van de bus weet ze hem waarschijnlijk niet te plaatsen.
Hij neemt een dag vrij. Pakt de vroege bus. Halte station komt dichterbij. Hij blijft zitten. Er stappen veel mensen in, die een paar haltes later op het industrieterrein uitstappen. Net zoals zij. Hij wil weten waar ze werkt. Een stukje van de puzzel, om een beeld van haar te krijgen. Het lukt niet. Buiten verliest hij haar al gauw uit het oog.
Kasper moet handelen. Volgende week zal hij niet meer de vroege bus pakken naar het station. Een andere baan in een andere richting. Hij weet het cadeaupapier in de berging te vinden. Zilver glimmend. Wanneer heeft hij voor het laatst voor iemand iets ingepakt? Hij kan het zich niet herinneren. Donderdag, de bus nadert het station. Hij raakt even haar schouder aan. Ze kijkt verschrikt achterom.
‘Sorry, euh… ik heb iets voor je.’ Hij overhandigt haar het pakje met het gekreukte cadeaupapier. ‘Ik hoor morgen wel, wat je er van vindt,’ mompelt hij, terwijl hij de rode vlekken in zijn nek voelt opkomen. De bus stopt. Kasper staat op. Hij ziet haar verbouwereerd naar het pakje in haar hand staren.
De volgende dag, na een rusteloze nacht, zit Kasper gespannen in de bus. Een rij achter de stoelen bij de deur. Vandaag gaat het gebeuren. Ze gaan een gesprek met elkaar hebben. Hoe dan ook. Bijna is de bus bij de halte waar zij staat. De bus hoort vaart te minderen, maar dat gebeurt niet. Wat is er aan de hand? Verschrikt kijkt Kasper naar rechts. Daar ziet hij de halte waar niemand staat. Heeft ze zich verslapen, vraag hij zich af. Of erger: waardeert ze het cadeau niet? Zou dat het zijn, denkt Kasper. Aan een sleutelring, een pluche dinosaurus met priemende knopogen. Ook een prehistorisch dier. Uitgestorven. Dat is toch haar ding?
Vaste ronde
Andere blik
(geplaatst op 18.12.2021)
Het is tijd. Thuiswerken biedt hem de mogelijkheid om doordeweeks, na het NOS journaal van 12 uur, een ronde door het park te lopen. Weer of geen weer, hij trekt er op uit. Een half uur. Dezelfde ronde, door een altijd veranderende omgeving. Ben trekt de lijn door in het weekend. De wandeling geeft hem rust, breekt de dag.
Elke dag, ter hoogte van de sportvelden komt hem een man tegemoet. Ben ziet het bovenlichaam enigszins gebogen. Torst hij een zware last met zich mee? De blik naar de grond gericht. Bij zijpaden kijkt hij schichtig om zich heen. Alsof hij overweegt van het pad af te wijken, wanneer niemand hem ziet. Zijn grijze haren, halflang, rusten op de vaal geworden kraag van zijn jas. De kleren zien er versleten uit, de sneakers afgetrapt. Zou hij werk hebben, denkt Ben. Zou hij wel vrienden hebben? Een type vagebond dat leeft van de wind, gelukkig is. Maar wat drijft hem naar buiten?
De klok geeft de tijd aan om te gaan. Thom doet vingeroefeningen. Daarna strikt hij de veters van zijn sneakers. Een dagelijks ritueel. Hij moet nu naar buiten. Niet eerder, niet later. In zichzelf gekeerd vangt hij zijn vaste ronde aan. Hoewel zijn blik niet weids is, neemt hij in zijn directe omgeving alles waar. En dat alles wordt met gemompel becommentarieerd.
Inmiddels weet Thom wat hem te wachten staat, wanneer hij afbuigt richting de sportvelden. Een man in pak komt hem tegemoet. Soms met regenjas. Altijd met leren schoenen. ‘Wie doet er vrijwillig een kostuum aan,’ vraagt Thom zich af. ‘Hij heeft waarschijnlijk geen baan. Hij wil de mensen doen geloven dat hij werk heeft. Rechtop loopt hij, zelfverzekerde blik. Hij neemt ruimte in. Op weg ergens naar toe. Vast iemand die heel veel kennissen heeft,’ lispelt Thom. ‘En toch elke dag die wandeling. Waarom?’
De dagen voor Kerst. Het hangt in de lucht. Een half jaar elkaars vaste ijkpunt. Voor het eerst kijken ze elkaar bij het tegemoetkomen aan. En alsof ze gezamenlijk afgeteld hebben, wensen ze elkaar tegelijkertijd een goedendag. Ze schieten in de lach, staan stil.
‘Ik ben Thom,’ Ben ziet dat Thom rechtop staat, een open blik heeft.
‘Prettige feestdagen Thom. Ik heet Ben.’ Thom ziet een vriendelijke oogopslag.
‘Dag Ben. Morgen dezelfde tijd, dezelfde plaats?’
‘Afgesproken.’ Allebei lopen ze verder met een glimlach op hun gezicht.
Aardige man, denkt Ben. Hij ziet er van zo dichtbij, met opgeheven hoofd, jonger uit. Sportief ook, op die sneakers.
‘Aardige vent,’ mompelt Thom. ‘Ik schat hem mijn leeftijd. Hij heeft gewoon een baan, hoor. Wat ik je zeg. Dat pak staat hem trouwens goed.’
Wie houdt het bij?
Veroveringen
(geplaatst op 04.12.2021, eerder gepubliceerd in Palmares, bundel korte verhalen, uitgeverij Palmslag)
Boyd staart naar de figuur in de opgeschuimde melk van zijn cafè latte. Een hartje. Want hier wordt koffie met liefde klaargemaakt. Althans dat staat in zilverkleurige letters, grafisch vormgegeven, op de donkere muur achter de bar. Hij is de enige gast die aan een tafeltje zit. De overige klanten lopen liever buiten met een kartonnen beker in hun hand, zichtbaar voor iedereen, af en toe onbewust nippend aan de koud geworden koffie met havermelk. Boyd is van plan om zijn koffie met aandacht te drinken.
De eerste slok, schuim op zijn lippen, het hart vervormt. Dag liefde, denkt hij. Hij pakt zijn notitieboekje uit de binnenzak van zijn leren jas. Gelijk een schrijver heeft hij altijd pen en papier bij zich. In dit boekje met de harde zwarte kaft schrijft hij zijn geschiedenis op. Voordat hij daarmee begint, voert hij zijn ritueel uit, door zijn woeste haren op te binden met het elastiek dat speciaal daar voor om zijn pols zit.
Hij denkt aan Sylvia en heeft spijt dat hij gisterenavond met haar naar bed is geweest. Nu kan hij haar niet nog een keer ontmoeten. Hij noteert haar naam en gaat meerdere keren met zijn pen over de letters. Voor hem is het belangrijk dat de naam er uit springt, door de letters in het papier te drukken. Daarna kijkt hij voor zich uit in het niets, hij houdt het uiteinde van de pen tegen zijn lippen. Niet langer dan een minuut, duurt deze bevroren toestand. Vervolgens vloeien de woorden uit zijn pen. Woorden die niet zouden misstaan in haar datingprofiel (beroep, hobby’s, reclame-makende eigenschappen). Hij vult het aan met een omschrijving van typerende bijzonderheden (slist een beetje, bloost gemakkelijk, tatoeage op de onderrug). Tenslotte een opsomming van uiterlijkheden die overeenkomen met haar (een moedervlek op de rechter onderarm, een hamerduim en als ze recht opstaat, met de benen naast elkaar, wijzen haar knieën licht naar buiten).
Hij realiseert zich dat hij te snel heeft gehandeld. Met Sylvia wil hij vaker afspreken. Er is een klik, gedeelde interesses. Tijdens het eten in het restaurant, voelde hij zich ontspannen, was hij niet bezig met zijn score. Het verleiden verliep op natuurlijke wijze. Van beide kanten. Allebei een beetje aangeschoten. Pas in de kroeg, voor nog een drankje, moest hij van zichzelf in actie komen. Hij stelde voor om naar haar huis te gaan.
Boyd schrikt op uit zijn gedachten, wanneer de serveerster naast hem staat en vraagt of hij nog een koffie wil. Hij ziet dat zijn kop leeg is en kan zich niet herinneren de laatste slok te hebben genomen. Hij gaat voor de herkansing en bestelt hetzelfde. De serveerster knipoogt naar hem. Of verbeeldt hij zich dat? Ze loopt bij hem weg, hij volgt haar met zijn blik, zijn rechterhand gaat over de stoppels van zijn kin. Hij is blij dat hij koffie is gaan drinken, vlakbij zijn woning. Dat geeft hem rust. Verder van huis zou hij waarschijnlijk de neiging hebben een poging te wagen om haar te versieren. Wellicht verdwijnt haar naam dan ook in het notitieboekje. Echter een andere, zelfbedachte spelregel luidt dat hij met niemand afspreekt die binnen een straal van tweeëneenhalve kilometer van zijn appartement, woont of werkt. Hij wil tijdens zijn alledaagse gang van zaken, niet onverwacht iemand tegen het lijf lopen, waar hij voorheen afscheid van heeft genomen door niet meer op haar berichten te reageren.
Met de pen boven het papier, twijfelt Boyd of hij door moet gaan met de opdracht. Een opdracht die hij zichzelf heeft opgelegd. Dertig is het doel. Hij bladert door de beschreven bladzijden. Telt. Stoppen bij zeven is toch ook niet verkeerd. Er is voldoende tijd verstreken, denkt hij. Stoppen betekent dat ik nog een keer met Sylvia kan afspreken.
Hij zal haar niet bij hem thuis uitnodigen. Zijn woning is een gesloten tempel. Verboden toegang voor buitenstaanders. Door haar daar toe te laten geeft hij te veel van zichzelf. Ze zou zien dat er iemand is geweest waarmee hij eerder alles heeft gedeeld. De woning is nog exact zo ingericht als toen die avond, ruim een jaar geleden. De poef van fluwelen stof met weelderige bloemen, die uitsluitend voor haar voeten was bestemd, het roze servies zichtbaar achter de glazen deuren van de buffetkast, de gezamenlijke kledingkast voor driekwart gevuld met haar kleren. Die avond dat de politie voor de deur stond. Een eenzijdig ongeval, zei de jongste van de twee agenten. Boyd neemt het haar nog steeds kwalijk. Ze had beter op moeten letten. Achteraf gezien had hij ook haar, zijn kwetsbare kant, zijn ware gevoelens niet willen tonen. Alsof hij dat deel van hem met haar heeft verloren.
Vanaf die avond is hij de weg kwijt. Hij voelt zich overweldigd. Kennelijk is het leven niet maakbaar. Om nog ergens grip op te hebben, sport hij fanatiek en houdt hij zich aan een uitgestippeld dieet. Inmiddels lijkt zijn lichaam gehouwen uit een blok marmer.
Hij is nu een paar maanden aan het daten. Elke verovering noteert Boyd in het boekje. Wanneer de teller op dertig staat, zal hij over haar heen zijn. Zo heeft hij het zich voorgesteld. Na zoveel verschillende partners zou haar beeld vervaagd zijn. Tot nu toe voelt hij dat bij elke toegevoegde naam, hij sterker met haar verweven raakt en tevens verder weg van zichzelf komt te staan.
Een boterham met kaas
Trauma
(geplaatst op 19.11.2021)
Ik zit al een tijdje aan de keukentafel, met voor me een boerenbont ontbijtbord, hoewel het avond is. Op dat bord ligt een bruine boterham. Stevig brood, hele granen, zonder boter. Op de boterham ligt een plak oude kaas. De rijpingskristallen breken het vaal gele oppervlak. Mes en vork liggen onaangeroerd naast het bord.
Wanneer ik assertief ben en in de ogen van mijn ouders brutaal, wanneer ik aan het relaxen ben met de controller in de hand en zij beweren dat ik niet naar hun wil luisteren, wanneer ik aan zelfontplooiing doe en zij zeggen dat ik de door hen opgelegde regels negeer, krijg ik straf. Zonder eten naar bed. Daar kan ik van op aan.
Een deel van de buit van Sint Maarten heb ik achtergehouden. Op de 11de van de 11de ’s avonds met een plastic tas vol ‘lekkers’ het huis binnen komen lopen is een no-go. Ik weet dat mama de tas confisqueert. De inhoud wordt op een dienblad gekieperd en dan volgt het sorteerwerk . De mandarijnen en voorverpakte koekjes verdwijnen respectievelijk in de fruitschaal en het grote Verkadeblik waar de verantwoorde tussendoortjes in worden bewaard, die ook mee naar school genomen mogen worden (één per dag). Tussendoortjes die nul komma nul ruilwaarde vertegenwoordigen. Niemand in de klas, wil zijn of haar koekje vervangen door mijn gortdroge exemplaar dat spontaan uit elkaar valt wanneer het verlost wordt van het plastic omhulsel. Alles wat kleur heeft en dus volgens de logische redenering van mijn moeder kleurstof bevat, verdwijnt in de prullenbak. En deze wordt nog dezelfde avond geleegd. Mijn moeder heeft me twee jaar geleden betrapt toen ik midden in de nacht snoepjes uit de pedaalemmer aan het vissen was.
Goed, ik heb geleerd sindsdien. Lampion in de ene hand, plastic tas in de andere. Zo blij dat ze niet meer mee lopen. Geen enkele ouder trouwens. Tim en ik kunnen het alleen af. Wat mijn ouders niet weten is, dat in die plastic tas nog een tas zit. Onderweg tijdens het lopen, verdeel ik de vangst over de twee tassen. Het meest kleurrijke snoep, en in mijn ogen het meest begerenswaardig, wordt gescheiden van het zogenaamd gezonde spul. Met hier en daar wat kleverige snoepjes. Het moet natuurlijk geloofwaardig overkomen. Het kan niet zo zijn dat ineens de totale buurt suiker en kleurstof in de ban heeft gedaan. Dat heeft mijn moeder heus wel door. De tas met het lekkere snoep verdwijnt in de schuur. Waar ik het de volgende dag ophaal en het naar mijn kamer verhuis. Zonder eten naar bed worden gestuurd is dus geen probleem.
Terug naar de keukentafel. Nadat ik weer eens assertief ben geweest, blijken ze uit het niets een andere straf bedacht te hebben. Zit ik nu te staren naar een veel te dikke plak gesneden gruwel op een droge boterham. Een wrede straf. Ik mag pas naar mijn kamer als ik de boterham met kaas heb opgegeten. Ik snij de boterham in kleine stukjes. De oude kaas brokkelt. Zit er toch nog een voordeel aan. De schilfers laat ik mooi liggen. Af en toe blijft er een stukje kaas aan mijn gehemelte plakken. Kokhalzend eet ik mijn bord leeg. Daarna zo snel mogelijk naar mijn kamer. Hoe krijg ik mijn ouders zover dat ze mij weer zonder eten naar bed sturen? Dat vraag ik mij af, gelegen op mijn bed met een zure mat in mijn mond die de ranzige smaak van stremsel langzaam doet verdwijnen.
Status quo
Het einde bekend
(geplaatst op 06.11.2021)
We hebben contact, maar ik bereik je niet. We praten, maar ik dring niet tot je door.
Sla je mijn goede raad op? Verwerk je het later? Of serveer je het direct af en laat je dit niet merken?
Uitsluitend het individu zelf, kan veranderen. Dat houdt niet in dat je alles helemaal alleen moet doen. Aardig zijn voor jezelf, door open te staan voor hulp. Misschien ben je bang voor verandering, voor het onbekende. Als je de eerste stap zet, moet je ook de volgende zetten. Je weet niet of je dat wilt, of je dat kunt. Alles bij het oude laten is wellicht troosteloos, doch overzichtelijk.
Met een schuin oog kijken naar wat je niet hebt, zonder daar oprecht naar te verlangen. Weten in welke toestand je nu verkeert. Het verloop bekend. Routineuze destructie.
Een nieuwe set kleding
Waardeer hetgeen je hebt
(geplaatst op 23.10.2021)
Drie keer per week ga ik naar de sportschool. Vaste dagen, zelfde tijd. Ik ben van de regelmaat.
Ik verkeer in de gelukkige omstandigheden dat ik overdag kan. Om tien uur. Slechts een paar andere sporters in de zaal, ik ben de enige die gebruikmaakt van de kleedkamer. Ik vind het fijn om direct na het sporten, mijn bezwete lichaam onder een warme douche te zetten, zodat ik fris en opgepompt naar huis kan fietsen.
Woensdag. Na een intensieve training, kom ik uit het douchehokje de kleedkamer inlopen. Het valt mij direct op, dat daar waar mijn sporttas op de grond staat, het niet mijn kleding is die boven de tas hangt. Verder hangt aan de kapstok, rondom de kleedkamer, niets. Aan de haakjes waar voor het douchen nog mijn outfit hing, hangt nu een camelkleurige chino, een wit overhemd en een zwarte trui. Ik ga met mijn handen langs de kleding, spreid de mouwen uit om beter te kunnen zien. Het ziet er allemaal splinternieuw uit. Ik ruik er even aan. Een neutrale geur. Geen wasmiddel, geen lichaamsgeur. Na het kijken, voelen, ruiken, zie ik een kaartje liggen op de bank. Een geplastificeerd kaartje, rood van kleur. Met zwarte letters staat er dik op gedrukt: wij zien alles. Ik houd het kaartje in mijn hand. Iemand is creatief geweest. Het plastic laminaat kent fijne draadjes aan de zijden van de kaart en de letters zijn volgens mij niet gedrukt maar getypt. Op de achterkant, of is het de voorkant, staat een boodschap: Uw kleding is gegijzeld. Trek de kleding aan die aan de haakjes hangt. Praat er met niemand over. We nemen contact met u op. En in een kleiner lettertype staat ter afsluiting: laat deze kaart liggen in de kleedkamer. Ik vermoed een practical joke van mijn vrienden. Binnenkort word ik veertig. Misschien heeft dit, daarmee te maken. Ik trek de kleding aan. De chino, slim fit. Het overhemd van zacht katoen. Daar overheen de fijngebreide wollen trui. Alles in mijn maat. Gelukkig hebben ze mijn witte sneakers niet meegenomen. Ze staan er goed bij. Ik ben helemaal het mannetje. Fijne vrienden, dat ze me zo weten te verrassen.
Vrijdag. Ik trek bewust wat oudere kleding aan. Wie weet wordt deze ook gegijzeld. Ik ben er nog niet achter wat ze daarmee bedoelen. Ik wacht rustig af.
Enigszins teleurgesteld, constateer ik na het douchen dat mijn kleding onaangeroerd aan de haakjes hangt. Er ligt wederom een kaartje. Zelfde formaat, zelfde kleur, zelfde zichtbare boodschap: wij zien alles. Op het kaartje ligt een stuiver. Ik draai het kaartje om en lees dat ik een keuze moet maken. Wil ik de nieuwe kleding ruilen, zodat ik de oude kleding terug krijg. Wil ik losgeld betalen ter waarde van de nieuwe set kleding, zodat ik beide sets in mijn bezit krijg. Of wil ik de oude set kleding terug en de nieuwe set houden zonder kosten, waarvoor ik dan een dienst moet bewijzen. Mijn keuze moet ik duidelijk maken door de stuiver op één van de afvinkvakjes te leggen. En het kaartje zelf, moet ik uiteraard weer laten liggen. Ik speel het spel mee. Daar zijn het immers mijn vrienden voor. Ik kies voor de laatste optie en ben benieuwd naar de dienst die ze van mij gaan verlangen.
Maandag. Na het douchen vind ik weer een kaartje op de bank van de kleedkamer. Op het kaartje ligt een usb stick. Het kaartje geeft aan dat ik deze af moet geven, binnen 24 uur, op de Rijksstraatweg 118. Ik begin me ongemakkelijk te voelen. Scenario’s van misdaadseries schieten door mijn hoofd. Welke bestanden staan er op?
Ik bel Casper, mijn beste vriend, om hem duidelijk te maken dat ik de practical joke nu te ver vind gaan. Bij hoog en bij laag beweert hij van niets te weten en hij kan zich niet voorstellen dat de anderen hier iets mee te maken hebben. Hij geeft zelfs aan dat ze van plan zijn om te gaan karten met mij, voor mijn verjaardag.
Ik blijf in verwarring achter. De stick uitlezen op mijn laptop, ga ik echt niet doen. Het risico van het importeren van een of ander virus, acht ik ineens groot. Toch durf ik dat ding niet te laten liggen. Iets zegt mij, dat ik verantwoordelijk word gehouden voor het metalen staafje en dat deze niet verloren mag gaan.
Ik kan het niet laten om langs te fietsen, vanuit de sportschool. Nummer 118. Een doodgewoon rijtjeshuis. Netjes onderhouden. De gordijnen open. In de erker op de vensterbank staan twee grote zilverkleurige vazen, waar takken uitsteken. Wit houten decoratieletters die het woord HOME vormen, staan er tussen geplaatst. Nu de stick door de brievenbus gooien en ik heb de kleding verdiend. Maar stopt het na deze opdracht? Waar raak ik in verwikkeld? Ik heb tijd nodig om na te denken en fiets verder.
Woensdag. Wanneer ze werkelijk alles zien, weten ze inmiddels dat ik me niet aan de opdracht heb gehouden. Ik wurm mijn benen in de chino die toch best wel strak in het kruis zit. Het witte overhemd voelt ineens niet meer zo zacht aan. En de wollen trui, die volgens het label op de hand gewassen moet worden, ziet er minder aantrekkelijk uit. Ik verlang naar mijn vale joggingbroek en mijn wasmachinebestendige olijfgroene hoodie. Misschien kan ik toch nog ruilen. De usb stick stop ik in mijn broekzak.
Hoewel ik moeite heb met concentreren dwing ik mijzelf extra zware oefeningen te doen. Mijn lichaam moet lijden, als afleiding voor het pijnigen van mijn hersenen. Na het douchen ligt er wederom een kaartje op de bank. Tot zover voldoet dit aan mijn verwachtingen. Minder fraai en zeker verrassend is dat er helemaal geen kleding meer hangt. Zelfs het hoopje natte sportkleding dat op de grond lag is verdwenen. Wat mij rest is een lege sporttas, een paar sneakers en de handdoek die om mijn middel is geslagen. Wij zien alles, lees ik, wanneer ik voor mijn sneakers sta en naar de bank kijk. Ik pak het kaartje en lees op de andere kant: U heeft zojuist beide sets kleding verloren. U bent ontslagen van het verrichten van de dienst. Veel plezier met de reis naar huis. En of ik het kaartje wil laten liggen. Kennelijk doen de sarcastische klootzakken aan hergebruik.
Zijn laatste woorden
Ongelukkig
(geplaatst op 09.10.2021)
Heike strompelt het hotel in. Ze neemt de frisse geur van buiten mee naar binnen. Haar grote ogen stralen paniek uit. Haar ademhaling is gejaagd. Ze staat licht voorovergebogen, met een hand houdt ze de balie vast. De eigenaar achter de receptie, kijkt haar vragend aan. Heike begint woorden uit te stoten. Ze realiseert zich na een paar onsamenhangende zinnen, dat ze over moet schakelen op het Duits. Ze krijgt vat op haar brein en spraakvermogen. Haar ademhaling wordt kalmer.
‘U moet de hulpdiensten bellen,’ ze kijkt de man aan die haar nog steeds onwetend aanstaart. ‘Nu,’ benadrukt ze met veel kracht.
‘Waarom? Wat is er gebeurd?’ vraagt hij zonder een spoor van emotie, alsof hij vaker met hysterische hotelgasten van doen heeft.
‘Mijn vriend is uitgegleden. Ik kan hem niet bereiken,’ haar stem slaat over, ‘Hij beweegt niet meer.’
Heike beantwoordt nog een paar vragen, gesteld door de efficiënt handelende eigenaar, alvorens hij het gevraagde telefoontje pleegt. Vervolgens voelt ze dat de man haar begeleidt naar de sleetse stoel die in de hal van het hotel staat. Vanuit automatisme gaat ze zitten. Een minuut later heeft ze een glas schnaps in haar hand. De scherpe alcoholgeur staat haar tegen. Toch neemt ze een slok, laat de vloeistof even in haar mond rusten voordat ze slikt. Een warme gloed neemt bezit van haar. Ze sluit zich af van het rumoer veroorzaakt door vertrekkende toeristen.
Ze kent Dimitri vier maanden. Hij is gek op haar en wil geen tijd verspillen. Voor hem voelt het goed. Hij stelt voor om te gaan samenwonen. Of zoals hij dat op zijn meest romantische wijze kan formuleren: laten we onze boeken in één boekenkast samenvoegen. Ze doet alsof ze twijfelt en koopt tijd. Ze oppert een ultieme date: samen op vakantie gaan. Niet luieren op het strand met een cocktail in de hand, maar wandelen in de bergen. Een beetje afzien. Op die manier leren mensen elkaar pas echt kennen. We zijn niet verder gekomen dan een eerste wandeling, denkt ze.
De medewerkers van de bergreddingsdienst arriveren. Ze vragen haar naar de plek waar Dimitri is uitgegleden. Vanaf het hotel is er slechts één wandelroute richting de top van de berg. Ze ziet voor zich hoe ze het eerste uur, door een lieflijk ogende groene weide met gevlekte koeien lopen. Vrij abrupt is de overgang naar een rotsachtig pad dat steil omhoog gaat. Daar ergens, na weer een half uur lopen gebeurt het. Ze heeft geen bereik, kan niemand bellen. Wel heeft ze de helderheid van geest om foto’s te maken van herkenningspunten. Plus een wazige foto van een lichaam dat in een onmogelijke houding ligt met een donkere vlek rondom het hoofd.
Vier dagen later, vliegt Heike terug naar huis. Dimitri ligt in het laadruim. Zijn vader heeft ze kort over de telefoon gesproken. Bij aankomst zal ze het lichaam aan hem overdragen. Dat wordt de eerste kennismaking.
Heike had, na de eerste keer dat ze bij hem was blijven slapen, de toegangscode voor zijn mobiel weten te achterhalen. Het lezen van zijn berichten bevestigde wat ze al vermoedde. Dimitri was het toonbeeld van een betrouwbare man. Een tikkeltje saai. Niets hield hij voor haar verborgen, simpelweg omdat er ook niets was om geheim te houden. En nu moet ze rouwen met zijn vader. Nog even volhouden, zegt ze tegen zichzelf.
Wanneer ze zijn vader ontmoet, ziet ze een verouderde versie van Dimitri. Even is ze opgelucht, dat ze de stap om samen oud te worden niet heeft kunnen zetten. Ze schakelt snel en laat afhangende schouders zien, waterige ogen. Ze laat een snik in haar stem horen en bij stiltes bijt ze op haar nagels.
Eenmaal thuis in haar eigen woning, nog met haar jas aan, zet ze de laptop aan. Met wat klikken zet ze de keurig geredigeerde rouwpagina live op facebook. Heike opent een fles wijn, schenkt een glas vol, neemt een slok. Haar ogen fonkelen. Ze mag bij de uitvaart zijn. Nog een optreden. Zijn vader vroeg haar wat zijn laatste woorden waren. Een vloek en een gil, heeft ze geantwoord. In werkelijkheid zei Dimitri, met maaiende armen zoekend naar houvast: ‘Wat doe je nu?’
Na ruim acht uur aan een stuk door geslapen te hebben, stapt Heike zachtjes neuriënd uit bed. Nog voordat ze gaat douchen, zoekt ze de papieren bijeen en dient via de site van de levensverzekeraar een uitkeringsverzoek in.
Nadagen
Eenzaam en verbitterd
(geplaatst op 25.09.2021)
Hij is 73, versleten en bankroet.
Tijdens zijn actieve leven heeft hij vrouw en vrienden weten af te stoten.
Eenzaamheid is zijn beloning voor het harde werken, de killersmentaliteit op weg naar succes.
De van de grond af aan opgebouwde zaak is vakkundig om zeep geholpen door zijn omhooggevallen zoon, die sindsdien spoorloos is.
Verloren illusies.
Zijn dromen hebben plaatsgemaakt voor gemiste kansen.
Eten en drinken is wat hem rest.
Hoewel zijn door overgewicht gekwelde lichaam en zijn vervette lever hem waarschuwen dat pad niet te bewandelen.
Een verbitterde oude man met als enig toekomstperspectief, de volgende afspraak bij de dokter.
Waarom heeft hij juist nu veel tijd om na te denken?
Het lukt de televisie nooit lang om de malende gedachten te onderdrukken.
Krakende botten, op weg naar de koelkast, die steeds verder weg lijkt te staan.
Hij heeft afscheid genomen, maar het einde wil niet verschijnen.
Misschien kan hij het doen naderen.
Door te eten en te drinken, zal hij afsterven.
Uiteindelijk gaat hij niet meer naar de dokter toe.
Dan komt de dokter naar hem, om hem de ogen te doen sluiten.
Daarna wordt hij overgedragen aan de gemeente, als belichaming van een onbeheerde nalatenschap.
Gelukkig in lockdown
Onmogelijkheden
(geplaatst op 14.08.2021)
Hij vertelt de bakker, de kapper en het meisje achter de kassa in de supermarkt dat hij eropuit gaat. Ze knikken zonder te luisteren. Met een prik in de bovenarm en een vaccinatiebewijs in de hand, kan hij gaan en staan waar hij wil. De verworven vrijheid beklemt hem.
In lockdown, was hij alleen. Zoals altijd, maar toen met velen. Geen druk om iets te ondernemen, zonder angst om iets te missen. Nu de verbondenheid met de omgeving verbroken is, manifesteert de eenzaamheid zich in zijn hersenen.
Sporenzoeker
Terug naar toen
(geplaatst op 31.07.2021)
Ik was gelukkig in de nauwe straten van Varanasi, denkt Gerard zittend in zijn sta-op stoel. De intensiteit van een drukke, kleurrijke miljoenenstad. Op straat liet ik me meevoeren door de mensenmassa. Wanneer de sterkste stroming rechtsaf boog, ging ik automatisch mee. Ik had het gevoel dat ik deel uitmaakte van de bevolking. Hoewel ik met mijn 1 meter 93 ver boven de Indiërs uittorende.
Tijdens mijn studie had ik meerdere banen en soms op dezelfde dag. Ik leefde sober om zoveel mogelijk geld te sparen. Na vier jaar een openretour ticket Delhi gekocht met genoeg budget om het een jaar uit te houden.
Gerard staat op zonder op de knoppen van het liftmechanisme te drukken. Hoe die zoon van mij op het idee is gekomen om zo’n stoel voor me te kopen, zucht hij, het is haast een belediging. Ik ben hartstikke fit. Gerard zet koffie en nestelt zich daarna weer in de stoel met een mok in de ene hand en een koekje in de andere.
Waar was ik, vraagt hij zich af. O ja, aangekomen in India. In het begin ging ik als een gejaagde westerse toerist te keer. Zo snel mogelijk bezit nemen van de bezienswaardigheden. Het Rode Fort in Delhi, de Taj Mahal in Agra, het Hawa Mahal in Jaipur. Pas in Varanasi viel voor mij alles op zijn plek. Misschien dat het zichtbaar verbranden van lichamen, langs de oevers van de Ganges, mij het besef gaf dat het leven eindig is. Gehaast door het leven gaan, om zoveel mogelijk leuke, interessante dingen te zien en mee te maken, gaat niet samen. Zonder de tijd te nemen om het te kunnen verwerken, maakt het geen blijvende indruk. Ik heb mijn verblijf in het hostel verlengd zonder een exacte einddatum door te geven.
Het Jan Hagel koekje ligt in kruimels op zijn overhemd. Tevreden neemt Gerard een slok koffie. In gedachten is hij weer 22. Ik ben zelf de was gaan doen, staand met mijn onderbenen in de rivier. Links van me liet een man zijn buffels te water. Rechts van me stond een familie zich te wassen. De vrouwen die bezig waren grote doeken te wassen gaven lachend commentaar en hebben me laten zien hoe ik mijn shirts op de daarvoor bestemde steen moest slaan. Ik at bij de stalletjes op straat, duwde mijn achterste tussen de mannen die op een houten bank naast een open vuur zaten te lunchen. Ik deed die dagen bijna alles lopend, in plaats van me per riksja te laten vervoeren. In een straal van een kilometer rondom het hostel nam ik deel aan het dagelijks leven. De meeste mensen zagen mij niet meer als een wandelende portemonnee.
Ja, toen was ik gelukkig. Ik was fit en vitaal. In een eenvoudige kamer sliep ik goed, doodmoe aan het einde van de dag. Al mijn bezittingen pasten gezamenlijk in een rugzak, alles was mogelijk binnen de grenzen van mijn budget. Mijn dromen waren onbegrensd. Ik leidde een zorgeloos bestaan. Ik maakte dopamine aan in mijn hersenen door me te verwonderen over van alles wat ik meemaakte tijdens mijn wandelingen, de vele prikkels die ik te verwerken kreeg. Ik zie de nauwe straatjes met elektriciteitskabels overspannen, weer voor me. Apen klauteren over de golfplaten afdakjes, een koe blokkeert de steeg, de stuclaag laat los van de muren, rode vlekken van de paan op de stenen, de felle kleuren van de kleding van de vrouwen, hun goudkleurige sierraden. Ik leg honderd meter af en ruik achtereenvolgens kruiden, verbrand vlees, rijp fruit en koeiendrek.
Zal ik afreizen naar Varanasi, om daar het geluksgevoel te zoeken van mijn 22-jarige alter ego? Ik ben een krasse knar. Ik verlang nog steeds niet naar luxe, ben tevreden met de niet-designer ingerichte woning waar ik vertoef. Ik heb niet de neiging om meer bezittingen te vergaren. De spullen die ik heb, zijn doorgaans functioneel. Ik heb een pensioeninkomen waar ik van kan leven. Binnen die financiële grenzen kan ik dingen ondernemen. Ik heb nog steeds dromen, wellicht een beetje realistischer. Door dromen te hebben, is er een reden om te leven.
Gerards gedachten stokken. Heel even. Vervolgens komen ze op als inzicht: ik leid momenteel een zorgeloos bestaan. Tegenwoordig maak ik door verwondering dopamine aan door boeken te lezen, documentaires te kijken en te reizen. Weliswaar dichterbij huis. Een half jaar geleden was ik in Praag. Daar heb ik genoten van de verscheidenheid aan mensen, de goed onderhouden bezienswaardigheden, het lokaal gebrouwen bier. Ook daar heb ik een gerecht gevonden, waarvan ik de mogelijke ingrediënten niet heb kunnen achterhalen. Een streekspecialiteit uit de Bohemen. Een moeilijke eter zal beweren dat een bord kots overal verkrijgbaar is. Daarvoor hoef ik niet helemaal naar Uttar Pradesh. Dichterbij huis heeft als voordeel, dat de wc en de apotheek nooit ver weg zijn.
Denkend aan zijn leven nu, met de herinneringen aan toen, doen hem glimlachen en zijn ogen glinsteren. Hij maakt de balans op: tevreden zijn in het nu, met af en toe het vooruitzicht op een reisje. Volgens mij ben ik tegenwoordig ook gelukkig, constateert Gerard.
Kassameisje
Zwaar werk
(geplaatst op 17.07.2021)
Te vroeg om te werken. Te vroeg voor de avond die ze heeft beleefd. Ze probeert de drankjes van vier uur geleden binnen te houden. Geen oog voor de klanten. Geen oog voor de boodschappen. Het gepiep van het scannen dreunt door in haar hoofd. Ze werkt op de automatische piloot. Als ze het haalt, heeft ze over twee uur pauze.
‘Die is voor jou,’ hoort ze iemand zeggen.
Ze heeft een pakje paracetamol in haar handen. Als ze opkijkt, ziet ze de jongen van gisterenavond.
Het uitzichtloze feest van de herhaling
Verlangen
(geplaatst op 03.07.2021)
Hij houdt niet van de man die hij is.
Drankzuchtig. Egoïstisch. Een aan kelderkoorts lijdende autist.
Alles moet volgens zijn plan verlopen. Met een borrel als stip op de horizon.
De boog is strak gespannen tot het glas gevuld is.
Na het ontwaken, straffe koffie met paracetamol, eieren met spek en drie keer toilet.
Een kwartier douchen. Mint geurend gebit en dito lichaam, moeten de geur van verderf maskeren.
Verkoelende gezichtsgel voor de vale huid.
Het huis aan kant een lijstje in de hand, langs glasbak en supermarkt.
De flessen klingelen in de tas. Het bier gaat de koelkast in, de wijn wordt ontkurkt. De dag van gisteren herhaalt zich, gelijk de dag van morgen zich zal afspelen.
Eventjes is daar een sprankje hoop, zo na het eerste glas.
Hoop, dat hij ooit iemand anders kan zijn.
Woest aantrekkelijk
Atypische man
(geplaatst op 19.06.2021)
Hij eist de regie niet op, wanneer de barbecue aanstaat.
Hij hoeft niet persé elke dag vlees op zijn bord.
Hij brandt liever niet zijn vingers, aan houtblokken stoken in een vuurkorf.
Hij laat nooit boeren in het openbaar.
Hij zit niet wijdbeens met zijn hand in zijn broek op de bank, onderuitgezakt tv te kijken.
Hij kan niet urenlang over voetbal praten.
Hij heeft een hekel aan wildplassen buiten de deur en thuis plast hij altijd zittend.
Eigenaardigheden die menig vrouw kan waarderen.
Toch lukt het hem niet om een langdurige relatie te onderhouden. Na verloop van tijd nemen de dames afscheid met als meest gehoorde reden: het is alsof ik met mijn beste vriendin samenleef. Ze verrassen zichzelf met de constatering op zoek te zijn naar een overduidelijke man met onhebbelijkheden. Om zijn kansen te vergroten, gaat hij van na af aan, al boeren latend door het leven.
Zonderling
Een verzonnen partner
(geplaatst op 05.06.2021)
Maandagochtend in de trein de verslagen van de voetbalwedstrijden op Teletekst lezen en Dirk kon meepraten bij het koffieapparaat. Hij hoefde geen verhalen over thuis te vertellen, omdat daar niet naar gevraagd werd. Verder waren alle gesprekken met hem werk gerelateerd.
Nu hij al maanden niet meer naar kantoor mag en beeldbellen de standaard is geworden, heeft de leiding besloten, om het iets persoonlijker te maken. Elk teamoverleg eerst even stil staan bij eenieder. Hoe is het met je? Hoe was je weekend? Heb je nog iets meegemaakt?
In eerste instantie deelt hij slechts wat algemene informatie. ‘Het was mooi weer. Lekker buiten geweest.’ Dat hij niet verder dan de supermarkt is gekomen en de rest van de dagen binnen is gebleven laat hij achterwege. Dirk vertelt ook niet dat hij een fervent legger van puzzelstukjes is. Anderen zijn scheutiger met het delen van persoonlijke informatie. Over hun hobby’s. Het wel en wee van de kinderen, hun partner.
Het kan niet uitblijven. Ruim drie jaar zijn ze een samengesteld team, en nu wordt via een beeldscherm gevraagd: ‘Hoe is eigenlijk jouw thuissituatie, Dirk?’ In een fractie van een seconde, met een schuin oog op de kattenmand gericht, noemt hij Debbie als zijn vriendin. Geen kinderen, voegt hij daar nog aan toe. Op niet werkdagen is de poes het enige aanspreekpunt in huis. Soms gaat hij een boodschap doen zodat in ieder geval de kassière bij het afrekenen eventjes wat woorden tot hem richt.
Eerst nog afgemeten, maar naarmate de thuiswerkmaanden zich aaneenrijgen, raakt hij bedreven in het vertellen van verhalen. Hij heeft samen met Debbie op een avond alle afleveringen van een detectiveserie gekeken. Dat ze spinnend naast hem op de bank lag, vertelt hij er niet bij. Hij heeft samen met Debbie uitgebreid gegeten. Dat hij aan de keukentafel zat en zij schrokkend boven de bak naast de koelkast, houdt hij voor zich.
Het gaat hem goed af. Dirk kan zondagmiddag al uitkijken naar het teamoverleg van maandagochtend. Hij groeit in zijn rol, de persoonlijke details breiden zich uit. Hij schrijft in een schriftje op wat hij over zijn personages vertelt.
Deze maandag vertelt hij dat Debbie afgelopen weekend ziek was. Nee, geen corona. Hij moest wel met haar naar de arts. De symptomen van een lichte vorm van niesziekte vervangt hij door een omschrijving van ‘iets verkeerd gegeten hebben’.
Nadat iedereen aan de beurt is geweest komt de teammanager aan het woord. Binnenkort mogen ze weer naar kantoor komen. De leiding lijkt het een leuk idee, nu eenieder elkaar zo goed heeft leren kennen via het beeldscherm, om zo snel mogelijk een teamborrel te organiseren. Bij elkaar komen in levenden lijve. Met aanhang. Dirk klikt twee keer met zijn muis, daardoor ziet niemand de ontzetting op zijn gezicht en hoort alleen Debbie de serie luide vloeken.
Hobby
Tijd stukslaan
(geplaatst op 22.05.2021)
Barbara vindt het heerlijk wanneer hij er niet is. Het rijk voor zich alleen. Niet dat ze veel ruimte inneemt, maar ze wordt in ieder geval niet gestoord. In alle rust kan ze de Taj Mahal vormgeven in ministeck uitvoering. Ze stelt zich voor dat zij daar loopt, over het witmarmeren platform. Een ultieme liefdesverklaring in de vorm van een graftombe. Melancholie vermengt met romantische sentimenten. Hij wil nooit ergens naar toe, denkt ze. Last van heimwee.
‘Waarom zoek je niet een hobby? Zo dadelijk ben je met pensioen.’ Barbara kijkt haar man aan.
‘Wat moet ik met een hobby?’ reageert hij, alsof hij ergens van wordt beschuldigd.
‘Tijd stukslaan.’ Dat ze er tegenop ziet, om hem constant om haar heen te hebben, vertelt ze hem niet.
‘Misschien ga ik vissen,’ zegt hij smalend.
‘Daar heb ik je nog nooit over horen praten.’ Ze negeert de spot in zijn stem.
‘Weet ik je toch weer te verrassen,’ zegt hij met zijn wenkbrauwen half opgetrokken.
‘Je houdt toch van treintjes? Verleden jaar ben je nog naar zo’n beurs geweest. Met Klaas die er helemaal lijp van is.’
‘Treintjes? Modelspoorbouw, zul je bedoelen.'
‘Ja, dat mag ook. Leg zo’n baan aan op zolder. Ruimte zat.’ Barbara ziet haar man denken, een diepe frons over zijn voorhoofd. Nu moet ze hem even met rust laten, weet ze.
‘Dat is best een goed idee,' zegt hij na een paar minuten. ‘Ik kan ook het landschap aanleggen en huizen in elkaar zetten.’
Een week na zijn afscheid op het werk, komt de vrachtwagen van de bouwmarkt voor rijden. Een bestelling hout wordt op de stoep gezet. John is de hele dag bezig om de platen en balken naar boven te sjouwen. De volgende dag hoort Barbara hem de trap af stommelen. Hij moppert.
‘Van jou moet ik een hobby nemen en nu moet ik pijn lijden.’
‘Stel je niet zo aan,’ snauwt ze. ‘Je lichaam geeft aan dat je meer zou moeten bewegen. Nu krijg je al spierpijn van een paar keer de trap op en neer lopen.’
‘Hoelang blijf je hier zitten?’ vraagt Barbara.
‘Ik lees de krant.’ Hoort ze hem zeggen vanachter het dagblad.
‘Weer de hele ochtend?’ Ze kijkt naar de vetgedrukte koppen op de voorpagina.
‘Mag dat niet? Ik kom graag belezen over.’ John slaat, met veel geritsel gepaard gaande, een pagina om.
‘Zou je niet eens wat gaan doen met al dat hout? Het staat nu al twee weken te wachten.’ Ze kan niet zien of een frons op zijn voorhoofd aftekent. Ze besluit voor nu te zwijgen. Die middag hoort ze door het trapportaal het geluid van een zaag en de radio.
Hij maakt een tafelconstructie die de halve zolder beslaat. Een vloer van houten platen op schragen. In het midden een gat. Onder de constructie doorkruipen en door de opening naar boven komen. Vanuit die positie kan hij rechtop staan en de aan te leggen spoorlijn gaan managen, zijn koninkrijk regeren.
Zodra de tafel staat en de spoorlijn ligt, is het landschap aan de beurt. Hij eist een stuk van de eetkamertafel op, om bouwpakketten in elkaar te zetten. Barbara schuift de potjes ministeck naar zich toe. Allebei scheppen ze een eigen wereld. Hij is bezig met een stationsgebouw, zij met het Colosseum. Rome. Dichter bij huis, denkt ze. Of net zover weg als de graftombe in India.
Na een half uurtje begint hij te foeteren: ‘Ze maken de stukjes te klein.’
‘Het heet toch niet voor niets modelbouw op schaal,’ zegt Barbara.
Hij vloekt. Een raam kleeft aan zijn vingertop in plaats van aan het gebouw.
‘En die muziek die je op hebt gezet. Ik krijg er de zenuwen van.’
‘Ik houd van Tom Jones,’ zegt ze. Dat is nog eens een man, denk ze. Met hem het Colosseum bezoeken. Ze zucht. Als ik hem ooit kan ministecken, dan krijgt hij een speciale plek aan de muur. Haar dagdroom wordt ruw verstoord.
‘Steek niet de ene sigaret aan met de andere.’ Hij is nog niet klaar met klagen. ‘Ik kan vanwege de rook niet zien waar ik mee bezig ben.’
Barbara is niet van plan om de door hem gevulde gifbeker leeg te drinken. Jezus, denkt ze. Hoe krijg ik hem de kamer uit? Na een half uur is hij gekalmeerd. Ze betrapt hem op het mee neuriën met het nummer Green, green grass of home. Ze acht de tijd rijp en zegt enthousiast: ‘Bouw anders je eigen mancave op zolder.’
‘Een wat?’ Hij kijkt haar aan met een wenkbrauw opgetrokken.
‘Een eigen domein. Verboden voor onbevoegden. De hele zolder, niet alleen voor de spoorwegbaan. Nee, plaats er ook een werktafel, een stoel en waarom niet, een koelkast.’
‘Wat gebeurt er met het wasgoed? Ik kan het niet hebben dat jij op zolder de was ophangt, terwijl ik mij concentreer op de aanleg van een complexe wissel.’
‘Begrijp ik schat.’ Ze legt haar hand bovenop die van hem. ‘Daar wil je niet bij gestoord worden. Het rekje voor de was zet ik in de logeerkamer. Geen probleem.’ De frons op zijn voorhoofd wordt zichtbaar.
‘Ja, ja, dat lijkt me wel wat,’ mompelt hij even later.
Hij creëert een landschap met Zwitserland in gedachte. Eén week zijn ze daar geweest. Met de trein. Op huwelijksreis. Vreselijk vond hij het. Hij miste zijn oude vertrouwde omgeving, zijn bruine boterham met kaas. Wat hem wel beviel was het aangeharkte landschap. Netjes, ordelijk. Zo richt hij zijn wereld in.
Lijmresten kleven aan zijn vingers. Hij heeft net een laatste vakwerkhuis in elkaar gezet en in het landschap geplaatst. De omgeving is ingericht. Elf uur ’s ochtends. Hij pakt een flesje bier uit de koelkast, opent het en neemt een flinke slok. Hij overziet zijn wereld.
‘Wat is gepensioneerd zijn saai,’ zucht hij. Hij denkt er over na om zo dadelijk de trein te laten ontsporen, zodat de hulpdiensten in actie moeten komen. Een beetje leven in de brouwerij. Niet iedereen zal het overleven, denkt hij met een grijns op zijn gezicht. Met de fles in zijn hand kruipt hij onder het landschap door naar de opening, om daar als God te verschijnen.
Voltooid leven
Balkonscène
(geplaatst op 08.05.2021)
Het is een zonnige, frisse dag. Met iets van een geluksgevoel loopt Per door de buitenwijk van de stad. Links van hem een flatgebouw. Hij ziet op de derde verdieping, op de galerij voor een gesloten voordeur, een eenzame rollator staan. Als vanzelf kijkt hij even naar de stoep die zich langs het gebouw bevindt. Heeft zojuist de slotakte van een voltooid leven zich voltrokken?
Identiteit vormen
De overtuiging van de buitenwereld
(geplaatst op 24.04.2021)
‘Ik ben een rustige jongen. Kan goed luisteren. Ben in voor een praatje,’ zegt Bryan tegen mevrouw Broekema, HR manager van verzorgingstehuis De Duinrand. ‘Ik vind dat jongeren die daartoe in staat zijn, vrijwilligerswerk moeten verrichten. We zijn op de wereld om elkaar te helpen.’ Bryan heeft zo vaak geoefend op deze zinnen, dat hij ze overtuigend weet uit te spreken.
‘Bryan Bakker, toch?’ vraagt mevrouw Broekema.
‘Ja, dat klopt.’
‘Heb jij in de klas gezeten bij mijn zoon Arjen?’ Mevrouw Broekema kijkt op van het formulier en kijkt Bryan indringend aan.
‘Dat zou kunnen. Ik ben niet zo goed in het onthouden van namen.’ Bryan krijgt een rood hoofd. Arjen was een gewillig slachtoffer. Een zachtaardige jongen, met verkeerde kleding, een bril met hoornen montuur en een onnatuurlijke vergroting van de ogen achter de dikke glazen. En hij was in het bezit van een leren schooltas die regelmatig op het dak van het fietsenhok belandde.
‘Je hebt je diploma, lees ik hier.’ Bryan heeft het aanmeldingsformulier voor vrijwilligerswerk netjes ingevuld.
‘Klopt. Ben ik blij mee,’ zegt hij. Hij denkt aan zijn voormalig conrector, de heer Gillissen.
‘Ik heb een en ander over jou en je ouders gehoord. Dat begrijp je wel.’ Met een schamper lachje kijkt ze hem aan.
Bryan wordt herinnerd aan de schooltijd die hij probeert te vergeten. Vaak was hij afwezig. Expert in het verzinnen van smoezen. Meester in het zetten van de handtekening van zijn moeder. Wanneer hij zich wel onder zijn klasgenoten begaf, was hij vaak brutaal tegen de leerkrachten en fysiek tegen de leerlingen. Alles onder het mom van een geintje. Er werd zelden om gelachen. Dikwijls mocht hij zich gaan verantwoorden bij meneer Gillissen. De frequentie kon oplopen tot vijf keer per week. Bryan begon de bezoekjes te waarderen. Nooit verloor deze man zijn geduld. Met zijn steun is het Bryan gelukt zijn diploma te halen.
‘Hoe gaat het met je ouders?’ hoort Bryan mevrouw Broekema vragen.
Hij ziet zijn ouders voor zich. Zijn vader werkloos, draait de ene na de andere sigaret. De dag brengt hij door voor de tv, in een eikenhouten fauteuil met brede armleuningen en leren bekleding. Zijn moeder, arbeidsongeschikt en dus alcoholist. Of is het andersom? Zij zit op de bij de stoel passende bank. Aan de rechterkant, duidelijk zichtbaar door het ingezakte kussen en de versleten bekleding. Ze kijken niet naar hem om. Hoogstens bij klachten. Als de klassenmentor belt met de vraag of Bryan misschien ziek is, want hij was niet op school. Of als de politie voor de deur staat omdat Bryan betrokken zou zijn bij het beschadigen van een bushokje door het afsteken van zwaar vuurwerk.
‘Ik woon inmiddels op kamers. Ik leef mijn eigen leven, heb af en toe contact met ze. Ik werk doordeweeks bij een tuinder twee dorpen verderop. Hij is erg tevreden over me. En voor mijn buurvrouw doe ik de zware boodschappen, omdat ze met de rollator niet zo goed uit de voeten kan.’
‘Ja best,’ zegt mevrouw Broekema cynisch. ‘Ik weet genoeg Bryan. Ik kan natuurlijk tegen je zeggen dat we op dit moment geen vrijwilligers zoeken, maar dat is bezijden de waarheid. Ik zal eerlijk tegen je zijn. De oudjes zullen het waarschijnlijk prima vinden wanneer jij hun rolstoel komt duwen. De oudjes hebben echter kinderen. Deze kinderen zijn van mijn leeftijd. Zij kennen de verhalen over jou en je ouders. Ik kan het risico niet lopen dat zij klagen over de reputatie van de vrijwilliger die hun ouders helpt. Dat straalt negatief af op het verzorgingstehuis.’
‘Dat ik inmiddels iemand anders ben dan die jongen van vroeger, doet er niet toe?’ De verbazing klinkt door in Bryans stem.
‘Bryan, de omgeving waar je bent opgegroeid en de wijze waarop anderen tegen jou aankijken, bepalen jouw identiteit. Dat je op dit moment een andere weg bent ingeslagen wordt door de buitenwereld hoogstens gezien als atypisch gedrag dat te verwaarlozen is. Jij bent en blijft een onrustoker.’ Bryan voelt dat mevrouw Broekema hem met een zekere genoegdoening afwijst.
Wanneer Bryan even later naar buiten loopt, heeft hij voor het eerst sinds jaren behoefte om iemand af te tuigen, bij voorkeur Arjen.
Verzorgen om te veranderen
De aard van het beestje
(geplaatst op 10.04.2021)
‘Kijk dan. Wat is het toch een schat.’ Monique knikt met haar hoofd in de richting van Sjoerd, die de afdeling komt oplopen. Monique staat in de opening van het keukentje, plastic beker met thee in haar hand. Samen met Cindy van twee verdiepingen lager, houdt ze pauze. Zij heeft er al een paar uur werk opzitten. ‘Zo aandoenlijk,’ gaat ze verder, ‘hoe die man zich maandagochtend naar kantoor sleept. Onwillig haar. Dikke wallen. Fletse ogen. Het is gewoon een lieverd. Hoe heeft zijn vrouw hem kunnen verlaten?’
‘Wat zie je toch in hem?’ vraagt Cindy van twee verdiepingen lager.
‘Ach Cin, je zou hem op onze teamuitjes mee moeten maken. Ik vind het heerlijk om naast hem te zitten. Ik aan de zoete witte wijn, hij aan het speciaalbier. Hij praat honderduit. Hij kliert met de jongens van de afdeling en stelt verdiepende vragen aan mij. Een man die oprecht geïnteresseerd is,’ verzucht Monique.
Even later zit ze achter haar bureau. Ze probeert onopvallend naar hem te kijken. In gedachten mijmert ze verder. Er is niemand om voor hem te zorgen. Zou hij mij toelaten om die rol op me te nemen? In eerste instantie op afstand. Elke relatie ontstaat op afstand. Hij woont niet ver weg. Ik kan zondagmiddag eten brengen. Even een praatje aan de deur. Ik kan hem aanbieden om hem de volgende ochtend met de auto op te halen. Dan rijden we samen naar het werk. Dat scheelt voor hem een reis met de trein. Hoeft hij ook niet chagrijnig aan te komen. En wie weet heeft hij zin om een keer met mij te lopen. Nu gaat hij nog de uitdaging aan om met zijn mannelijke lijf op een fragiele racefiets tochtjes te ondernemen. Mij niet gezien. Nee, ik zie ons samen wandelen door het bos.
Zondag om een uur of vier. Monique staat voor een woning. In haar hand een Tupperware doos, condens aan de binnenkant. Ze kijkt vluchtig om zich heen. Niemand te zien. Ze drukt op de bel. Ze hoort een stem, lawaai, er valt iets om. Ze ziet door het melkglas van de voordeur de contouren van een lichaam naderen. De deur gaat open.
‘Hoi Sjoerd. Ik was in de buurt en dacht ik bel even bij je aan. Ik heb wat te eten voor je meegebracht. Het is nog warm.’ Sjoerd kijkt haar lodderig aan. ‘Nu er niemand is die voor je kookt, is het wel eens fijn om een gezonde maaltijd aangereikt te krijgen, lijkt mij.’
‘OK. Je weet kennelijk waar ik woon.’ Sjoerd trekt een grimas die Monique interpreteert als een glimlach. Hij pakt de plastic doos aan, die ze met een uitgestrekte arm aanbiedt. ‘Dankjewel,’ mompelt hij. ‘Lief van je. Ik laat je mogen weten wat ik er van vond.’ Hij maakt aanstalten om de deur dicht te doen.
‘Wacht nog even.’ Ze doet een stap naar voren, alsof ze van plan is een voet tussen de deur te zetten. Nu, moet ik doorzetten, denkt Monique. Zeg het! ‘Zal ik je morgenochtend oppikken met de auto?’ Ze ruikt een lichte alcoholnevel, afkomstig uit de gang. ‘Ik ga altijd vroeg naar kantoor, dan is er nog plek om te parkeren. Voor mij is het geen moeite om langs je huis te rijden. Scheelt jou een martelgang met het OV. Althans de heenreis. Terug moet je natuurlijk nog wel met de trein, want ik werk halve dagen, zoals je weet.’ Monique praat gejaagd.
Sjoerd knippert een paar keer met zijn ogen. ‘Eh… ja, is goed. Denk ik.’
‘Leuk. Ik sta kwart voor zeven voor je deur.’ Monique draait zich resoluut om, zonder Sjoerds reactie te peilen. Bang dat hij zich bedenkt.
De volgende ochtend belt ze weer bij hem aan. Vrijwel direct ziet ze Sjoerds gestalte groter worden. De deur gaat open.
‘Goedemorgen,’ zegt ze vrolijk. Ze heeft zorgvuldig haar kleren uitgekozen, kostbare parfum, normaal gesproken voor feestdagen, opgespoten.
‘Hoi,’ hoort ze Sjoerd zeggen.
Ze ziet dat hij de kleren van gisteren draagt, dat zijn wallen nog lager hangen dan normaal. In de auto zet ze de ventilatie aan. Hij ruikt enigszins muf. Kan deze man wel voor zichzelf zorgen, vraagt ze zich af.
‘Hoe vond je het eten?’ wil Monique weten.
‘Gezond.’ Ze kijkt opzij. Ze ziet hem met het hoofd naar rechts gedraaid. Hij kijkt uit het raam. ‘Fijn dat ik een keer niet zelf hoefde te koken,’ voegt hij er nog aan toe.
‘Graag gedaan. Je houdt van fietsen, toch?’
‘Van wielrennen ja.’
‘Dat is niets voor mij. Op mijn leeftijd begin ik daar ook niet meer aan. Misschien kunnen we een keer een wandeling maken. Wandelen vind ik wel leuk.’
‘Dat kunnen we wel een keer doen, denk ik,’ reageert Sjoerd.
‘Zaterdagochtend? In het bos liggen er mooie routes op ons te wachten.’
‘Als het niet regent,’ sputtert Sjoerd.
Monique leidt. Zij geeft het tempo aan. Driftig prikt ze met haar stokken bij elke stap die ze zet. Sjoerd loopt schuin achter haar. Ze hoort hem hijgen. Ik zorg voor je, denkt ze. Gezonde maaltijden, meer bewegen. Na een paar maanden zal je je herboren voelen. Ondertussen praat ze over werk, gezond eten en veel bewegen.
Na een cyclus van vier weken, wanneer Sjoerd na een wandeling door Monique voor de deur wordt afgezet, vertelt hij haar door het openstaande autoraam dat hij haar inruilt voor Peter. Althans dat is wat zij verstaat. Op maandagochtend, moppert Monique tegen Cindy van twee verdiepingen lager, over hoe ondankbaar Sjoerd is.
‘Ik was zijn taxi naar kantoor. Ik heb hem aan de gezonde maaltijden gekregen. Ik heb hem geleerd om meer te bewegen. En als dank schuift hij mij doodleuk opzij, voor een vriend. Die waarschijnlijk ook gedumpt is door zijn vrouw, als hij ook maar een beetje op Sjoerd lijkt.’
‘Hij lijkt anders wel herboren,’ zegt Cindy van twee verdiepingen lager, terwijl ze knikt in de richting van Sjoerd. Het is bijna tien uur wanneer hij met wapperende haren, fluitend de afdeling komt oplopen.
*
Wat een lijdensweg, denkt Sjoerd. Ik haat de maandagochtend. De kater, de overvolle trein. Nou ja, ik heb het weer gehaald. Hij sloft de afdeling op. Vanuit zijn linkerooghoek ziet hij Monique de opening van het keukentje blokkeren. Ze staat weer te smoezen met haar vriendin, denkt Sjoerd. Gewoon negeren. Ik ga zo dadelijk wel koffie halen.
Wanneer hij zijn derde kop koffie in de hand heeft en voor het eerst die ochtend van achter zijn bureau om zich heen kijkt, ziet hij Monique met een dromerige blik in haar ogen, vanachter een stapel dossiers, naar hem kijken. Hij voelt een rilling over zijn rug lopen. Misschien moet ik bij een volgend teamuitje eens naast iemand anders gaan zitten, denkt hij.
‘Godver.’ De vloek ontsnapt aan Sjoerds mond. Wie belt er aan, op het moment van de ontknoping van de voorjaarsklassieker, vraagt hij zich af. Hij zet het beeld stil. Met moeite komt hij overeind en schopt daarbij een leeg blik bier om. Langzaam schuifelt hij door de gang. Hij opent de deur. Zijn mond valt open. Daar staat Monique. Met een plastic doos in haar hand. Hij luister naar een voor hem onsamenhangend verhaal. Het speciaalbier heeft zijn hersenen bereikt, nu hij vanuit een liggende drinkhouding zich naar de voordeur heeft begeven.
Hij knikt, bedankt. Doet de deur dicht. Hij kijkt verbouwereerd naar de doos in zijn hand en langzaamaan dringt het tot hem door dat hij morgenochtend om kwart voor zeven wordt opgehaald. Na een paar biertjes is het moeilijk smoezen verzinnen, constateert hij. Hij loopt naar de keuken. Hij licht de deksel van de doos en ruikt voorzichtig. Hij haalt tegelijk zijn schouders en zijn neus op. Tofu, gokt hij. Met een groenteprutje. Hij kiepert de inhoud van de doos in de pedaalemmer. Vervolgens draait hij aan de knop van de friteuse, waarvan het gele lichtje begint te branden. Gezellig, denkt hij. Tijd voor bitterballen. Terug naar de finale op tv.
Ik kan me niet herinneren wanneer ik voor het laatst zo vroeg op maandagochtend ben opgestaan. Ik had natuurlijk nooit ja moeten zeggen. Toen hij om drie uur wakker werd, is hij verhuisd naar bed. Om tijd te besparen heeft hij zijn kleding aangehouden. De wekker op half zeven gezet. Net een kwartier de tijd, om zijn hoofd onder de kraan te houden, tandpasta door zijn mond te gorgelen, het toilet te bezoeken en zichzelf verwijten te maken.
Hij zegt Monique gedag. In de auto went hij zijn hoofd af. Hij probeert zo weinig mogelijk richting haar te ademen. Hij kijkt naar buiten en rolt met zijn ogen. God, ik word onpasselijk van die parfumlucht. En nu wil ze met me wandelen, denkt hij. In ruil voor het eten en de autorit. Ik moet wel. Hij hoort zichzelf zeggen dat ze dat wel een keer kunnen doen. Wanneer hij samen met haar het kantoorgebouw in loopt, begint hij vast met bidden voor slecht weer op zaterdag.
Zijn gebeden worden niet verhoord. Hij mag met haar door het bos gaan wandelen. Sporty Spice Monique, met waterdichte wandelschoenen, stokken in haar hand en iets dat lijkt op een afritsbroek. Met een rood hoofd en zweet op de rug, hijgt hij achter haar aan. Sjoerd houdt zijn jas aan. Hij schaamt zich voor de natte plekken. Hij heeft geen oog voor de omgeving, ziet uitsluitend de derrière van Monique. Ze praat aan een stuk door, maar hij verstaat haar niet. Dit is niet te vergelijken met fietsen, denkt hij. Op de fiets kom ik tenminste door inspanning tot rust.
In plaats van zwakke enkels, een groetenallergie en wagenziekte op te voeren, heeft Sjoerd eindelijk na vier weken, in een helder moment, een voor alle situaties toepasbaar excuus bedacht: zijn imaginaire vriend Peter.
‘Sorry Monique. Dit was de laatste wandeling samen. Mijn vriend Peter doet een beroep op me. Voor hem is het vrijgezellenbestaan nieuw, na twintig jaar huwelijk. Ik heb al wat maanden ervaring.’ Hij kijkt naar haar voorhoofd, niet naar haar ogen. ‘Op zaterdag ga ik met hem fietsen. Kop in de wind. Lichamelijk afzien, om geestelijk in het reine te komen. Op zondag willen we ons onderdompelen in drank en zelfmedelijden, terwijl we sport kijken en ongezond eten.’ Sjoerd geeft een knipoog. ‘Het is beter dat ik op maandag niet al te vroeg op sta. Ik kies daarom voor de trein. Het is even niet anders. Hij heeft me nodig.’
Na een zondag ongestoord tv-kijken en een reis richting kantoor zonder geleuter, valt het Sjoerd op, bij het naar binnenlopen van het kantoorgebouw, dat zijn ochtendhumeur ontbreekt. Met een bevrijdend gevoel komt hij fluitend de afdeling op.
Klitten
Bamping
(geplaatst op 27.03.2021)
Voorjaar. Grote schoonmaak. Een einde aan de winterslaap. Een einde aan de relatie. Als overtollig vet ben ik verwijderd. Ik ben weer vrijgezel. Omdat ik nooit iets onderneem. Omdat ik haar niet meer een speciaal gevoel geef, afstandelijk ben. En al moet ik er aan wennen om alleen te zijn in het huis, het is wel mooi mijn huis. De gedachten van Bryan zijn slechts op een ding gericht. Hij zit op de grond, met zijn rug tegen de gestucte muur. De poten van de hoekbank nog zichtbaar in het tapijt. Misschien haal ik mijn lp-verzameling naar beneden om de ruimte te vullen. Misschien neem ik een hond. Eentje met van die grote donkere trouwe ogen. Eentje die onvoorwaardelijk van mij houdt.
Ik heb behoefte aan afzondering, reflecteert Bryan. Na een uitgebreide zoektocht op internet, gooit hij de volgende morgen de tent en kooktoestel in de auto en rijdt naar Schotland. De Hooglanden. Prachtige natuur, ruig, hier en daar een dorpje, weinig mensen. Mijn vrienden zijn begripvol en attent, denkt Bryan, maar ik wil hun opbeurende praat eventjes niet horen. Ik wil alleen zijn met mijn gedachten, in een omgeving waar ik niet met haar ben geweest.
Op de boot praat hij met niemand. Hij trekt zich terug in een stoel, achter een boek. Af en toe neemt hij een slok uit een plastic Spa blauw flesje, gevuld met whisky. Hij grinnikt en denkt: een variant op heimelijk drinken uit een fles gehuld in een bruine papieren zak, zoals je wel in Amerikaanse films ziet. In beide gevallen weten omstanders dondersgoed dat je geen groene thee zit te drinken.
De eerste nacht op het eiland slaapt hij in de auto. Hij wil zijn tent pas opzetten wanneer hij het uiterste noorden heeft bereikt. Het verste punt. Daar kan hij blijven, of langzaam afdalen. Wat de tijd hem ingeeft. Hij rijdt over single track roads, door een bergachtig gebied, door valleien, langs meren. Afwisselend een zachtgele zon tegen een lichtblauwe lucht, welke vervolgens plaats moet maken voor donkere wolken met heftige buien. Ter versterking van zijn gemoed en het steeds veranderende uitzicht schalt klassieke muziek uit de speakers. Zacht vioolspel dat langzaamaan zwelt tot een bombastische symfonie. Met tranen in zijn ogen roept hij uit: ‘Het is heerlijk om alleen te zijn. Wat heb ik nu werkelijk nodig?’
Hij bereikt de camping. Zorgvuldig uitgezocht. Alleen door berichten van anderen op internet te achterhalen. Je kunt niet vanuit je luie stoel reserveren. Back to basic kamperen. Hij vindt het jammer dat er alweer een woord voor is bedacht: bamping. Met rust als thema. Een animatieteam zal je hier in het hoogseizoen niet tegenkomen, meent Bryan. Graag wel een sanitair blok. Mag provisorisch geknutseld zijn. Zonder douche, of een koude douche, maakt mij niet uit. Zolang er een mogelijkheid is om in beslotenheid te ontlasten. Meer vraag ik niet. Nou ja, die rust dus.
De plaats bestaat uit een glooiend gras- en steenachtig terrein, een terrasvormig gedeelte langs de hoge kust. Op de smalle langgerekte strook staat halverwege het door Bryan gewenste sanitaire blok. Vanaf het terrein uitzicht op de over het zandstrand rollende golven. Dichtbij de camping is een winkel annex pub, vertelt de eigenaar met een glimlach.
Een uur later zit Bryan op een uitgeklapte stoel voor zijn tent, met uitzicht over zee, een glas in de hand. Hij fluistert: ‘Ik ga hier nooit meer weg’.
Hij schrikt wakker van een geluid, dat even later dat van een neerdalende rubber hamer op een haring blijkt te zijn. Bryan knippert met zijn ogen, draait zijn hoofd in de richting waar nu ook stemmen vandaan komen. Hij ziet buren. In het Duits wordt hij goedemiddag gewenst.
Op deze strook land, waar elke plek een eerste rang uitzicht heeft op zee, waar het van elke plek niet ver lopen is naar het sanitaire blok, hebben de enige andere gasten besloten om hun tent pal naast die van mij te zetten. Waarom deze groepsvorming, dit kuddegedrag, vraag Bryan zich af. Oh, daar staat één van ons. Laten we daar naast gaan staan. Ik voel me niet voor het hoofd gestoten. Ik voel me geen paria, wanneer ze niet hun tent naast die van mij opslaan. De emotionele behoefte van de buren om tot de ‘groep’ te behoren. Slechts door hier te overnachten is er al sprake van associatie en sociale acceptatie. We delen immers de passie van bamping. Daarvoor hoef je niet op mijn lip te gaan zitten. En hoe verhoudt de minieme afstand tot elkaar, zich tot het thema rust? Als ik een bescheiden wind laat klappert hun tentdoek. Godver, dan nog liever de confronterende stilte thuis.
Excuushond
Go walkabout
(geplaatst op 13.03.2021)
‘Als ik weer naar kantoor mag, is Henk zindelijk. Bovendien is Henk een goed excuus om naar buiten te gaan, ook tijdens de avondklok,’ zegt John tegen de buurman.
En dat doet John. Hij loopt in het donker met de labradoodle naar de afgelegen loods op het industrieterrein, waar de dames hun klanten ontvangen.
Flegmatiek
Irritant
(geplaatst op 27.02.2021)
We gaan meestal bij hem op bezoek. Het maakt hem niet uit, geen partner om rekening mee te houden. Hij heeft speciaal voor ons een voorraad drank en eten aangelegd. Blijkt daaruit dat hij onze bezoekjes waardeert? Of heeft hij zich een sociale gedragsregel eigengemaakt? Bart en Stefan kunnen langskomen, zij houden van bier en chips, bier en chips in huis hebben: check.
Sander is vriendelijk, maar afstandelijk. Een boom van een kerel, met een rode bos krullen. Vroeger vaak gepest, denk ik. Ik stel hem voor als puber. Een slungelige gozer met rood haar en een zachtaardig karakter. Een gemakkelijk doelwit. Wanneer we naar zijn jeugd vragen, laat hij daar niet veel over los. Hij is meester in het stellen van de wedervraag, waar we gretig op ingaan. Zeker na een paar biertjes. Bart en ik hebben wel partners. Thuis komen we niet zo aan praten toe.
Sander lijkt supercool. Heeft geen deodorant nodig. Verschiet niet van kleur. Kent geen angst of frustratie. Tragische gebeurtenissen kleven niet aan hem. Mooie eigenlijk ook niet. Hij is niet zichtbaar verdrietig. Hij is niet zichtbaar blij. Hij wordt niet boos, verheft zijn stem niet. Hij raakt niet bevlogen, gaat niet sneller praten. Hij vertelt geen sterke verhalen om indruk te maken. Zijn lach schatert niet. Hoogstens produceert hij een flauwe glimlach op zijn gezicht.
Wanneer Bart en ik discussiëren en om zijn mening vragen, blijkt hij die niet te hebben. Hij is de diplomaat. Mister Switzerland. Neutraal. Aan die schijnbare onbewogenheid kan ik aanstoot nemen. Ik wil hem met de vuist op tafel zien slaan. Of de tranen in zijn ogen zien van het lachen. Of hem gepassioneerd een verhaal horen vertellen. Hij is ongrijpbaar. Ik wil dat iets hem raakt.
Ik heb een minuscule camera geplaatst in zijn woonkamer en een voodoo poppetje van hem gemaakt. Vooral de haardos is goed gelukt. Straks ga ik achter mijn laptop zitten en live beleven wat een speld tussen zijn schouders teweeg brengt.
Eerst de dingen die moeten
Dan de dingen die mogen
(geplaatst op 13.02.2021)
Richard vraagt zich af wanneer hij eindelijk tijd heeft voor de dingen die mogen. Opgegroeid in een groot gezin. Zijn vader had meerdere banen om de boel financieel draaiende te houden. Zijn moeder had strakke regels om de boel binnenshuis ordelijk te laten verlopen.
Richard bestiert zijn huishouden alsof deze uit zes personen bestaat. Elke dag, aan het eind van de dag, stofzuigen. Direct na het eten de vuile vaat afwassen. Zodra de schone was droog is, deze strijken, opvouwen en opbergen in de kast. Daarnaast heeft hij zichzelf opgelegd twee opiniebladen en een krant te lezen. Het zal hem niet overkomen, dat hij geen mening heeft.
Ik zou zo graag boeken willen lezen, denkt Richard. Ik heb er genoeg, om jaren mee vooruit te kunnen. Helaas heb ik geen tijd. De ongelezen boeken stapelen zich op. In de slaapkamer. Zodat, als ik eventjes op de bank zit, ik in ieder geval niet de naar mij toegekeerde, ongevouwen ruggen, hoef te zien. In de boekenkast in de woonkamer staan enkel de boeken die ik ooit voor mijn boekenlijst heb moeten lezen.
Waarom kan ik niet een beetje zijn zoals Twan. Zelfde opvoeding, totaal ander product. Hij heeft geen nagel om zijn kont te krabben en is vol levenslust. Ik heb mijn schaapjes op het droge en ben uitgeblust. Twan leest geen krant, heeft geen tijd voor tijdschriften. Stofzuigen doet hij wanneer de volle asbak van tafel is gevallen. Voor een schoon bord moet hij eerst een vuile afwassen, of genoegen nemen met de etensresten van een voorbije maaltijd met de immer overheersende kleur rood.
De geur van lavendel verdrijft voor even de rooklucht, wanneer Richard de berg kleding verplaatst en op de bank gaat zitten. De kamer staat vol met canvasdoeken. Op de versleten bruine vloerbedekking kleurt een regenboog aan verfklodders.
‘Ik bewonder je levenshouding, Twan. Jij kiest voor je passie. Schilderen. Al het andere moet wijken.’
Twan plaatst zijn hand op zijn kin. Met zijn vingers kroelt hij door de haren van zijn volle grijze baard. ‘Zijn er andere dingen die belangrijk zijn?’ vraagt hij. Hij lacht zijn met nicotinevlekken besmeurde tanden bloot.
‘Hoe kan het dat we met dezelfde opvoeding, zo anders zijn geworden?’ vraagt Richard zich af.
‘Jij hebt de regels van ma onder je arm meegenomen. Ik heb ze direct overboord gekieperd toen ik het huis uitging.’ Twan krabt met de steel van een penseel tussen zijn schouderbladen.
‘Ik wil wel soepel met die regels omgaan, maar zodra ik een boek heb opengeslagen en een bladzijde heb gelezen hoor ik de stem van ma. Is de afwas al gedaan? Moet je nog stofzuigen? Moet de was nog gestreken worden? Zorg je dat je geestelijk gezien bijblijft?’
‘Geef haar antwoord.’ Twan pakt een pluk tabak uit het blauwe pakje shag. ‘Zeg dat het niet erg is om een bord en pan een dag of wat te laten staan. Zeg dat af en toe stofzuigen goed genoeg is. Je bent immers ook alleen. Wie stoort zich aan een vuil bord, of een vlok stof? En zeg haar dat onderbroeken en beddengoed niet gestreken hoeven te worden.’
‘En de geestelijke ontwikkeling?’
‘Ma wou dat wij een hogere opleiding zouden krijgen dan zij en pa hadden gehad. Dat is gelukt. In haar ogen hoeven we zeker niet intellectueel te lullen, zittend in een of andere fauteuil met de benen over elkaar geslagen en een pijp tussen de tanden geklemd. Niet wereldvreemd zijn, dat vond ze belangrijk.’ Twan likt aan de plakrand van het vloeitje.
‘Denk je dat ze met die reactie genoegen neemt?’ Richard fronst zijn voorhoofd.
‘Ze is er niet meer om ons te controleren. Stel jezelf gerust door haar op die manier te antwoorden. Afstand nemen van haar regels betekent niet dat je afstand van haar neemt.’
‘Heeft ze jou wel eens aangesproken?’ Richard kijkt naar zijn broer. Deze houdt een vlam voor de zelfgerolde sigaret en inhaleert diep.
‘Nee, nooit,’ reageert Twan, terwijl hij rook uitblaast. ‘Meestal deed ze spontaan de afwas. Nou ja, spontaan. Ze kon het niet laten. Ze deed het zonder te mopperen, zonder mij terecht te wijzen. Bij het afscheid kreeg ik altijd een kus en mompelde ze zachtjes: Als jij maar gelukkig bent. Dat is het belangrijkste.’
‘Jeetje, dat wist ik niet.’ Richard laat even een stilte vallen en vraagt vervolgens: ‘Denk je dat zij trots op mij was?’
‘Zeker weten,’ zegt Twan. ‘Jij leeft het leven volgens de normen en waarden van pa en ma. In haar ogen heb jij de dingen voor elkaar. Waarschijnlijk had ze ons beide wel graag met een vrouw gezien. Nou ja, dat huisje-boompje-beestje-beeld heeft ze nog bij onze zussen kunnen zien.’
Een week later zit Richard met een boek op de bank. Hij heeft tien bladzijden achter elkaar gelezen. Daarvoor heeft hij de schone was ongestreken in de kast opgeborgen. Stofzuigen hoeft hij pas over vijf dagen en de vuile vaat stapelt zich op in de afwasmachine die hij heeft aangeschaft. De abonnementen op de tijdschriften heeft hij opgezegd. De vragen van zijn moeder beantwoordt hij zoals Twan hem heeft aangeraden. En zojuist hoort hij zijn moeder een nieuwe vraag stellen. Waar het boek over gaat, dat hij aan het lezen is. Richard gelooft, dat hij eindelijk tijd heeft voor de dingen die mogen.
Persoonlijkheid ontcijferen
Vrije associatie
(geplaatst op 30.01.2021)
Hij heeft zin om seks te zeggen. Bij elke afbeelding die hem wordt getoond. Of in ieder geval handelingen benoemen die met de daad verband houden. Met het risico dat hij de kwalificatie gefrustreerd krijgt toebedeeld. Hij heeft echter niet om deze test gevraagd.
De ruimte is kleurloos. Een standaard verhoorkamer uit een low-budget politieserie. Tl-licht, twee stoelen, een tafel, een spiegel aan de muur. Tegenover hem een jonge, blonde vrouw. Ze waren allemaal blond, weet hij. Niemand anders aanwezig, maar hij veronderstelt dat er mensen zijn, die van achter de spiegel meekijken.
Ik roep iets en vervolgens worden aan de hand daarvan mijn karaktertrekken en impulsen vastgesteld, bedenkt hij. Ik ben man en denken mannen niet elke vijf minuten aan seks? Hoewel ik betwijfel of ik op basis van dat criterium als man te duiden ben. Er gaat soms een heel uur voorbij met andere gedachten. De gemiddelde man ben ik in ieder geval niet.
‘Pinata aan een tak,’ zegt hij. Ik had wurgseks gezegd bij een mannelijke psycholoog, vermoedt hij. Hij leunt naar achteren en zakt onderuit. Overigens zie ik heel duidelijk het meisje met de regenboogtrui hangen aan een boomtak, in plaats van zo’n felgekleurd papier-maché figuur. Een vrolijke trui tijdens een grauwe dag. Hij strijkt een grijze haarlok achter zijn oor.
‘Goed, zo,’ zegt de psychologe. ‘Hoewel ik daar aan toe moet voegen dat er geen goed of fout is. Het gaat er om dat jij zegt wat er spontaan in je opkomt.’ Ze schrijft iets op, in een bruin leren schrijfmap. De map kleurt bij haar pak. ‘Nu deze.’ Ze laat hem een volgende afbeelding zien. Een vloeibare zwarte substantie is van een afstand op het papier gegooid. Met een paar rode spetters aan de bovenkant van de prent. Het zou ook de onderkant kunnen zijn. Hij leunt naar voren om de afbeelding beter te kunnen zien. Er tekenen zich diepe groeven af in zijn voorhoofd.
‘Zelfmoord. Vrouw springt van flatgebouw en valt te pletter op de stoep. Schedel opengebarsten. Bloed. Wil je meer details?’ Hij ziet haar aantekeningen maken. Hij krijgt het warm. Een rode vlek in zijn nek, net boven de kraag van zijn overhemd. Ik had geen vrouw moeten zeggen, denkt hij.
‘Nee, dit volstaat. Tenzij je meer hierover kwijt wil.’ Ze laat de achterkant van haar bruine Montblanc pen even op haar lippen rusten. Is alles aan haar bruin, vraag hij zich af. Zou ze haar haren verven?
‘Je bedoelt of ik de persoon geduwd hebt?’ Hij kijkt haar indringend aan.
‘We zitten hier niet om te praten over je zaak.’ Ze kijkt over de rand van haar bril naar hem. De pen gaat als een surrogaat sigaret in en uit haar mond. Het uiteinde neemt de kleur van haar gestifte lippen aan.
‘Toch kan ik me niet aan de indruk onttrekken dat mijn strafmaat mede afhangt van wat ik hier zeg.’ Hij wrijft even over zijn bovenbeen. Er zit een vlekje op zijn pantalon dat hem irriteert.
‘Ik zal eerlijk tegen je zijn.’ De vulpen legt ze zorgvuldig neer, tegen de bovenkant van de map aan. De dop gaat door haar vingers van de linkerhand.
‘Nou zeg, een eerlijke psycholoog?’
Ze negeert hem en gaat verder: ‘Mocht jij, en nu gebruik ik de niet-medische term, gestoord zijn, dan kan dit de strafmaat beïnvloeden. De maatschappij moet beschermd worden. Ik vind je eerder geslepen dan gek.’ Ze kijkt hem onderzoekend aan. Ze wil weten hoe ik hierop reageer, denkt hij. Ik durf te wedden dat de mannen achter de spiegel met hun neus tegen het venster staan.
‘Met geslepen kom ik ook niet goed weg. Dat zit in de hoek van willens en wetens, met voorbedachten rade. Tel er maar tien jaar bij op.’ Hij laat een spottend lachje horen en slaat zijn armen over elkaar.
‘Laten we doorgaan. Een volgende afbeelding.’ Ze draait een geplastificeerd A-4tje om en schuift het over tafel naar hem toe. Ze leunt vervolgens achterover in haar stoel en observeert hem.
Wederom een bloedbad, vindt hij. Dit zijn de twee vriendinnen die ik met een mes om het leven heb gebracht. Zijn het dan toch allemaal afbeeldingen die gerelateerd zijn aan de moorden?
‘Echtpaar in innige omhelzing.‘ Hij is tevreden met zijn reactie. Nog vier te gaan, schat hij in. Hij ziet haar glimlachen. Minachtend, naar zijn gevoel. Ze buigt langzaam naar voren, haar rechterarm gaat richting haar schrijfmap. Nog voordat hij zelf beseft wat hij doet, grist hij de pen van tafel, duikt naar voren en ramt de vulpenpunt trefzeker in de halsslagader van de psychologe. Ze valt van de stoel. Grijpt met haar handen naar haar hals. Stuiptrekkingen in haar benen. De rechercheurs stormen naar binnen en werken hem hardhandig tegen de grond. Hij ligt met zijn gezicht dicht bij haar hoofd. Hij ziet dat ze geen uitgroei heeft. Het licht verdwijnt uit de wijd opengesperde ogen.
‘Dat is acht,’ mompelt hij. ‘Acht is een mooi getal.’
Kinderopvang: sociale ontwikkeling
Een radioverslag
(geplaatst op 16.01.2021)
Verslaggever
Beste luisteraars, ik sta hier op de stoep voor een laag breed gebouw, gesitueerd in een kinderrijke nieuwbouwwijk. In het gebouw zijn twee kinderopvangcentra gevestigd. Kinderdagopvang Lellebel en Kinderopvangcentrum Doerak. Het plein voor het gebouw is omringd door een hek en is doorkliefd met een hekwerk van draadschermen. Ik schat zo’n anderhalve meter hoog. Op zich bijzonder dat er op één locatie twee bedrijven zijn gevestigd. Bedrijven ja, want kinderopvang is big business. Aan klandizie geen gebrek, heb ik van de leidinggevenden vernomen. De twee directeuren benadrukken dat, hoewel ze een afwijkende filosofie volgen, zodat de ouders een keuze hebben, ze wel degelijk de samenwerking opzoeken. Alhoewel de verdeling van het plein wellicht anders doet vermoeden. Een voorbeeld van de samenwerking heeft betrekking op de groep kleuters van beide vestigingen. Ik spreek met de directeuren. Allereerst Jacqueline Verstek, directrice van Doerak. Kunt u deze samenwerking toelichten?
Jacqueline
Ja, uiteraard. Een paar maanden geleden ontstond er wrijving op het speelplein. Eentje van Lellebel. Fleur. Vijf jaar is ze. Ze hield het met twee jongens van Doerak. De vrienden Boris en Tim. Die wisten dat niet van elkaar. Totdat Tim de pop van Boris op de kamer van Fleur vond. Zo’n actie figuur. Spiderman, naar ik meen. Was Boris vergeten. Tim heeft de pop de volgende dag overhandigd aan Boris. De beide heren kozen voor hun vriendschap. Kijk, dat vind ik nu zo mooi aan kleuters. Op die leeftijd ontstaan al hechte relaties, daar laten ze niet zomaar iemand tussenkomen. Neemt niet weg dat ze zich allebei bedrogen voelden. Ze hebben Fleur aangesproken. Hier op het speelplein, door het hek.
Verslaggever
Diederik van Avezwaaij, directeur van Lellebel, kunt u de kant van Fleur belichten?
Diederik
Graag. Kijk, Fleur is een leuke meid. Zelfstandig met een hoop vriendjes en vriendinnen. Ze heeft duidelijk gemaakt dat ze zich niet laat claimen door de jongens. Ze was teleurgesteld in hun reactie. Ze had gehoopt verder met ze te kunnen. Opkomen voor jezelf, aangeven waar je grenzen liggen, mooi hoor. Het heeft alleen wel geleid tot een opstootje. Een beetje trappen tegen het hek van beide kanten. Het nam grotere vormen aan toen andere kleuters zich er mee begonnen te bemoeien. De kinderen leren immers vanzelf, zich te bewegen in de groep.
Verslaggever
Ja, luisteraars, dat heeft geleid tot twee kampen. De kleuters van Lellebel tegen de kleuters van Doerak. En laat u niet misleiden door de namen, beide teams zijn gemengd. Kinderen, hoe klein ook, zijn gericht op het leggen van contact en het uitlokken van reacties, heeft de directeur van Lellebel mij zojuist vertelt.
Diederik
De eerste keer dat we te maken kregen met rellende hummels ben ik direct het gesprek aangegaan met Jacqueline. We kwamen al snel op het idee, om beide groepen niet meer tegelijkertijd naar buiten te sturen. Daar waren de kleuters het niet mee eens. De kinderen hebben een belangrijke stem in de activiteiten. Ze maakten duidelijk, behoefte te hebben aan de mogelijkheid tot ontladen. En we weten allemaal dat ontlading bij kleine kinderen het beste niet tussen vier muren kan plaatsvinden. Wanneer ze voor hun ontlading anderen nodig hebben, dan horen wij daarin te voorzien. Dus is het tijdstip afgestemd en gaan de groepen gelijktijdig naar buiten. Een kwartier. Daarna klinkt de bel en is het tijd om binnen af te koelen.
Jacqueline
Diederik en ik prediken naastenliefde, zo ook onze sensitieve medewerkers. Dat is een belangrijk goed. Maar wanneer je bedonderd wordt, dien je gewapend de strijd aan te kunnen gaan. En dat kun je beter leren, wanneer je jong bent. Al die opvoedkundige onzin, van spellen bedenken waar er geen winnaars en verliezers zijn. Die kinderen moeten een beetje gehard worden. Straks nemen ze deel aan de maatschappij. Ze gaan tegenslag ervaren. Omdat het leven, dat nou eenmaal met zich meebrengt. En als je voorheen nog nooit eerder verloren hebt, hoe ga je dan met die tegenslag om? Even lekker uithuilen bij juf is er niet meer bij.
Verslaggever
Luisteraars, inmiddels zijn de kleutergroepen losgelaten. De rivaliserende kampen zoeken elkaar op bij het hek. Er worden leuzen gescandeerd. Oe... Niet al te vriendelijke kan ik u vertellen. Er wordt geschreeuwd. Ik kan vanwege de hoge tonen niet goed horen wat er precies aan woorden worden uitgewisseld. Ik zie iemand met de vlakke hand tegen het hek slaan. Dit ontlokt aan de andere kant iemand tot schoppen tegen de stalen afrastering.
Diederik
Kijk! Kijk! Dat is toch mooi om te zien. Hoe ze het buitenspeelgoed over het hek gooien. Motorische ontwikkeling is belangrijk. En vergeet niet dat daar nogal wat samenwerking voor nodig is. Een plastic hobbelpaard krijgt een kleuter niet in zijn eentje boven zijn hoofd getild, om het vervolgens ook nog eens over het hek te werken. Nee, daar zijn afspraken voor nodig. Zie het als teambuilding. De meeste van die kinderen worden later doelgerichte managers. Wat ik je zeg!
Jacqueline
Prachtig praktijkvoorbeeld. Doerak en Lellebel dagen de kinderen uit om te leren, nieuwe dingen te proberen, keuzes te maken en vooral zelf oplossingen te zoeken. De kinderen leren de spelregels van onze samenleving. Eten, of gegeten worden, zou je kunnen zeggen. Door middel van rituelen bieden wij de kinderen structuur. We zijn erg tevreden met de manier waarop we ze hebben zien groeien, de afgelopen maanden.
Verslaggever
Ik hoor de bel, luisteraars. U waarschijnlijk ook. Het speelkwartier is voorbij. De troepen trekken zich terug. Aan weerszijden van het hek ligt evenveel speelgoed. Er is sprake van een gelijkspel. Allemaal winnaars. Mevrouw Verstek, meneer Avezwaaij, dank u beiden voor dit leerzame moment. Ik heb kleuters gezien die dapper op avontuur gaan, die zich spelenderwijs verder ontwikkelen, die ergens voor staan en voor elkaar opkomen. Met deze jeugd zie ik de toekomst met vertrouwen tegemoet.
Naar waarde schatten
Betrekkelijk
(geplaatst op 02.01.2021)
De eerste keer dat Arjan bij Bianca thuiskomt, valt zijn oog direct op het schilderij dat boven de bank hangt. Niet uitsluitend vanwege de pontificale, met krullen versierde lijst. Het doet hem denken aan een vroeg werk van Van Schoonhoven, laat zeventiende eeuw. De fletse kleuren van het herfstlandschap, de donkergrijze wolken, het zo op het eerste gezicht eenvoudige tafereel. Een akker, een rivier, een dijk en op die dijk een paar figuren. In de verte steekt een kerktoren af tegen de verder vlakke horizon.
‘Jeetje, Biejank. Je bent in het bezit bent van een Van Schoonhoven. Dat is er toch één?’ Arjan knikt met het hoofd richting de muur.
‘Van wie?’, reageert Bianca.
‘Je weet niet wie de schilder is?’ Arjans wenkbrauwen liggen hoog op zijn voorhoofd.
‘Nee, dat heb ik me nooit afgevraagd. Sinds het overlijden van mijn oom hangt het daar. Niemand wou het hebben. En het heeft mij altijd al aangesproken. Vroeger ging ik met mijn broer logeren bij mijn oom en tante. Prachtig vond ik dat. Ik, een stadse meid. Op de boerderij.’ Ze strijkt even met haar hand door het haar. ‘Met mijn tante had ik gesprekken over het boerenleven. Over een stier, een paar koeien en na een tijdje kalveren. Als je begrijpt wat ik bedoel. Een onderwerp dat bij ons thuis werd vermeden.’ Ze kijkt meer naar het schilderij, dan naar Arjan. ‘Ik heb een paar keer een koe zien bevallen. Er ging een wereld voor mij open. Mijn oom was een norse man. Of meer een man van weinig woorden. Dat werden er nog minder na het overlijden van zijn vrouw. Tijdens de logeerpartijen zag ik hem regelmatig voor het schilderij staan, sigaar in zijn rechtermondhoek. Kijk, daar loopt mijn overgrootvader, op weg naar het dorp, zei hij. Vervolgens glimlachte hij naar mij. Ik voelde me heel bijzonder, alsof hij me in vertrouwen nam.’
‘Ik heb een cursus kunstgeschiedenis gedaan.’ Arjan verstoort de herinnering van Bianca. ‘Het is echt prachtig. Ik denk dat het veel waard is.’
‘Dat is het ook,’ zegt Bianca. Haar dromerige blik is verdwenen.
‘Ook al weet je niet wie het geschilderd heeft?’ Er klinkt een lichte spot in Arjans stem.
‘Wat maakt dat nu uit?’ reageert Bianca verontwaardigd.
‘Nee. Nee. Natuurlijk. Je hebt gelijk.’ Arjan rolt met zijn ogen, wanneer hij zijn hoofd afwendt.
Na een half jaar kent Bianca Arjan goed genoeg en mag hij bij haar intrekken. Af en toe ziet zij hem voor het schilderij staan. Daar gaat de overgrootvader van Bianca’s oom, heeft ze hem wel eens horen fluisteren. Voor Arjan en voor de herinnering aan haar oom, besluit ze het schilderij schoon te laten maken.
Wanneer Arjan na twee weken thuiskomt van een zakenreis, hangt er boven de bank een fris landschap onder donkere wolken. Het vuil, de vettigheid en de nicotineaanslag is verwijderd. Ondanks de wolkenpartijen lijkt de akker in de zon te liggen. De warm gele kleur van het veld, springt in het oog.
Arjan is verrukt. Met een blos op zijn wangen roemt hij het contrast, de specifieke lichtinval, de diepte, de weidsheid van het landschap. ‘Het lijk wel een ander jaargetijde geworden,’ zegt hij.
‘De restaurateur heeft gelijk ook wat onderzoek gedaan,’ zegt Bianca. ‘Volgens hem stamt het schilderij uit de negentiende eeuw. Iemand heeft Van Schoonhoven zo nauwkeurig mogelijk willen kopiëren. Hij schat dat de lijst meer waard is dan het doek.’ Bianca ziet niet dat Arjans gezicht betrekt. Zijn ogen kleuren gelijk de wolken op het schilderij. ‘Maakt niet uit, ik ben blij met het resultaat. En ik ben blij dat je er weer bent,’ zegt ze enthousiast. ‘Ik ga koffie voor ons zetten.’
Arjan buigt zijn bovenlichaam voorover zodat hij bijna met zijn neus tegen het schilderij aan staat. Hij knippert met zijn ogen. ‘Dat is niet zo mooi,’ mompelt hij.
Nog diezelfde dag hebben ze hun eerste ruzie.
‘Hoe kan je het nu ineens lelijk vinden? Vond je het uitsluitend prachtig, omdat je dacht dat het veel waard zou zijn?’ Bianca kijkt vol ongeloof naar haar vriend.
‘Ik voel me bedrogen,’ zegt hij.
‘Door wie? Niemand heeft jou wijs gemaakt dat dit een topstuk van grote financiële waarde zou zijn.’
‘Bedrogen door de schilder, denk ik.’
‘Ja, geef hem de schuld. Jij, met je cursus kunstgeschiedenis,’ reageert Bianca. ‘Deze kant van jou kende ik nog niet.’
‘Ik kan er de schoonheid niet meer van inzien,’ verzucht Arjan.
‘Ik zie nog steeds de overgrootvader van mijn oom daar lopen. Het schilderij blijft hangen waar het hangt. Je kijkt maar de andere kant op, als je mijn woonkamer binnenkomt.’ Ze slaat hard met de kamerdeur en stampvoet de trap op. Bovenaan draait ze zich om en schreeuwt door het trapgat: ‘Hoeveel ben ik eigenlijk voor je waard?’
Viaduct
Bang voor wat zou kunnen gebeuren
(geplaatst op 19.12.2020)
Kees houdt zich aan de maximum snelheid. Hij rijdt op de rechterbaan over de snelweg. Gespannen, als altijd. Dit stuk kent maar liefst zeven overspanningen. Van loopbrug tot viaduct. Gelijk bij de eerste is het raak. Hij ziet fietsen tegen de reling geparkeerd. Een groepje jongens. Nonchalant met de onderarmen op de leuning. Ze kijken naar de auto’s onder zich. Ze kijken elkaar even aan. Tellen ze ondertussen af, vraagt Kees zich af. Valt er na tien tellen een stoeptegel, dwars door mijn voorruit?
Kees zit licht voorovergebogen, houdt zijn blik schuin en strak op hen gericht. Alsof hij zo kan bewerkstelligen dat ze afzien van hun plan. Of dat hij op het laatste moment nog kan uitwijken. Wanneer hij hen nadert ziet hij twee jongens zich oprichten, handen op de reling, even naar achter leunen om vervolgens met hun bovenlichaam naar voren te veren. Een dikke klodder spuug landt op de vooruit. Kees haalt opgelucht adem. Hij strekt zijn armen, handen aan het stuur, drukt zijn schouders tegen de rugleuning van de stoel. Hij sproeit de ramen. De wissers verwijderen het tastbare van de herinnering.
De volgende vijf. Niemand te zien. Bijna thuis, denkt Kees. De laatste komt in zicht. Witte huid gespannen over de knokkels van zijn handen. Op het viaduct staat iemand. Er is geen weg terug. Wat doet diegene daar? Kijken naar het voorbij razende verkeer? Geen dorp, of woning in de buurt. Hij moet hier naar toe zijn gelopen. Geen fiets of auto te zien. Het is een hij. Kees ziet dit vanaf tweehonderd meter. Wat gaat er door zijn hoofd? Is hij ontslagen, is zijn relatie voorbij? Overweegt hij te springen, net voor mijn auto? Nog vijftig meter te gaan. Kees ziet rook kringelen om het hoofd van de man. En dan ligt het viaduct achter hem. Kees voelt zijn hart kloppen. Hij haalt een paar keer diep adem. In de achteruitkijkspiegel ziet hij even later de contouren van de man boven de snelweg. Niets aan de hand. Kees vraagt zich af, of hij ooit op een verkeersbrug zal staan en wat er dan in zijn hoofd omgaat.
Gezamenlijkheid
Zonderling
(geplaatst op 05.12.2020)
Drie weken lang ben ik een stel met Sjors. Ik heb hem niet uitgekozen en hij mij niet. We delen een slaapkamer en een badkamer. Overdag mijd ik hem. Uiteindelijk zijn daar telkens weer de avond en de ochtend, dat ik met hem geconfronteerd word. Drie weken lang.
Sjors is eind vijftig (gok ik), heeft een kaal achterhoofd in de vorm van een volmaakte cirkel (zie ik), snurkt (hoor ik), laat na het toiletbezoek een geur achter alsof hij elke avond asperges heeft gegeten (ruik ik), is niet gewend rekening met iemand te houden (onderga ik), is tevreden met zichzelf (denk ik), is niet gevoelig voor hints (merk ik) en heeft geen zelfreflectie (ervaar ik).
Ongeacht de setting, het bed dat het dichts in de buurt van de badkamer staat, is van hem. Hij is degene met de kleine blaas. Het smalle plankje boven de wastafel staat vol met potjes. Vitaminepreparaten. Voedingssupplementen. Strak in het gelid. De volgorde, van links naar rechts is van belang. Geen ruimte voor mijn toiletartikelen. Zolang Sjors zijn gezondheid maar kan behoeden door in de juiste reeks de voorraad pillen weg te werken. Dat gun ik je, zijn de woorden die mij in de mond worden gelegd. Op de vraag waar ik mijn tandenborstel kwijt kan, wijst hij naar het nachtkastje.
Op Schiphol scan ik de medepassagiers. Wie reist er zonder kind, ouder of partner? Met wie word ik een stel? Het lukt me niet mijn reisgezelschap te overzien. Elf onbevangen vlieguren liggen in het verschiet.
Opgevangen door de reisleider daar ter plekke, eenmaal in de bus richting eerste hotel zie ik slechts een persoon niet naast iemand zitten. Een man getooid met, wat de verkoopfolder hoogstwaarschijnlijk omschrijft als een lichtgewicht, makkelijk opvouwbaar en sneldrogende outdoor hoed. Een half uur later blijkt diegene naar de naam Sjors te luisteren.
Het is bizar om een wildvreemde de vraag te stellen: hoe laat zullen we morgenochtend opstaan. Sjors vindt een half uur vóór het ontbijt ruim zat. Die ochtend blijkt dat hij inderdaad niet meer tijd nodig heeft en dat er voor mij geen tijd meer over is om te douchen. Hij heeft het half uur opgesoupeerd. Zijn hele lijf moet immers ingesmeerd worden, vanwege een extreem droge huid. Ik wil niet dat jij uitslag krijgt, hoort mijn wens te zijn.
Mijn vrienden prezen me: wat goed van je Erik, dat je in je eentje op vakantie gaat. Ik boekte na mijn relatiebreuk een groepsreis. Nu kom ik er na een week achter dat Brenda helemaal niet zo’n egocentrische trut was. Het kan altijd erger.
Gelukkig word ik door een familie geadopteerd. Zij hebben al snel door dat Sjors en ik geen match zijn. Ik mag met hun de steden verkennen, de bezienswaardigheden betreden, de maaltijden gebruiken. Dat betekent niet, dat Sjors zich in zijn eentje voortbeweegt. Sjors nodigt zichzelf uit onder het mom van iedereen leren kennen. Vervolgens kleurt hij de dag, van het stel waar hij bij aanhaakt, in.
Er ontstaat verbondenheid binnen de groep. Als één lichaam slaakt het een diepe zucht wanneer het wederom Sjors is, die tijdens de honderd kilometer durende busreis om inmiddels een vijfde fotomoment vraagt. Om gezamenlijkheid te bereiken is er soms één iemand nodig die buiten het geheel staat. Ach, zolang diegene een bord voor zijn kop heeft is medelijden misplaatst.
Hogedrukreiniger
Mediteren
(geplaatst op 21.11.2020)
Hij wordt maar een keer vijftig. De omvang van het verpakte cadeau ziet er indrukwekkend uit. Meer dan een aardigheidje. Het ultieme geschenk waarvan hij nu nog niet weet, dat hij het altijd heeft gemist.
‘Schat, dat had je niet hoeven doen,’ zegt hij voor de vorm. Hoewel hij zijn leeftijd het liefst verzwijgt, wil hij wel graag pakjes krijgen die hem aan het jarig zijn helpen herinneren.
‘Toen ik verleden jaar veertig werd, heb je er extra aandacht aan besteed. Dat schitterend bewerkte meditatiekussen. Ik gebruik het elke dag.’ Ze strijkt even met haar vinger over zijn wang. ‘Ben je benieuwd? Eerst de kaart lezen,’ zegt zijn vriendin.
Lief. Een kaart van 4 euro 50. Wat kun je daar nog meer voor kopen, denkt hij. Hij haalt de kaart uit de envelop. ‘Ah. Superman,’ zegt hij.
‘Ja, want jij bent mijn actieheld.’
Hij is niet verbaasd dat hij een dergelijke kaart krijgt. Ze gaat immers al vijf verjaardagen mee. Hij geeft haar een kus op haar wang. Vervolgens vouwt hij de kaart open en leest hardop:
Voor mijn superheld, van harte gefeliciteerd. Superhelden kunnen niet stil zitten. Er valt altijd wel iemand te redden of een ramp te voorkomen. Omdat je je innerlijke zelf niet uit het oog mag verliezen, is het belangrijk om je rust te pakken. Mediteren zonder te bewegen zit er voor een wiebelkont niet in. Met dit cadeau in de hand kun je je geest laten dwalen, of juist denken aan helemaal niets. Dit terwijl je toch iets doet.
Liefs, Naomi.
‘Cryptisch, hoor. Ik ben benieuwd.’ Hij peutert het plakband los met zijn nagel. Uit ervaring opgedaan tijdens zijn relatie. Dat wat zorgvuldig is ingepakt, dient met aandacht opengemaakt te worden. Zonder het cadeaupapier te scheuren en zonder te spieken weet hij de gever te respecteren en de spanning op te bouwen. Hij schuift de inhoud, een kartonnen doos uit het papier. Een witte doos, zwarte letters en een afbeelding van een gele machine. ‘Wat moet ik met een hogedrukreiniger?’ Het ontglipt hem. Hij had de vraag liever niet hardop gesteld.
‘Die had je nog niet.’
Daar is vast een goede reden voor, denkt hij. Gelukkig voor hem niet hardop. ‘Dankjewel schat. Wat een bijzonder geschenk.’
‘Je vindt het niet leuk hè.’ Ze zet een pruillip op.
‘Alles wat ik van jou krijg, vind ik leuk. Nou ja, niet de hoofdpijn.’ Hij lacht overdreven hard. Hij probeert zichzelf te redden, een ramp te voorkomen. Humor zou zijn wapen moeten zijn.
‘Ik weet niet of je denkt, het met die grap goed te maken. Geeft niet. Na het weekend breng ik dat ding terug naar de bouwmarkt.’
‘Nee, nee. Ik moet gewoon even wennen aan het idee. Ik heb mezelf nog niet eerder voorgesteld met een hogedrukreiniger. Ik hou hem. Sterker nog, ik ga zo dadelijk na de taart er mee aan de slag.’
Met de smaak van appelgebak en koffie in zijn mond, staat hij even later buiten naast het uitgepakte beest. Waterslang aansluiten, stekker in het stopcontact, sproeistuk op de lans draaien. Druk instellen op maximaal. Hij is tenslotte een superheld. En actie.
Hij spuit de bestrating schoon. Hij richt de waterstraal tussen de tegels. Aarde, grassprieten en paardenbloemen vliegen door de lucht. Systematisch gaat hij te werk. Het monotone motorgeluid overstemt. De ontspanning overvalt hem. Hij raakt in trance, vergeet de wereld om zich heen. Na driekwart terras slaat de motor af. Verbaast kijkt hij in het rond. Alsof hij zich even moet oriënteren. Dan ziet hij Naomi in de keukendeur staan met de stekker in haar hand.
‘En hoe vind je het?’ vraagt ze.
‘Ik vind het geweldig. Ik kom helemaal tot rust.’
‘Zei ik toch.’ Ze laat een triomfantelijke glimlach zien.
Hij loopt naar haar toe en geeft haar een kus vol op de mond. ‘Dankjewel schat. Het beste cadeau ooit.’
‘Graag gedaan. Hoewel ik er geen verstand van heb, moet je misschien de druk iets lager instellen. Alles wat eerst groeide en bloeide tussen de tegels van het terras, kleeft nu aan de schutting.’
‘Geen probleem. Doe ik die straks ook nog even.’ Nu toont hij een grote glimlach. 'Als ik dit elke keer en uurtje kan doen nadat ik de dingen heb gedaan die moeten, is de balans zo hersteld. Leuk, dat mediteren,’ zegt hij met stralende ogen.
Ze gooit er nog een schepje bovenop en zegt: ‘Met die sproeilans in je handen lijk je op een actieheld. Een weed-terminator.’ Ze ziet ook zijn met modder bespatte linnen broek en houdt daarover wijselijk haar mond. Ze hoopt dat hij voorlopig niet de gevel denkt te reinigen, door de mortel tussen de bakstenen uit te spuiten.
De man zonder verleden
Om een toekomst te hebben
(geplaatst op 07.11.2020)
Niet meer herinnerd worden aan vroeger. Hij wil de herinnering aan de periode tot aan zijn 27ste levensjaar wissen. Het gaat erom wie hij nu is, hoe hij zich nu gedraagt. Voorzichtig vooruitkijken. Niet te ver in jaren. Eerder in weken.
Waarom vraagt de eigenaar van het restaurant bij het solliciteren, waarom vraag het meisje in de kroeg, of hij nog ouders heeft? Waarom willen mensen dit weten? Wat doet het ertoe? Hij heeft zijn straf uitgezeten. Berecht via het strafrecht voor volwassenen. Hij was net 17. Misschien omdat hij geen berouw toonde, kreeg hij een langdurige straf opgelegd. Misschien omdat hij de lichamen met een mes had toegetakeld. Het messenblok op het aanrecht, het zwarte heft van het vleesmes staan op het netvlies gebrand. Wanneer hij over het voorval droomt, dan ziet hij het mes in zijn hand geklemd, zijn knokkels wit. Zijn ouders zijn niet te onderscheiden. Nooit ziet hij wat hij met de lichamen doet. Hij heeft het ook nooit geweten. Zijn pro-deo advocaat heeft het hem, tien jaar geleden, ongetwijfeld verteld. Dat verhaal is hij gelukkig al vergeten. Het kan dus wel. Stukjes van het verleden uit het geheugen afvoeren.
Hij wil niet een levensverhaal verzinnen. Verzinnen is liegen. En liegen doet hem juist aan vroeger denken. Hoe hij op school het blauwe oog, de gekneusde rib, de gebroken pols verklaarde. Een smoes verzon, waarom een vriendje niet bij hem thuis kon spelen. Al snel was hij verworden tot een nobody. Liegen leidt tot vervreemding.
Het verleden is bepalend voor wie je nu bent, heeft hij ergens gelezen. Dat mag zo zijn, maar hij heeft geen behoefte om te analyseren wie hij nu is. Hij wil het verleden begraven onder het heden. Onder een dikke laag, waarop een toekomst gebouwd kan worden. Een toekomst in een stad waar niemand hem kent. Geen foto’s en papieren die hem aan vroeger kunnen linken. Een geschiedenis uitgewist. En mocht hij ooit een relatie krijgen, dan moet ze hem accepteren als de man zonder verleden.
Hondenogen
Aandacht
(geplaatst op 24.10.2020)
Sarah houdt van Rob en van Henk. Rob gedoogt Henk. Sarah is het beste wat Rob ooit is overkomen. Rob is euforisch wanneer Sarah besluit bij hem in te trekken. Henk moet Rob daarbij voor lief nemen. Een half jaar later beweert Sarah dat Henk van Rob is gaan houden.
‘Kijk eens, hoe snel hij aan je gewend is geraakt. Hij vindt je lief, je mag hem eten geven en hij wil met je mee de deur uit,’ zegt Sarah.
Hij kwispelt naar iedereen die hem aankijkt, hij heeft altijd honger en heeft angst dat hij wordt achtergelaten, denkt Rob. Die grote donkere ogen, de blik waarmee hij mij probeert te vangen. En die nimmer aflatende beweging van zijn staart. Zodra we elkaar aankijken roept hij het door zijn ogen uit. Aai me! Vindt me lief! Geef me aandacht! Zo vermoeiend.
Rob geeft hem die aai over zijn kop, zegt tegen hem wat ben je toch een lieve hond en geeft hem aandacht door hem te voederen en uit te laten. Die laatste twee handelingen verricht Rob onder de lichte dwang van het door Henk geproduceerde geluid en zijn onderdanige lichaamshouding. Het gepiep en geschmier, Rob kan het niet lang verdragen. Al snel vult hij de bak met eten, of pakt de riem.
Rob wil eventjes een boodschap doen. Henk wil mee. Dolenthousiast. Omdat Rob in beweging komt en Henk beweging verwacht. Of kan hij niet tegen alleen zijn?
‘Kom maar mee,’ zucht Rob. Wat drukt een hond uit met zijn ogen, wanneer hij zit te kakken, vraagt Rob zich even later af. Met de ietwat melancholische blik ontlast hij zich, zonder enige privacy, zonder enige schaamte. Rob staat geduldig te wachten met een plastic zakje in zijn hand om zo dadelijk de warme drol in op te bergen. En dan verder. Het is immers de gewoonste zaak van de wereld om met een boterhamzakje vol poep over straat te lopen. Gelukkig probeert Henk niet de aandacht van me te trekken door zijn eigen ontlasting op te eten. Of die van anderen. Ik hoef Henk ook nooit tot de orde te roepen wanneer er andere honden in de buurt zijn. Het beest zou het me moeilijk kunnen maken, denkt Rob. Maar dat doet Henk niet. Henk is afgericht, luistert goed.
Hoe vaak ben ik al over hem gestruikeld, denkt Rob. Omdat hij vlak voor, of achter mijn voeten is gaan liggen. En waarom gaat hij voor me zitten om me ongegeneerd aan te staren? Henk volgt elke beweging van Rob. Gelijk een discipel die zijn goeroe aanbidt, wacht hij op een aanwijzing die hij kan opvolgen. Hij wil iets van me, denkt Rob. Waarschijnlijk eten. Ik heb hem net uitgelaten, dus aandrang om zijn behoefte te doen kan het niet zijn. Henk doet er alles aan om op mijn gemoed in te werken. Zelfs als ik me achter de krant verschuil, blijft Henk me aankijken. Het lukt me niet meer om met aandacht het nieuws te lezen. Ik weet de smekende ogen van Henk op me gericht.
Rob wordt op de gebruikelijke tijd wakker. Een licht gepiep, dat doorgaans om even na zessen klinkt, ontbreekt. Rob draait zich om en ziet dat ook Sarah ontbreekt. Ze is een week naar haar ouders in het oosten van het land. Henk heeft ze meegenomen. Henk houdt namelijk ook van haar ouders. En zonder hond aankomen is als op bezoek gaan bij opa en oma zonder kleinkind. Rob opent de slaapkamerdeur en plaatst gedachteloos zijn been voor de te ontstane opening. Henk mag niet in de slaapkamer komen. De enige voorwaarde die Rob heeft gesteld aan het samenwonen. Sarah ging schoorvoetend akkoord.
Rob kan vrijuit door het huis lopen, struikelt niet over een hijgend harig lichaam. Hij eet zijn boterham zonder dat iemand hem, schuin van onder met de kop gedraaid, aankijkt. Hij heeft de neiging om even hardop te praten. Om zijn ongebruikte stem te testen. Rob hunkert naar bevestiging. Zijn aanwezigheid doet ertoe, hij wil lief gevonden worden. Rob kan niet anders concluderen dan dat hij Henk mist.
Boswandeling
Een man alleen
(geplaatst op 10.10.2020)
Meneer Duprie houdt ervan om door het bos te lopen. Eerst op de fiets er naar toe, zo’n twintig minuten rustig trappen. Hij verbaast zich iedere keer weer, dat dit stuk groen door zo weinig mensen gebruikt wordt. De meute kiest voor het aangrenzende meer. In gedachte heeft hij het publieke recreatieterrein omgedoopt tot Buitenhof Duprie. Als een grondbezitter dwaalt hij over zijn landgoed. Toch jammer dat hij het gebruik van de paden moet delen met lui van buitenaf. Gelukkig, zijn het er weinig. Wat direct ook een nadeel is: er wordt meer gelet op elkaar. Wat denken die anderen, wanneer ze een man op leeftijd zien wandelen over stille bospaden?
Hij zou een verrekijker om zijn nek kunnen hangen. Dan geloven ze vast dat hij vogels aan het spotten is. Hij heeft er nog een, ooit van vader geweest. Dat ding weegt een ton. Hij voelt de striem al in zijn nek. En meneer Duprie wil ook niet het stempel krijgen van een gluurder, als hij om het meer heen loopt, waar zonaanbidders met weinig kleren aan, in en uit het water lopen.
Een fototoestel, om de natuur mee vast te leggen? In de berging moet de camera liggen, welke hij heeft aangeschaft speciaal voor de boottocht over de Rijn. Samen met moeder. De eerste en tevens laatste keer dat hij Nederland heeft verlaten. Meneer Duprie wil niet ouderwets overkomen, met een analoge camera rustend op zijn oude-mannen-buikje.
Nordic walking stokken aanschaffen? Dan is direct duidelijk dat deze heer werkt aan zijn conditie. Hij zal het tempo drastisch moeten opvoeren. Anders is het geen gezicht. Hij wil echter te allen tijde een rood hoofd vermijden. Het liefst wil hij niet opvallen…
Sinds kort heeft Meneer Duprie zich een houding aangemeten. Hij loopt door het bos met een zwart, dik nylonkoord van een paar meter lang. Nonchalant draagt hij het, in een paar lussen geslagen, in zijn rechterhand. Indien hij in de buurt komt van andere wandelaars, dan roept hij een paar keer: Bello.
Hinkelen
Voor iedereen
(geplaatst op 26.09.2020)
Op het schoolplein mocht hij een enkele keer meedoen met de meisjes. Hij had op een afstand staan kijken hoe de jongedames uit zijn klas over de gekrijte baan hinkelden. Yvonne had een zwak voor meneer Duprie. Waarschijnlijk vond ze hem zielig. In ieder geval, zij vroeg soms of hij ook een keertje wilde. Steevast gevolgd door protesten van de andere meisjes. De jongens waren immers elders op het plein aan het spelen. Vast een ruw spel. Daar moest meneer Duprie zich ophouden. Niet bij de meiden. Juist vanwege het geweld (waarom was hij altijd de onderdrukte indiaan) stond hij ver verwijderd van de cowboys. Yvonne hield vol. En voor haar overwon hij zijn angst. Doorgaans verkrampte hij, als anderen naar hem keken. Nu legde hij met soepele sprongen de baan af. Hij had weken geoefend op weg naar school.
Meneer Duprie heeft geen kinderen. En nu is hij te oud. Yvonne heeft hij na klas 6 niet meer gezien. Als hij kinderen had, dan zou hij ze leren hinkelen. Een mooi excuus om zelf weer even kind te zijn. Op zijn knieën, om een baan te krijten op de stoep, vakken te maken en cijfers erin te kalken. Het zou de mooiste baan van de buurt zijn. Vervolgens zou hij voordoen hoe het moet. Ook als hij een zoon zou hebben. Hoewel hij vroeger van zijn moeder niet mocht hinkelen. Dat doen jongens niet, was haar reactie. Meneer Duprie wist dat Romeinse soldaten een hinkelbaan gebruikten om het voetenwerk te trainen, maar hij sprak zijn moeder niet tegen.
Sinds kort is het park, bij meneer Duprie om de hoek, officieel heropend. Het is volledig gerenoveerd. Bredere paden, meer grachten gegraven, bruggen aangelegd en een spiksplinternieuwe speeltuin. Meneer Duprie loopt altijd door het park op weg naar de supermarkt. Vroeg, wanneer de deur van het slot gaat, komt hij aanlopen. Dan is het nog lekker rustig en kan hij overal bij, zonder mensen aan te spreken.
Deze ochtend loopt hij voor het eerst door de speeltuin. Een klimrek met touwbruggen, een glijbaan, schommels en twee wippen. De ondergrond is van zacht verend kunstgras. Tot zijn groot plezier ziet hij vlakbij de zandbak een op het gras in felle kleuren voorgedrukte hinkelbaan. Meneer Duprie gluurt naar links en naar rechts. Geen hondenuitlaters te zien. Hij pakt zijn kans. Met de boodschappentas in zijn hand, hinkelt hij over de baan. Op het keerpunt ontsnapt hem een kreet van enthousiasme. Terug bij het beginpunt trekt hij de riem van zijn beige regenjas strak, duwt zijn bril omhoog en vervolgt zijn weg met een glimlach. Hinkelen is ook voor oudere jongens.
Kringen op het tafelblad
...vertellen zijn verhaal
(geplaatst op 29.08.2020)
Een nieuwe tafel van gebruikt hout. Tim is blij dat hij hem heeft kunnen kopen. Het geld meer dan waard. Hij is zelfs een beetje trots. Niet dat hij de illusie heeft dat hij trots kan kopen. Nee, hij heeft zich dingen ontzegd, om het bedrag bij elkaar te sparen.
In de kleine woonkamer is het een blikvanger. Een tafel om aan te eten en te werken. Vlakbij het grote raam, gezeten aan het pronkstuk, lijkt het uitzicht weidser. Gelijk de koning het volk anders aanschouwt vanaf de troon, dan vanaf een barkruk.
Zorgvuldig in de was gezet, de voeding van het hout. Het eerste half jaar iedere maand. Althans, dat was het meegegeven advies. Direct na aankoop staan boenen. En op de kop af, een maand later weer. Maar na vijf maanden, is hij niet verder gekomen dan die twee wrijfbeurten.
Doorgaans is hij zuinig op zijn spullen. Dat uit zich door er voorzichtig mee om te gaan, niet in het onderhoud daarvan. Zo koestert hij zijn auto, maakt hij zelden te hoge toeren en laveert hij door nauwe straatjes zonder iets te raken. Regelmatig de auto stofzuigen is er niet bij.
Die vijfde maand, toen de eerste kring van een fles wijn zich had afgetekend op het tafelblad, heeft hij dezelfde avond nog staan poetsen. Misschien had hij witte wijn over de donkerrode ring moeten gieten. Hij durfde het niet. Het droge hout had het gretig geabsorbeerd. De kring liet zich niet wegwrijven. Hoewel hij op zichzelf foeterde, had de bedwelmende roes de overhand. Het was een goede avond geweest. Met veel plezier had hij zitten lezen.
Nu, zo’n vijftien kringen verder, weet hij nog precies die eerste aan te wijzen en het boek aan te halen dat hij toen las. Iemand anders zou een beschadigde tafel zien, Tim ziet een tafel vol geschiedenis. Als een fles of glas een afdruk heeft achtergelaten, hoort daar een goed boek, een sterk verhaal bij. Een avond alleen doorgebracht, of met vrienden. Iedere kring is hem lief. Hij heeft zich de tafel eigen gemaakt. Alcoholvlekken vertellen zijn verhaal.
Eenzame schoen
Lastig parket
(geplaatst op 15.08.2020)
Vroeg in de ochtend wandelt Jack door het bos. Voorgeschreven door zijn therapeut. Goed voor zijn terugkeer in de samenleving. De zon komt bijna op, nog geen mens te bekennen. Hij houdt even in, wanneer het pad een flauwe bocht maakt. Verderop ziet hij iets roods liggen. Een voorwerp, want de kleur past bij geen enkel beest. Althans niet uit deze contreien.
Behoedzaam komt hij dichterbij. Bijna struikelt hij over zijn eigen voeten. Hij is duidelijk nog niet gewend aan zijn lompe wandelschoenen. Zijn lichaam helt een beetje naar voren, hij houdt zijn hoofd schuin. Daarna haalt hij opgelucht adem. Niets bedreigends, niets smerigs. Een eenzame schoen. Rood suède. Type bordeelsluiper. Met een noppenzool die doorloopt tot op de hiel. Bovenop de wreef, een zinloos kwastje ter decoratie. Gelijk een spoorzoeker uit een van de natuurprogramma’s van Discovery Channel, pakt hij het voorwerp op. Onderzoekt het, bekijkt het van alle kanten, ruikt eraan. Alsof hij zo kan constateren dat het mannetjesexemplaar dat dit heeft achtergelaten, niet ver weg kan zijn. Hij keert het schoeisel om, een steunzool laat los. Moeilijke voeten. Valt de steunzool te herleiden tot een podoloog? Die heeft de gegevens van de patiënt. Van David Attenborough naar Sherlock Holmes, binnen een minuut.
Casual, sportief, een beetje poenerig. Geen krakend leer, of klakkende hakken. Geluidloos aankomen lopen. En toch kiezen voor een kleur die gezien wordt. Wat voor soort man draagt zulke schoenen? Waar is hij? Waar is het rechter exemplaar?
Hij speurt vanaf het pad de omgeving af. Geen geplette varens, of geknakte takken van struiken. Geen sleepsporen in het mulle zand. Hij vraagt zich af wat hij zal doen. Er spelen verschillende scenario’s door zijn hoofd. Afleveren bij het huis van de boswachter? Die vraagt zijn gegevens. Met Jacks verleden is een conclusie snel getrokken. Meenemen en onderweg naar huis ergens dumpen? Op weg naar de parkeerplaats, komt hij vast een dauwtrapper tegen die hem met een loafer in zijn hand voorbij ziet lopen. Schoeisel dat absoluut niet bij hem past. Verderop verstoppen, door van het pad af te lopen, door de struiken heen? Dan creëert hij sporen die door elke amateurwoudloper te lezen zijn.
Hij pakt een zakdoek uit zijn broekzak en wrijft daarmee tegen de haartjes in, waardoor de kleur donkerder wordt en zijn vingerafdrukken verdwijnen. Hoopt hij. Hij plaatst de loafer aan de zijkant van het pad. Wie weet komt de eigenaar vandaag nog langs hinkelen. Maakt hij zichzelf wijs. Maar voor de zekerheid zal hij de komende afleveringen van Opsporing Verzocht kijken. Tegen zijn therapeut zal hij over deze ochtend zwijgen.
Oogcontact
De kans is nooit nul
(geplaatst op 01.08.2020)
Hij voelt de ogen naar hem staren. Er is niemand. Er is al maanden niemand in zijn flat geweest. Wanneer er wordt aangebeld, weet hij waar voor ze komen. Hij doet niet open. Hij kan ze niet terugbetalen. Niet nu. Het beetje geld dat hij heeft, heeft hij nodig voor zijn volgende inzet. Dan is het geluk eindelijk aan zijn zijde. Statistisch gezien kan het niet anders.
De ogen van de dobbelstenen kijken hem aan. Zelfs als hij ze in zijn gesloten rechterhand houdt. Ze maken contact. Hij wordt weer verleid. Thuis gooit hij altijd beter. Hij kan er niets aan doen. Hij moet naar het casino. Daar maakt hij onderdeel uit van een kleine groep vaste klanten. Hoewel ze elkaars naam niet kennen, knikken ze vol begrip naar elkaar bij wijze van groet. Ze gunnen elkaar de winst bij de tafel waar ze zelf niet aan deelnemen. Winst betekent dat de drang voor even beteugeld is.
Vanavond lukt het hem. Sterk zijn, niet gelijk weer inzetten. Naar huis. Morgen in ieder geval een rekening voldoen. Voor even laten de ogen hem met rust.
Drukkend
Roeping
(geplaatst op 18.07.2020)
Heb ik mijn vrouw ooit begrepen? Misschien lag het aan het leeftijdsverschil, denkt Adrie. In de zomer voordat de jongste naar de brugklas ging, zei ze: het is jouw beurt om voor onze dochters te zorgen. Hij kreeg de verwijten je bent er niet voor mij, je vraagt nooit wat ik wil, naar zijn hoofd geslingerd. En weg was ze. Hij haalt een hand door zijn grijze haren.
Hij gaat ander werk doen, minder uren. Hij smeert boterhammen, plakt fietsbanden, speelt voor taxi, kookt maaltijden. Ooit was hij een accountmanager, altijd onderweg met als enig doel het behalen van opgelegde targets. Nu is het zijn roeping om voor anderen te zorgen. Hij wil graag overal bij betrokken zijn, iets voor ze betekenen. Ook al krijgt hij van zijn kinderen nauwelijks dankbaarheid terug.
Direct na het eindexamen van zijn jongste dochter blijft hij alleen achter in een leeg huis. De gedachte dat hij over een maand met vervroegd pensioen gaat benauwt hem. Hoe gaat hij alle tijd van de wereld verdrijven?
Ik wil zingeving. Hoe kom ik in contact met hulpbehoevende mensen die graag verzorgd willen worden, zonder dat ik verdacht word van bijbedoelingen, vraagt Adrie zich af. Het antwoord denkt hij te vinden aan de andere kant van de provinciale weg.
Adrie hoort gestommel op de trap. Even later staat Marouan in de keuken. Een strakke scheiding in het natte haar.
‘Heb je goed geslapen?’ vraagt Adrie in gebrekkig Engels.
‘Ja, heel lekker. In het centrum is het altijd onrustig. En nu een eigen kamer, heerlijk.’ Marouan laat een brede glimlach zien op een gestoppeld gezicht.
‘Het is de slaapkamer van Chantal. Ze woont alweer een half jaar bij haar zus in Rotterdam, waar ze allebei studeren.’ Adrie maakt een uitnodigend gebaar.
‘Zie je ze vaak?’ Marouan gaat zitten aan de gedekte tafel.
‘Nee. Rotterdam is ver weg. Sinds zij samenwonen zijn ze nog niet langs geweest.’ Even valt Adrie stil. Hij staat op en loopt naar het aanrecht. ‘Zullen we een bakkie doen?’
‘Bakkie doen?’ Marouan kijkt met opgetrokken wenkbrauwen naar Adrie, die met de koffiekan in zijn hand staat. ‘Ah, een kopje koffie. Ja, lekker.’
‘Na het ontbijt gaan we het dorp in.’ Adrie schenkt twee mokken tot aan de rand toe vol. ‘We gaan op de fiets. Ik heb er nog een die je kunt gebruiken.’ Marouan laat zijn grote donkere ogen zien. ‘Maak je geen zorgen, ik leer het je wel,’ zegt Adrie terwijl hij alvast op de geslaagde exercitie een proostend gebaar maakt met de mok in zijn hand.
Hij woont al maanden bij me in, denkt Adrie. Ik smeer boterhammen, plak fietsbanden, speel voor taxi, kook maaltijden. Ik beschouw hem als mijn leerling. Of zelfs als mijn zoon. Hij absorbeert alles wat ik zeg. Misschien is dit wel de beste relatie die ik ooit heb gehad. Ik heb me zelden zo nuttig gevoeld. Zijn gedachtestroom wordt onderbroken door gestommel op de trap. Even later staat Marouan in de keuken met in elke hand een volle boodschappentas. Adrie kijkt de door hem verklaarde hulpbehoevende vragend aan. Marouan gaat tegenover hem zitten en schraapt zijn keel.
‘Adrie, ik ben je heel dankbaar. Je bent mijn steun en toeverlaat hier in Ter Apel. Je hebt me leren leven buiten de instelling. Het is tijd om me los te laten. Ik ga terug naar het opvangcentrum.’ Adrie opent zijn mond. Marouan legt hem met een handgebaar het zwijgen op en gaat verder. ‘Ik mis de sociale contacten, mijn landgenoten. Ik mis mijn vrijheid. Hoewel beperkt, is het de vrijheid die ik verworven heb. Deze wil ik niet prijsgeven na alles wat ik heb meegemaakt. Ik verlang er naar, om zo nu en dan een dag te hebben met alle tijd van de wereld. Dat ik niet vooraf weet, hoe ik de dag door zal komen. Die tijd is namelijk ook van mij. Laat me keuzes maken. Ze zullen niet altijd goed uitpakken. Maar het zullen mijn keuzes zijn.’ Hij frunnikt aan de mouw van de gebreide trui die vroeger van Adrie was. ‘Struikelend ben ik vanuit mijn land hier terecht gekomen. Gehavend. Je hebt me geholpen om te wennen aan een voor mij vreemde omgeving. De tijd is aangebroken om na te denken, terug te blikken en voorzichtig vooruit te kijken. Ik moet dat alleen doen. Neemt niet weg dat ik graag af en toe bij je langskom om een bakkie te doen.’ Voordat hij opstaat, knijpt Marouan met duim en wijsvinger boven in zijn neus en sluit voor een paar seconden zijn ogen. Alsof hij een opkomende aanval van migraine probeert te blokkeren.
We zouden vandaag gaan winkelen in Assen, denkt Adrie. En de aardappelen die ik vanochtend heb geschild: veel te veel voor mij alleen. Hij schudt de uitgestoken hand zwijgend. Even later hoort hij de voordeur in het slot vallen. Hij blijft wederom achter met alle tijd van de wereld en een radeloos gevoel.
Twee werelden
Born to be wild
(geplaatst op 04.07.2020)
Rudolph ziet zichzelf al rijden op zijn extreem vette chopper. Straks na het werk, laat hij de motor brullen. Een doordringend geluid weerkaatst tegen de gebouwen. Niet alleen met het geluid trekt hij de aandacht. Zijn oranje gespoten motor heeft een verlaagd zadel en een verlengde voorvork. Handen aan het stuur, betekent handen in de lucht. Hij gaat er speciaal voor naar de sportschool. Een stuk van honderd kilometer met de armen omhoog, vergt nogal wat van zijn voorheen niet ontwikkelde spieren. Nu heeft hij armen als staalkabels en nieuwe overhemden met lange mouwen. Die draagt hij naar het werk. Ooit zal hij op de motor daarnaartoe rijden. Iedereen zal kijken. Maar aangezien het slechts vijf minuten lopen is, van zijn woning naar het gemeentehuis, vindt hij dat nog een stap te ver.
Matzwarte helm, zonder vizier. Een donkere zonnebril om tranen in zijn ogen te voorkomen en inslaande insecten te weren. Corduroy bandplooibroek maakt plaats voor een vale spijkerbroek. Brogues worden vervangen door zwarte laarzen. De grijze parka ruilt hij om voor een jas van tien kilo. Geborsteld leer, sleets.
Met mooi weer kan de jas uit. Hij draagt een slim fit t-shirt, onder zijn rechtermouw kruipt de afbeelding van een tijger tevoorschijn. Op het werk verborgen onder zijn overhemd. Hij legt even zijn hand erop, het opengeslagen dossier van een subsidieaanvraag ligt voor hem. Zijn geheim. Hij glimlacht.
‘Wat is er zo leuk, Van Dieren?’ Zijn afdelingschef. Hij heeft hem niet zien aankomen. Het haantje kwakt een stapel dossiers op zijn bureau en voegt daaraan toe: ‘Vandaag nog wegwerken. Man, waar zat je met je gedachten?’
Niet een vraag die ik ga beantwoorden, denkt Rudolph. Ik loop na vijf uur langs de sportschool. Dan meld ik me aan voor een abonnement. De eerste stap op weg naar mijn chopper.
Wel bezorgd, niet besteld
Gestoorde avonden
(geplaatst op 20.06.2020)
Woensdagavond. Leo schuifelt naar de voordeur. Hoewel hij zich heeft voorgenomen om de deur na zes uur niet meer te openen, is hij benieuwd wie er heeft aangebeld. De houten voordeur, strak in de lak, heeft een luikje op hoofdhoogte. Hij schuift de knip los en klapt het raampje open. Hij ziet een hoofd van een jongen met een helm op, vlak voor de deur.
‘Uw pizza, meneer.’ De jongen kijkt ongeïnteresseerd, zijn mond hangt een beetje open.
‘Ik heb niets besteld.’ Leo staat op zijn tenen om zijn mond bij het raampje te brengen.
‘Ik heb hier een Quattro Stagioni voor de heer Udema op de Orionweg 35.’ De jongen leest zijn mobiel af.
‘Dat ben ik. Ik heb echter niets besteld.’ Leo zakt langzaam naar beneden, plat op zijn voeten.
‘Weet u het zeker?’
‘Hallo, ik ben niet dement.’ Leo gooit zijn hoofd in zijn nek en praat wat luider. ‘Ik heb al zuurkool op. Wat zou ik nog met pizza moeten. Heel vervelend voor je, deze is echt niet voor mij. Prettige avond nog.’ Leo sluit het raampje, draait zich moeizaam om en sloft naar de woonkamer.
Een uur later gaat de bel. Wie kan dat nu weer zijn, vraagt Leo zich af. Net voor het achtuurjournaal. Snel afwimpelen. Leo doet het raampje open en ziet wederom een gehelmd hoofd van een jongeman. Nu is de kleur van de helm oranje.
‘Goedenavond. Uw pizza Margherita,’ klinkt het enthousiast.
‘Nee hè, niet weer. Die pizza is niet voor mij,’ snauwt Leo.
‘Bent u niet meneer Udema van de Orionweg 35?’
‘Dat ben ik wel.’ Ik wil geen verantwoording afleggen waarom ik iets niet heb besteld, denkt hij. ‘Ik ga het journaal kijken. Goedenavond.’ Zonder een reactie af te wachten, klapt hij het raampje dicht.
Zodra Leo weet dat het morgen vier graden wordt met een straffe frisse wind, die de komende dagen zal aanhouden, doet hij de tv uit. Nog even ontspannen puzzelen, denkt hij. Kopje thee met een kletskop erbij. Hij stelt zijn stoel zo in dat hij zijn benen languit kan strekken. Hij slaat het grootletter kruiswoord-puzzelboek open. 1 horizontaal: Italiaans gerecht uit de oven, vijf letters. Leo moet glimlachen. Met zijn mondhoeken nog in een krul naar boven, hoort hij een brommer stoppen voor zijn huis. Het zal toch niet waar zijn, denkt Leo. Een paar tellen later klinkt de deurbel. Andere jongen, andere kleur helm, zelfde gerecht. Nu een pizza Verdure.
Leo zit in zijn stoel, voeten op de grond. Zijn thee is koud geworden, de kletskop ligt onaangeroerd op een schoteltje. Wat overkomt me, denkt hij. Ik, die nooit iets laat bezorgen, krijg ineens drie keer op een avond iets aangeboden.
En niet alleen die avond. Drie avonden achter elkaar, elke keer drie pizzabezorgers voor de deur. Leo wordt er gek van. Zaterdag aan het eind van de middag. Hij is gespannen, heeft slecht geslapen. Het pizza-intrige speelt hem parten. Hij loopt zonder jas met de vuilniszak door zijn achtertuin naar de schuur, waar hij de zak in de grijze rolcontainer laat zakken. In gedachte loopt hij terug, raapt de leren voetbal op van de buurjongens. Deze ligt al een aantal dagen in zijn tuin. Zonder na te denken gooit hij de bal over de schutting. Hij rilt even. Het is zeker fris, denkt hij.
Na de boerenkool met worst, zit Leo gespannen voor de tv. Elk moment kan er aangebeld worden. Hij verwacht de Quattro Stagioni als eerste, afgeleverd door een jongen met een zwarte helm.
De Friese staartklok aan de muur, slaat tien keer. Leo kan zich de onderwerpen van het journaal en de gasten van de aansluitende spelshow niet herinneren. Deze avond is er niet aangebeld. Zou het dan toch allemaal op een misverstand berusten, denkt hij.
De volgende middag schrikt hij wakker van een doffe knal. Hij ligt in zijn relaxfauteuil. In slaap gevallen na een boterham met kaas en een glas warme melk. Er volgt al snel een volgende knal, veroorzaakt door de leren voetbal tegen de houten schutting. En op dat moment, wanneer er voor een tweede keer een doelpunt valt, valt bij Leo het kwartje.
Een nieuwe bril
Eerlijk zijn
(geplaatst op 06.06.2020)
Meneer Duprie staat voor de stellingen met brillen. Om de monturen beter te kunnen zien schuift hij zijn bril op zijn voorhoofd. Het duurt niet lang of er staat een medewerker naast hem.
‘Kan ik u ergens mee helpen? Bent u op zoek naar een nieuwe bril?’
Meneer Duprie zou het liefst de jongeman afwimpelen zodat hij even tijd heeft om zelf te kijken. Hij wil niet onbeleefd zijn en zegt: ‘Graag. En inderdaad.’
‘Voordat we voor u op zoek gaan, nog een vraag: wanneer heeft u voor het laatst uw ogen op laten meten?’ Meneer Duprie krijgt niet graag persoonlijke vragen gesteld waar hij het antwoord niet op weet. ‘Vijf jaar geleden,’ zegt hij vol overtuiging. De verkoper knippert met zijn ogen. Kennelijk is dit niet het juiste antwoord, denkt meneer Duprie.
‘Dan gaan we eerst uw ogen meten. Ik roep mijn collega Chantal. Zij is gespecialiseerd in het verrichten van oogmetingen.’ Meneer Duprie weet dat er geen ontkomen aan is.
Even later zit hij in een kamertje met zijn kin op een houder, zijn voorhoofd tegen een beugel en kijkt hij recht vooruit, terwijl de jongedame met een bloemig parfum het apparaat bedient. Zijn beigekleurige parka houdt hij aan. Zijn portefeuille zit immers in zijn binnenzak. Zijn het rozen die hij ruikt? Nee, die geur heeft hij voorhanden in het kleinste kamertje van het huis. Het ruikt eerder naar orchidee. Zijn moeder had vroeger een geurende orchidee, wat volgens haar heel bijzonder was. De spanning in zijn kaken verdwijnt. Deze test volbrengt hij moeiteloos.
Wat volgt is een poster met letters. De afstand tot de poster is vijf meter, schat meneer Duprie. Hij dreunt de bovenste regels op. Wanneer de letters kleiner worden (zijn het nog letters?), laat meneer Duprie zien dat hij van goede wil is, door zonder al te veel aarzeling wat veelvoorkomende klinkers en medeklinkers te benoemen, waarbij hij die van haar naam tracht te vermijden. Zo maar zeggen, dat hij niets zinnigs kan onderscheiden, kan de indruk wekken dat hij er met de pet naar gooit. Wie wil er eigenlijk van die afstand de onderste regel kunnen lezen, vraagt hij zich af.
Vervolgens krijgt hij een ander apparaat voor zich. Hij kijkt door twee gaten. De sterkte van de glazen wordt in hoog tempo afgewisseld. ‘Deze sterkte ja. Zo zie ik het beste,’ zegt hij op een gegeven moment met tranen in zijn ogen. Aansluitend nog een psychologische vlekkentest met kleuren. Meneer Duprie moet aangeven welke voorstelling voor hem het duidelijkst is. Terwijl hij druk bezig is met vast te stellen wat het plaatje überhaupt moet voorstellen.
Al die tijd bungelt haar naam in gouden letters aaneengeregen om haar hals. Nee, voor dichtbij heeft hij geen bril nodig. Ze is klaar, zegt Chantal. ‘Een behoorlijk verschil met de bril die u nu heeft. U zult momenteel wel last hebben met scherpstellen.’ Aangezien het geen vraag is, reageert meneer Duprie slechts met een glimlach. Hij is zich niet bewust dat hij een probleem zou hebben. ‘Ik breng u weer naar Brian. Hij is gespecialiseerd in brillenmonturen.’ Nog een expert, denkt meneer Duprie. Met een slappe handdruk, wordt hij overgedragen aan de verkoper.
‘Ik ga voor u een mooie bril uitzoeken.’ De geblondeerde haren van Brian steken af bij de roodbruine bedrijfskleding. Het aanbod is te groot. Meneer Duprie gaat mee met de deskundoloog, die uit de categorie ‘modieus’ een selectie maakt, terwijl meneer Duprie meer van de categorie ‘tijdloos’ is. Diverse brillen krijgt hij op zijn neus gedrukt. Telkens even kijken in de spiegel. Hij wordt er tureluurs van. Hij eindigt met een lichtgewicht randloos montuur dat hem zeker zes jaar jonger maakt. Aldus Brian.
Dat was vier jaar geleden. Het hippe model heeft meneer Duprie uitsluitend buiten gedragen tijdens een ommetje in het donker en binnenshuis om tv te kijken. Hij kreeg er hoofdpijn van. De oude bril met dikke randen, vettige glazen en een licht gebogen, ietwat wiebelige rechterveer is hij gewoon blijven dragen. Tot gisteren die veer afbrak. Vandaag moet hij naar de opticien. Hij neemt zich stellig voor om botweg ‘nee, niet duidelijk’ te zeggen als hij de letters of voorwerpen niet meer kan onderscheiden en op weg naar de winkel herhaaldelijk het woord ‘tijdloos’ te prevelen.
Wolken
Dieren tellen
(geplaatst op 23.05.2020)
Hij kon er vroeger uren aan besteden. Liggend op de vloerbedekking van zijn slaapkamer. Een meter met zijn hoofd van de vensterbank verwijderd, zijn benen wijzend naar het midden van de kamer. Zijn gezicht in de zon, zijn blik naar buiten op de lucht gericht. Het felle blauw en het grillig heldere wit van de wolken. Bij voorkeur met een flinke wind. Het uitzicht veranderde continue. Auto’s, olifanten, een reusachtig hoofd. Drie keer een dier zien en hij mocht naar de wc. Ook als hij nog niet moest. Bij weinig wind, gebeurde het wel eens dat hij het een uur moest volhouden met zijn hand tussen zijn benen. Om zogenaamd een kraanvogel te spotten terwijl het overduidelijk een hijskraan was… Nee, hij mocht zichzelf niet voor de gek houden. Dan had hij aan het begin van de middag die kop thee niet moeten drinken.
Een keer kwam zijn moeder de kamer binnen met de schone was. Ze vond het vreemd dat hij zo op de grond lag. Waarom ga je niet op het pleintje spelen? Met echte voorwerpen en mensen, in plaats van je terug te trekken in een fantasiewereld, zei ze. De buitenwereld was hem net even te onvervalst.
Zal hij deze zomerse dag, in de huiskamer gaan liggen? Nog een keer het gevoel ervaren uit zijn jeugd. Hij doet het gewoon. Jammer van dat derde kopje koffie, dat hij net heeft genomen. Toch durft hij het aan. Even later ligt hij op het laminaat met zijn hoofd in de zon.
Hij ziet een huis, een caravan, een schaap. Dat is een, telt hij. Heerlijk, wat voelt hij zich ontspannen. Even zijn ogen dicht. Hij soest weg. Plotseling is het donker. Niet op een wijze, alsof de zon achter een wolk is verdwenen, maar alsof er sprake is van een verduistering. Hij hoort tikken tegen het glas. Hij draait zijn hoofd een beetje naar links en ziet een gestalte voor het raam staan.
‘Gaat alles goed meneer Duprie? Ik zag u liggen. Bent u gevallen?’ De buurvrouw. Ze staat ordinair te schreeuwen voor mijn huis, denkt hij. Wat moeten de mensen uit de straat wel niet denken? Vlug staat hij op. Hij wuift gemaakt vrolijk en steekt zijn duim op. Er zit niets anders op. Ik schreeuw terug, ik ga mooi niet naar buiten.
‘Ik vroeg mij af of het plafond gewit moest worden en lag dat even te bekijken.’ Hij ziet de ongeloofwaardige blik in haar ogen.
‘OK… Laat ik u weer alleen’, roept ze nog.
Hopelijk kom ik haar voorlopig niet tegen, denkt meneer Duprie.
Met de tijd mee
Teambuilding
(geplaatst op 9 mei 2020)
Meneer Duprie werkt al 33 jaar op het kantoor van de kantoorboekhandel. Administratie. Hoewel hij het liefst zelf lijstjes maakt door pen en papier te gebruiken, weet hij de programma’s voor voorraadbeheer goed te bedienen. Gewoon de stappen doorlopen. Gerustgesteld door de knipperende melding op het scherm ‘weet u zeker dat u deze items wilt bestellen’, drukt hij op enter. Nee, hij kan prima meegaan met de automatisering.
Waar hij meer moeite mee heeft is teambuilding. Sinds een jaar heeft de zoon van de directeur een verjonging doorgevoerd in de zaak. Marianne mocht met vervroegd pensioen, ook al had ze helemaal geen zin om bij haar man thuis te zitten. Ik zie veel liever meneer Duprie 8 uur per dag, zei ze. Marianne was een vrolijk mens. Jan is niet meegegaan met de tijd en mocht na twee functioneringsgesprekken zijn spulletjes pakken. Dat was ook even wennen: functionerings-gesprekken. Jan, de enige medewerker die meneer Duprie met zijn voornaam aansprak, gaf meneer Duprie zijn nietmachine cadeau. Die hele grote glimmende, die wel door 30 bladzijden heen niet en altijd op het bureau van Jan stond, omdat hij langer bij de zaak zat.
En nu zit meneer Duprie met twee frisse knapen op kantoor. Ze vertellen maandag hoe hun weekend was en elke dag beginnen ze met een grap, het liefst een schuine. Dat is goed voor de teamgeest. Samen lachen, schept een band. Meneer Duprie kent geen moppen. Hij heeft laatst een moppenboekje bij De Slegte gekocht. De hele zondag heeft hij geoefend op het vertellen van een grap over Sam en Moos. Maandagochtend sloeg hij zichzelf op de dijen, maar de knullen begrepen het niet.
Bijgeloof
Onheil voorkomen
(geplaatst op 25.04.2020)
Hij sloft de kamer binnen. Gewassen en netjes aangekleed. Zoals het hoort. De tafel aan het raam heeft hij de vorige avond gedekt. Hij zet al weken geen tweede bord meer neer. Toen het pas gebeurd was, dekte hij nog voor twee. Een ingesleten gewoonte. Zij lag altijd al in bed, wanneer hij met tafellaken en bestek in de weer was.
Alleen aan tafel, met de radio op de achtergrond en de krant opengevouwen naast hem. God, wat is hij de ochtenden gaan haten. Weer een hele dag om door te komen. De radiopresentator vindt zichzelf weer eens veel belangrijker dan de muziek, de krant heeft geen positief nieuws te melden. En daar komt dat idiote kind weer aan.
Elke doordeweekse dag huppelt een meisje met los piekhaar en een gekleurde bril langs zijn raam. Op weg naar school. Als een vis op het droge gaat haar mond open en dicht. Praat ze tegen zichzelf, vraagt meneer Van Schie zich af. Of zingt ze een op school geleerd liedje? Zo vrolijk. Om misselijk van te worden. En ze zwaait ook nog altijd even naar hem.
Hij slaat snel de krant op en doet of hij haar niet ziet. Ze laat haar arm met zwaaihand zakken. Dat is het sein om een aanloop te nemen en met een sierlijke sprong over de boomwortel te springen die even verder de stoeptegels heeft doen wijken. Elke ochtend hetzelfde ritueel.
Hij staat buiten voor de deur te wachten, boodschappentas in zijn hand. Hij gaat zo dadelijk naar de supermarkt. Vandaag pakt hij het eens anders aan. Ik trakteer mezelf op een vers broodje, zo’n bruine driehoek. Vond Riet altijd zo lekker, denkt hij. Maar eerst… ah, daar is ze al.
‘Hallo, meneer,’ zegt het meisje met de niet geborstelde haren, van een afstand.
‘Dag meisje,’ zegt meneer Van Schie formeel. ‘Mag ik je iets vragen?’ Het kind staat stil en kijkt hem aan. ‘Waarom spring je over die boomwortel heen?’ Hij wijst naar de plek waar het trottoir bolt.
‘Als ik er op zou staan, als ik het slechts aanraak met tenen of hak, gebeuren er vreselijke dingen,’ zegt het meisje ernstig.
‘Oh ja? Wat dan?’ vraagt meneer Van Schie uitdagend.
‘Ik haal een onvoldoende voor rekenen, of mijn vader valt van de trap, of mijn oma wordt ziek.’
‘Wat een onzin. Dat kan toch allemaal gebeuren ook al heb je de boomwortel niet aangeraakt?’ De spot is duidelijk hoorbaar in de stem van meneer Van Schie.
‘Misschien kan ik het voorkomen.’ Door de dikke brillenglazen kijkt ze meneer Van Schie aan.
Het lijkt net alsof ze een beetje loenst, denkt hij. Voor een wijs kind, heeft ze veel fantasie. Hij loopt naar de los gewrikte stoeptegels. Hij gaat demonstratief op de boomknoest staan met zijn linkervoet. Hij zet zelfs zijn andere voet er naast en balanceert even op de wortel. Dan raakt hij uit balans en doet een stap naar voren. Hij draait zich om. ‘Zie je nu wel, niets aan de hand,’ klinkt het vals.
Wanneer hij naar het meisje loopt struikelt hij over de stronk. Hij verliest zijn evenwicht. Wild slaat hij met zijn armen om zich heen en draait een kwartslag. Om niet te vallen, zet hij een grote stap, van het trottoir af. Tussen twee geparkeerde auto’s komt meneer Van Schie gebukt en in dribbelpas de weg op lopen. Niet een situatie waarmee de bestuurder van de rode auto rekening zou moeten houden.
Het meisje haalt haar schouders op, drukt de bril tegen haar neus en zegt: ‘Daarom dus.’ Ze doet een paar passen achteruit en neemt een aanloop. Soepel springt ze over de wortel en huppelt direct na haar landing verder. Morgen hoeft ze niet te zwaaien.
Tegenpolen
Rauw randje
(geplaatst op 11.04.2020)
‘Niet alles wat je doet, doet me pijn. Maar vanavond is het je weer gelukt,’ zegt Daniël.
‘Jezus, wat ben jij een dramaqueen.’ Roxanne zucht diep, ze zit op haar helft van het bed. De slaapkamer wordt flauw verlicht door de lamp op de overloop.
‘Ik ben een gevoelige jongen. Daar val je toch op?’ Daniël ligt op zijn zij. Hij kijkt naar de contouren van zijn vriendin.
‘Ja, ik hoef geen grimmige macho. Jammer, dat je je gevoel altijd groter maakt. Juist de gevoelens die je angsten voeden. Wees eens superenthousiast over iets, dat zal een aanstekelijke vibe geven. Bij jou is het niets anders dan doemdenken.’ Ze gaat op het dekbed liggen, haar kleren nog aan. Ze staart naar het plafond.
‘Dat ik ook een plan B bedenk, wil nog niet zeggen dat ik van het ergste uitga. Ik houd rekening met het mislukken van het oorspronkelijke idee, dat is alles,’ zegt Daniël. ‘Genoeg over mij. Waarom ga je tot in de vroege ochtend stappen met je vriendinnen? Waar ben je naar op zoek?’
‘Ik wil plezier hebben, kletsen, witte wijn drinken, dansen.’ Roxanne lispelt een beetje.
‘Dat kan je allemaal thuis doen.’
‘Jij wilt diep intellectueel lullen, drinkt cola en danst niet. Vertel me hoe ik plezier moet hebben?’
‘Een goed gesprek levert heel veel op,’ zegt Daniël zuinigjes.
‘Klopt. En soms is het fijn als het helemaal nergens over gaat. Kan jij slap ouwehoeren?’ Roxanne legt haar hand op de blote schouder van haar vriend. ‘Ik bedoel niet een verhaal vertellen dat niemand meer kan volgen, want dat kan je. Een begrijpelijk verhaal een beetje belachelijk maken. Het verhaal ridiculiseren, om dicht bij jouw vocabulaire te blijven.’ Ze schudt even zijn schouder om een reactie te ontlokken.
‘Wat is daar het nut van?’ De woorden rollen uit Daniëls mond.
‘Dat je ontspant, niet alles goed doordenkt voordat je iets zegt, dat het grappig is, dat de meeste gesprekpartners kunnen inhaken.’
‘Daarom ga je dus stappen met je vriendinnen. En waarom moet het zo laat worden? Ik maakte me echt ongerust. Je opende mijn berichten niet meer.’
‘Ik probeer thuis juist achter me te laten. Wanneer ik op mijn telefoon kijk en zie dat ik me moet verantwoorden, dat mijn gangen worden nagegaan, dan neem ik er nog een. Trouwens, dat rauwe randje, dat zijn overigens jouw woorden, dat vind je aantrekkelijk. Heb je zelf gezegd toen we elkaar hebben leren kennen op het werk.’ Daniël weet dat ze nu een glimlach op haar gezicht heeft, ook al kan hij die in dit licht niet onderscheiden. Ze verwijst dikwijls naar het rauwe randje om haar gedrag te verklaren. Had hij dat maar nooit gezegd.
‘Zeker. Je weet echter geen maat te houden. En mag ik niet ongerust zijn?’
‘Natuurlijk wel. Je hoeft me dat alleen niet te laten blijken. Zeker niet tijdens de avond zelf.’
‘Waarom kom je überhaupt nog thuis?’ bitst Daniël.
‘Omdat je zo lekker veilig bent. Omdat jij de vader van mijn kinderen wordt,’ fleemt Roxanne. Ze draait zich naar Daniël toe en geeft hem een zoen op zijn wang, haar lange haren vallen over zijn hoofd.
‘Getver Rox. Je ruikt naar alcohol, nicotine èn knoflooksaus.’ Daniël voelt de boosheid verdwijnen. ‘Ga douchen, poets je tanden en kom tegen me aanliggen,’ zegt hij gemaakt knorrig.
‘Komt in orde. Alles om het gevoelige reukorgaan van mijn mannetje te pleasen,’ zegt Roxanne opgetogen, terwijl ze haar benen over de rand van het bed slingert.
Moraalfilosofie
Aan de kaak stellen of verraden
(geplaatst op 28.03.2020)
‘Je bent een rat.’ Menno spreekt het niet beschuldigend uit. Eerder angstig.
‘Ik beschouw mijzelf liever als klokkenluider,’ zegt Dwight.
‘Eerst meedoen en vervolgens de boel verlinken.’ Menno zit achter zijn bureau en praat richting zijn beeldscherm.
‘Je klinkt teleurgesteld. Je hebt het over verlinken. Volgens mij weet je zelf ook dondersgoed, dat wat we doen illegaal is.’ Dwight staat, met zijn armen over elkaar geslagen, schuin achter Menno.
‘Niet illegaal. We maken gebruik van de regels.’ Menno fluistert deze zin meer voor zichzelf dan voor het dienen van repliek. Meer om zichzelf te overreden.
‘Je bedoelt: bij het opstellen van de regels heeft men hier nooit aan gedacht. Daarom is er ook niet in toezicht voorzien. Omdat deze situatie niet is beschreven en controle ontbreekt, maakt wat we doen nog niet legaal.’
‘Het is overheidsgeld. Wie doen we kwaad?,’ reageert Menno bijtend. Hij draait zijn bureaustoel richting Dwight.
‘De belastingbetaler.’
‘Die heeft voor mij geen gezicht. Het is een abstract begrip. We romen af. De projecten worden uitgevoerd, ze vallen alleen iets duurder uit dan in eerste instantie begroot. Stelpost onvoorziene kosten. Zodra de rekeningen zijn betaald, kunnen we het geld voor die post via een ingenieuze constructie achterhouden. Dubbele facturen, andere bedragen.’ Menno haalt zijn neus op.
‘Wegsluizen naar een rekening van een instelling, in een of ander duister belastingparadijs waar ons land geen verdrag mee heeft.’ Dwight probeert oogcontact met Menno te maken, door schuin achterover te hellen en iets door zijn knieën te gaan.
‘Nogmaals, we maken gebruik van de regels. En het bureau dat we hebben ingeschakeld heeft toch onderzoek gedaan?’ Menno spreekt de zinnen uit terwijl hij kijkt naar de bruine schoenen van zijn collega.
‘Het opvoeren van een stelpost valt binnen de regels ja. Om deze in te vullen met fictieve werkzaamheden, niet. We hebben een bureau betaald waar jouw vriendje directeur van is. Het bureau heeft rekeningen ingediend voor werkzaamheden die het misschien bij benadering gedaan heeft, maar lang niet zo uitgebreid en diepgaand als het beweert. Het rapport dat het na een jaar heeft opgesteld, had ik na een week googelen bij elkaar kunnen schrijven. Een en al open deur.’ Dwight maakt het bovenste knoopje van zijn overhemd los en bevrijdt zich van zijn stropdas.
‘We zijn mee geweest op onderzoek,’ zegt Menno zwakjes, terwijl hij met een hand door zijn grijze haren gaat.
‘Je bedoelt dat we gefêteerd zijn op een stedentrip, in een luxe hotel zijn ondergebracht en vijf dagen van feest naar feest zijn rondgereden. Daar mogen nooit foto’s van boven water komen.’
‘Precies. Dat wil je niet. En je vrouw ook niet,’ zegt Menno ijzig. Hij kijkt Dwight nu wel aan.
‘Ga jij mij bedreigen?’
‘Nee, zeker niet. Ik wijs je slechts ergens op, waar ik geen invloed op heb. Zodra jij uit de school klapt, zouden de mensen van dat bedrijf wel eens akelig kunnen worden. Ik heb geen zeggenschap over dat vriendje van me. Hij is iemand die me eens benaderd heeft tijdens lobbywerkzaamheden. Een vaag zakelijk contact. Los daarvan, het is in mijn ogen niet erg om ons salaris een beetje op te krikken. Gezien de uren die we maken, verdienen we dat.’
‘Niet erg?’ verzucht Dwight. ‘Het is niet toegestaan!’
‘Ach, kom. Onze baas mag meer onkosten declareren en wij hebben er al jaren geen geld bij gekregen. Waarom mag hij business class vliegen, waarom mag hij overal een taxi naar toe nemen, waarom mag hij in het penthouse verblijven? De pracht en praal heeft hij niet nodig voor het uitvoeren van zijn werkzaamheden. Een beetje minder kan ook wel. In onze situatie rekenen we gewoon wat kosten naar ons zelf toe. We vliegen economy class, nemen het ov en slapen in een gewone hotelkamer. Het verschil in kosten verdienen we terug via deze constructie.’
‘Dat van onze baas is misschien oneerlijk, dat wil niet zeggen dat we recht hebben op meer budget of meer loon. Ook al heb je jezelf daarvan overtuigd. Ik verlies wellicht mijn vrouw, het respect van mijn kinderen. Maar ik kan mijzelf wel weer aankijken in de spiegel.’
‘Hebben ze spiegels in de bajes?’ vraagt Menno sarcastisch en voegt daar direct schuchter aan toe: ‘Andere collega’s doen het ook.’
‘Probeer het eens van een afstand te bekijken, zonder eurotekens in je ogen. Je weet dat het niet de bedoeling van het fonds is om geld voor eigen gebruik aan te wenden. Ik geef je een week bedenktijd. Ga met me mee, de zaak aanhangig maken.’ Dwight kijkt Menno bijna smekend aan.
De spieren in het gezicht van Menno trekken samen wanneer hij zegt: ‘Ik wil niet bekend staan als matennaaier.’ Hij draait zijn stoel weg van Dwight.
Dwight verzucht: ‘Iemand die de waarheid onthult kan uitsluitend in de ogen van criminelen als verrader worden aangezien. Dat zegt iets over jou en de anderen. Een week Menno. Daarna ga ik naar de baas.’ Dwight loopt de afdeling af, zijn groene stropdas in zijn hand.
Menno blijft aangeslagen achter en mompelt: ‘Kijk uit, bij het oversteken.’
Klaterend eerbetoon
Hulde aan het pissoir
(geplaatst op 14.03.2020)
Hij weet precies waar de urinoirs van Amsterdam zijn. De vrij toegankelijke stalen plaskrullen. Zijn zwerftocht door de stad gaat langs grachten, over pleinen en door nauwe stegen. Hij slingert zich een weg door het centrum. Af en toe gaat hij een supermarkt binnen, koopt twee halve liters bier en wat brood om de roes te begeleiden. Hij zoekt een mooi plekje langs de gracht of in een park, een beetje in de zon.
Een bankje, een eiland, zijn wereld met uitzicht. De mensen trekken aan hem voorbij. Alsof hij een defilé afneemt. Hij wordt vriendelijk toegeknikt door een man in pak die hem stiekem benijdt. Zoveel vrijheid, om een uur in de middag op een doordeweekse dag. Het doet de stropdas naar vakantie verlangen. Hij wordt meewarig aangekeken door een moeder achter een kinderwagen. Vastberaden haar kind dusdanig op te voeden dat het niet eindigt op een bank met een blik in de hand. Wat ze niet weet is dat hij een goedbetaalde baan heeft.
Even licht in zijn hoofd, wanneer hij opstaat. Hij haalt diep adem en zet een paar passen, weg van het water van de Keizersgracht. Zijn afval propt hij in de overvolle prullenbak. Er zijn vast mensen die denken dat hij er juist iets uit haalt, ook al ziet hij er verzorgd uit.
Een klein stukje lopen en hij kan zich ontdoen van het liter vocht dat hij zojuist tot zich heeft genomen. Soepel beweegt hij de spiraalvormige krul in. Bovenop de brede rand van de grijze natuursteen, waar hij tegenaan kan plassen, een blikje, een peuk, de nodige proppen papier op de vloer. Even moet hij kokhalzen vanwege de penetrante ammoniakgeur. Hij weet zich snel te herstellen. De druk op de blaas er af. Hij plast een transparante straal. Ondanks dat hij rekening houdt met de afstand tot de plasplaat en hij zorgvuldig schuin naar beneden richt, moet hij zijn voeten verder uit elkaar zetten om geen spetters meer op te vangen.
Midden in de stad staat hij te plassen, in de krul op poten. Zijn schoenen en onderbenen voor een ieder zichtbaar, een ieder die weet wat hij daar aan het doen is. En toch voelt hij zich niet bekeken, is hij het juist die de mensen bespiedt. Hij gluurt door de op ooghoogte geperforeerde plaat. Geen inkijk, wel uitzicht.
Opgelucht en aangesterkt, de alcohol doet zijn werk, kijkt hij bij het verlaten van het urinoir om zich heen. Hij besluit het Amstelveld over te lopen, dan naar rechts, een Albert Heijn in de buurt. Vervolgens naar de Amstel lopen en een bank bezetten met uitzicht op Carré. Al drinkend een uurtje bootjes kijken. Vanaf daar is het een korte wandeling naar de Weesperstraat, waar achter de Hermitage het volgende urinoir op hem staat te wachten.
Hij moet goed op de hoogte blijven, het worden er immers steeds minder. Naarmate de dag vordert, moet hij de afstand tot het volgende pissoir goed weten in te schatten. Tot de ontdekking komen dat er een is verwijderd, kan hem in een lastig pakket brengen. Maar vandaag gaat er niets verkeerd. Hij viert het leven en denkt er over na, om morgen zijn ontslag in te dienen. De dag is nog lang niet om. Nog zeker vier keer een sanitaire stop te gaan. Vandaag geeft hij een klaterend eerbetoon aan de nog aanwezige donkergroene plaskrullen.
Postuum vermoorden
Substitutie
(geplaatst op 29.02.2020)
Ik had mijn vader acht jaar geleden moeten aanrijden, toen hij de straat overstak ergens in Amsterdam Noord. Hij zag er verdomd goed uit. Kwieke tred. Volle bos grijs haar. Jammer. Kans verkeken. Een paar jaar later is hij overleden in het bijzijn van zijn tweede leg.
Mijn dominante vader, die tot mijn twaalfde jaar elk moment aangreep om me te kleineren. Ook wanneer ik met een vriendje was. Of juist. Nooit was ik in zijn ogen goed genoeg. Zijn kritische vragen kon ik niet naar zijn tevredenheid beantwoorden. Door zijn rokersadem kreeg ik het benauwd. Ik begon te stotteren, wat me in de ogen van de selfmade zakenman die hij pretendeerde te zijn, verder in achting deed dalen. Hij liet me geloven dat ik de reden was waarom hij ons verliet. Over zijn naderend faillissement repte hij met geen woord.
Ik dacht dat ik over hem heen was. Dat ik hem als pijnlijke herinnering verwerkt had. Tot een jaar geleden. Een nieuwe baas. Zelfingenomen. Met een door nicotine verkleurde, opgeheven wijsvinger kondigde hij een bezuinigingsronde aan. Ik moest me verantwoorden. Constant in de verdediging gedrukt. Ik kwam moeilijk uit mijn woorden. Hij liep over me heen waar anderen bij waren. Het leek zijn favoriete bezigheid. Mijn met moeite opgebouwde eigenwaarde brokkelde in rap tempo af.
Achteraf was het wachten op de gelegenheid. De gelegenheid die ik acht jaar geleden onbenut had gelaten. Het diende zich aan in de vorm van een teambuilding survival-uitje. Het regende. Tussen de bomen was een parcours uitgezet van strak gespannen tokkelbanen en wiebelende touwbruggen. Ik werd aangewezen om op een centraal punt, op tien meter hoogte, zorg te dragen voor het wisselen van de zekering. Een collega kwam vanaf de touwbrug aan en kon even naast me op het glibberige platform op adem komen. Ik zekerde hem een tweede keer en koppelde daarna de eerste zekering los. Klaar voor de volgende hindernis. Klaar voor de volgende uitdaging, waarover nog jaren gesproken zou worden.
De baas had zijn uniform, zijn donkergrijze pak met mintgroene stropdas, ingeruild voor kleurloze vrijetijdskleding. Collega’s fluisterden. Hij leek op niemand bijzonder meer, verworden tot een willekeurig ieder. Maar niet voor mij.
Nog voordat hij naast me op het platform kwam staan, nam ik zijn geur waar. Ik handelde als vanzelfsprekend. Ik deed alsof ik zijn gele helm even recht moest zetten. Stijf van de adrenaline merkte hij niet dat ik de gesp los klikte. Bij hem maakte ik niet eerst een tweede zekering vast. Direct na het loskoppelen stootte ik met mijn heup tegen hem aan. Stevig genoeg om hem uit balans te brengen. Ik zag zijn grote donkere ogen. In een fractie van een seconde: van verbazing naar angst. Zijn graaiende armen die geen houvast konden vinden. Het volgende plaatje bestond uit de steeds groter wordende plas bloed rondom het hoofd van mijn vader, dat langzaamaan op dat van mijn baas begon te lijken.
Lange afstandsrelatie
Bewust samenzijn
(geplaatst op 15.02.2020)
Weer zo’n Hollander, die vraagt waar we elkaar hebben leren kennen. Een vraag die hij nooit zou stellen, aan een stel waarvan beide partners accentloos Nederlands spreken. En waarom schakelt hij over op Engels, terwijl ik zo mijn best doe om de taal van hier te spreken? Om mij een plezier te doen, of om te laten horen dat hij wel twee talen vloeiend spreekt?
Ik vertel dat ik Barbara heb leren kennen tijdens een uitvaart. Ik had de gewoonte om druk bezochte uitvaartdiensten te bezoeken. Niemand die je de vraag stelt wie je bent en wat je relatie tot de overledene is. Een plak cake, een kop koffie. Soms broodjes, een paar glazen wijn en een schaal nootjes. Gratis. Voor een student een manier om geld uit te sparen. Blijkt het ook nog eens een perfecte ontmoetingsplaats te zijn om met meiden in contact te komen. Verdrietig, kwetsbaar. Ze staan open voor troostende woorden en grijpen het leven. De Hollander verzint een excuus om weg te gaan. Einde gesprek. Opzet geslaagd.
Wanneer ik wel het echte verhaal wil vertellen, omdat de vraag gesteld wordt door iemand die oprecht geïnteresseerd is, heb ik het over Dublin. Barbara heeft daar een half jaar gestudeerd en ik heb haar ontmoet in The Old Bell. Ze zat aan de bar, had afgesproken met vriendinnen. Ik bestelde een lager en een zakje porc scratchings. Wat is er lekker aan gefrituurde varkenshuid, vroeg ze me. Ze trok een vies gezicht. Kijk, die openingszin had ik nog niet eerder gehoord.
Ze heeft haar studie nu afgerond en is op zoek naar een baan. Ik mag nog een jaar en wil daarna naar Nederland verhuizen. Gelijk een economische vluchteling met een relatie. Tot die tijd grijpen we elke mogelijkheid aan om naar elkaar toe te gaan. Ik ben hier nu voor de vierde keer.
Vervolgens vraag ik waar hij zijn vriendin heeft ontmoet. Als het niet via Tinder is, dan is het in de kroeg. Zoveel verschillen de verhalen niet. Alleen zit er tussen Barbara en mij een kleine duizend kilometer. Mede daardoor beleven we bewust de tijd dat we samen zijn. Waarschijnlijk doen de meeste mensen met een latrelatie dat. Dus ja, ik kom naar Nederland, maar we gaan niet direct samenwonen. We verkleinen de afstand, het blijft latten. We kunnen elkaar vaker zien. Met aandacht voor elkaar. En ik kan zonder commentaar, op mijn kamer in Haarlem, uit Ierland meegenomen porc scratchings eten.
Weemoed
Een kopje thee
(geplaatst op 01.02.2020)
Thuiskomen. Waar mama wacht met een kopje thee en een koekje. Het mag natuurlijk ook papa zijn. Of de au-pair, de vriendin van papa. Het gaat om geborgenheid.
Ik kom thuis van een lange dag school. Niet de meest enerverende dag. Misschien ben ik wel gestraft voor iets wat ik niet heb gedaan. Of heb ik een onvoldoende gekregen voor een vak waar ik sowieso het nut niet van inzie, maar waar ik wel op kan blijven zitten. Ook nog eens met windje tegen en slagregen naar huis gefietst. Ik wil niets liever dan in de buurt van de verwarming opdrogen met een warme kop thee tussen mijn handen geklemd. De thee voor mij gezet, door iemand die mij alleen hoeft aan te kijken om op te merken dat uiteindelijk alles goed komt.
Eigenlijk kan ik, jaren later, die iemand nu ook goed gebruiken. Na een lange dag kantoor. Niet de meest enerverende dag. Misschien is mijn baas tegen me tekeer gegaan over iets waar ik geen rol in heb gespeeld. Of heb ik gehoord dat ik beneden verwachting presteer met betrekking tot het vullen van een rapportagetool waar ik het nut niet van inzie, maar die wel bepaalt of ik nog een salarisverhoging krijg of niet. Ook nog eens met een vertraagde en overvolle trein naar huis. Dan zou ik willen dat er iemand op mij zit te wachten. Met een kop thee en wat geruststellende woorden.
Reltoerist
Adrenaline
(geplaatst op 18.01.2020)
Zoeken naar een ideologie die past bij de behoefte om geweld te gebruiken. De middelen die worden ingezet om het gedachtegoed kracht bij te zetten, die zijn belangrijk. Hij wil graag een stoeptegel loswrikken om te protesteren tegen de combiregeling, tegen multinationals of tegen verhoging van de brandstofprijzen. Het is hem om het even. Hij gooit er niet minder ver door.
Tegel laten vallen op straat, vuistgrote brokken liggen klaar voor het oprapen. Strakke worp. Op de voorruit van het ME-busje. Jammer dat er traliewerk voor zit. Van positie veranderen. De charge van de oproerpolitie voor zijn. Het waterkanon ontwijken. Een kat en muis spel.
Soms gooit hij als eerste een steen en volgen anderen hem. Een machtig gevoel. Voorop in de strijd. Zolang hij niet met zijn medebetogers hoeft te praten over wat ze nu eigenlijk willen bereiken. De kans bestaat dat hij zegt dat hij niet gedwongen wil worden, om opgehokt met alle supporters in de bus naar uitwedstrijden te gaan. Het gele hesje zal hem niet begrijpend aankijken.
Hij komt nog eens ergens. Zeker als het de antiglobalisten betreft. Hoewel hij zich beperkt tot Europa. Zoveel mogelijk anoniem reizen met auto of trein. Niet overnachten in de plaats waar gedemonstreerd wordt. Cash betalen.
Kopenhagen, Hamburg, Biarritz. Actieve stedentrips, noemt hij ze. In zijn rugzak zit een sweater met capuchon, een baseball pet en een sjaal. Alle items in een donkere kleur en geschikt om zich in te verbergen. Hij heeft wel eens beelden van zichzelf teruggezien. Geen kenmerken die tot hem te herleiden zijn.
Een adrenalinestoot bij elke worp. De bloedvaten vernauwen, het hart pompt sneller. Een combinatie van angst en opwinding. Alles in hem schreeuwt: vluchten. Eerst nog een brandende container de weg op rollen. Nooit zal hij deelnemen aan plunderingen. Hij heeft ook zo zijn fatsoen. Burgerlijke ongehoorzaamheid ontspoort in geweld, staat er in de krant te lezen. Voor hem geen publiek maar een eigen belang. Beter dan drugs. Hij voelt dat hij leeft. Hij is er echt even tussenuit. Maandag weer aan het werk bij het ministerie.
Tevreden
Zonder opsmuk
(geplaatst op 04.01.2020)
De jacht op materiële zaken. Altijd nog meer willen hebben. Dankbaarheid en blijdschap zijn van korte duur. Ze heeft er al jaren genoeg van. Ze koopt liever ervaringen. In de vorm van vliegtickets. Het liefst naar landen die nog niet zo ver doorgeschoten zijn. Waar ze wifi-loze dorpen kan bezoeken, mensen kan ontmoeten die eenvoudig leven. Tevreden zijn met wat ze hebben. Waar sociale contacten belangrijk zijn, waar je elkaar helpt en troost, met elkaar eet, drinkt, lacht en huilt. Waar gemeenschapszin nog van betekenis is.
In het hostel raakt ze aan de praat met een man. Hij verzorgt hier ’s-avonds de maaltijd van groente die hij zelf verbouwt. Hij heeft een stuk land, een koe en twee geiten. Zo verdient hij zijn geld. Ze praten lang, ze praten vaak. Ze gaan een paar keer iets drinken. Ze worden verliefd. Hij noemt haar zijn koningin. Gelukkig één zonder opsmuk.
Ze wil graag zijn woning zien. Hij aarzelt. Hij schaamt zich voor zijn schamele onderkomen. Zij dringt aan. Hij neemt haar mee. Eenmaal binnen blijft hij zich verontschuldigen. Ze legt een vinger op zijn lippen en zegt voordat ze hem kust: als ik jouw koningin ben, dan is dit de woning van een koning.
Kerstgedachte: gratie verlenen
Met een groots gebaar de klos
(geplaatst op 21.12.2019)
‘Zal ik de benedenbuurman gratie verlenen voor Kerst?’
‘Hoezo? Hij zit toch niet opgesloten in je berging?’ reageert Peter ad rem.
‘Gevangen in mijn oordeel. Zijne doorluchtigheid van het trapportaal irriteert mij mateloos. Zijn vermeende aanzien ontleent hij aan zijn leeftijd. Terwijl ik ook wel weet dat hij een eenzame, nukkige man is.’
‘Wat irriteert je aan hem, behalve zijn hooghartigheid?’ Peter en ik staan bij de koffieautomaat. Schaal met kerstkransjes binnen handbereik.
‘Zijn stinkende vuilniszak. De baron dirigeert waarschijnlijk thuiszorg om de zak elke dinsdagavond buiten zijn voordeur te zetten, nadat ze hem in de avond naar bed hebben begeleid. Buiten de deur, uit het zicht, in het trappenhuis. De volgende ochtend ruik ik het afval van een week oud en draait mijn maag om.’
‘En daar heb je hem vriendelijk op gewezen?’ vraagt Peter met een grijns op zijn gezicht en amandelschaafsel boven zijn linker mondhoek.
‘Vriendelijk. Vriendelijk… In ieder geval resoluut. Het heerschap kan op zijn vingers natellen wanneer hij de broeiende afvalzak naar de container brengt, dat hij deze voortaan niet meer in het afgesloten trappenhuis moet laten overnachten. Misschien is zijn reukorgaan aangetast. Maar de beweging van het zwarte plastic kan hem niet ontgaan. Naast de geur, is er iets anders, dat uit die zak wil komen.’
‘Aangezien thuiszorg hem naar bed brengt, betekent dit waarschijnlijk dat hij zelf niet meer naar de container kan lopen. Toch?’
‘Jezus, Peter. Jij gaat uit van het goede van de mens. Ook een nobele kerstgedachte. Hij vergeet soms met zijn linkerbeen te slepen. Volgens mij fingeert hij een blessure voor het contact met de wijkverpleging.’
‘Na jouw vingerwijzing, heeft hij zijn leven gebeterd?’ Peters hand gaat weer naar de schaal met koekjes.
‘Niet echt. Het gaat een paar weken goed totdat er weer een meurend exemplaar op mij te wachten staat. Ik spreek hem wederom aan. Hij reageert uit de hoogte. Hij lijkt op de confrontatie uit te zijn. Toch weer een contactmoment. Hoe het ook zij, vanavond is het Kerstavond. Tijd voor verandering. Ik bel bij hem aan met mijn vuilnis in de hand. Ik vraag hem of hij een zak heeft, die ik voor hem kan weggooien. En ik stel voor om voortaan elke dinsdagavond aan te bellen. Kunnen we gelijk een praatje maken. Dankbaarheid zal mij ten deel vallen.’
Om half zes bel ik bij hem aan. Na wat gestommel wordt de deur open gedaan.
‘Goedemiddag, of eigenlijk bijna goedenavond.’ Ik zet mijn vrolijke gezicht op.
‘Middag. En u bent?’ De oude man staat voorovergebogen, zijn hoofd houdt hij schuin omhoog om mij te kunnen zien.
‘Uw bovenbuurman, weet u wel.’ Uw nederige dienaar, denk ik.
‘Nee, niet echt.’ Zijn troebele ogen laten geen blik van herkenning zien.
‘Hoe dan ook, ik dacht ik bel even aan om te vragen hoe het met u gaat.’
‘Oh. Ik zit momenteel de vijf-uur-show te kijken, dus als het niet belangrijk is…’ Ik hoor de presentator alsof hij in de woonkamer zit.
‘Sorry, dat ik stoor. Ik hou het kort. Ik wil graag met u een afspraak maken. Zal ik voortaan elke dinsdag, direct na de vijf-uur-show, bij u aanbellen? We kletsen eventjes en u kunt gelijk uw zak met afval aan mij geven. Want dat is mijn vaste moment om naar de container te lopen.’ Dat laatste is gelogen, zodat hij zich niet bezwaard hoeft te voelen. ‘Een andere dag mag ook, hoor,’ voeg ik daar nog aan toe.
‘Nee, dinsdag leeg ik mijn afvalbak. U kunt aanbellen om 8 uur vanavond, na het eten. De restjes kunnen dan gelijk mee. Om half 9 komt thuiszorg, dus daarna kan het niet meer.’ Het is alsof hij een decreet verkondigt. Nu raak ik toch weer enigszins geïrriteerd. Wat denkt die man wel niet?
‘Weet u wat? Zet de zak op dinsdagavond voor uw deur. Gooi ik het woensdagochtend voor u weg, voordat ik naar mijn werk ga. Morgen zal ik er speciaal vroeg voor op staan. Dan is het Kerst, zoals u weet.’
‘Best. Als u dat wil. Ik moet nu gaan. Goedemiddag.’ Hij kan niet langer wachten om terug te keren naar zijn programma. De deur slaat dicht. Ik blijf verbijsterd achter. Heeft hij mij nu zojuist een gunst verleend?
De volgende dag breng ik voor de eerste keer zijn zak naar de container. Zijne hoogheid gratie verlenen, heeft er toe geleid dat ik me niet meer mag ergeren aan zijn stinkende zak. Zijn zak is immers mijn zak geworden. Zijn vuilnis mag ik, de horige, naar de container brengen. Conform afspraak. Iets in mij zegt, dat ik het verkeerd heb aangepakt. Kennelijk zit hij niet om een praatje verlegen. Hij mag dan oud en nukkig zijn, hij is ook sluw. En hoe moet dat met vakanties? Ik
hoor voor een vervanger te zorgen, ben ik bang.
Zonder verplichtingen
Iemand anders of jezelf zijn
(geplaatst op 07.12.2019)
Ik probeer mijn leven lang al weg te gaan. Halfslachtig, zonder volle overtuiging.
Weglopen naar het park. Teruggedreven door een knagend hongergevoel. Het ontbreekt aan praktische uitvoering. Eenmaal oud genoeg om verder dan de eerste de beste maaltijd te kunnen plannen, hecht ik mij door te studeren, een relatie aan te gaan, kinderen te krijgen, een huis te kopen. Eén voor één excuses om niet weg te gaan. Zelfs nu de kinderen uit huis zijn.
Er blijft een stemmetje in mijn hoofd zeuren. Het avontuur blijft lonken. De zucht naar het onbekende. Hoe zou het zijn om alles en iedereen te verlaten en op pad te gaan? Waar naar toe is niet belangrijk. Onderweg zijn, daar gaat het om. Op mijzelf aangewezen. Zonder verantwoording te hoeven afleggen. Zonder verplichtingen.
Nu is het zo ver. Nu ben ik onderweg. Of ben ik op de vlucht? Ik heb mijn haar geverfd, mijn baard laten staan. Ik heb het niet gedaan. Maar ik heb de schijn tegen. Het zijn mijn vingerafdrukken op het wapen. En dat ik die avond nog een grote som geld heb gepind van onze en/of rekening, spreekt ook niet in mijn voordeel. Dat kan ik niet ontkennen.
De buitenwereld zag haar als lief en onschuldig. Ik wist wel beter. Ze was notabene zelf de echtscheidingsprocedure gestart. Mijn voorstel om alles te delen door de helft, vond ze niet genereus genoeg. Mijn advocaat ging niet in op haar eisen. Voordat ik het wist, was ik in een vechtscheiding beland. Hakken in het zand. Ik was al tevreden geweest met een afkoopsom voor het huis. Geld om te reizen, als ik mijn baan durfde op te zeggen. Ze eiste meer. Veel meer. Ze was onder invloed van haar nieuwe vriend met zijn grote pupillen. Ondanks zijn loopneus rook hij bloed en geld.
Waarom heb ik de besmeurde hamer opgepakt? Een pluk van haar bruine haren aan de hamerkop gekleefd. Ik was even in ons huis om wat kleren op te halen. Ze lag in de keuken op haar buik. De ceintuur van de duster los. Haar blauw geaderde onderbenen in een vreemde knik, alsof ze onder haar waren weggeslagen. Haar hoofd op de koude vloertegels in een donkerrode plas. Haar ogen wijd open. De slag op haar hoofd moet met brute kracht uitgevoerd zijn. Ze heeft het niet zien aankomen. De lafaard heeft haar van achteren aangevallen.
In Brussel neem ik zwart haar. Eenmaal in Madrid, is er sprake van een volle baard. In de spiegel lijk ik niet meer op mijzelf. Langzaamaan word ik degene die ik altijd al had willen zijn. Langzaamaan verdwijnt de oude ik. Ik word een man zonder verplichtingen.
Lange vingers
Met liefde
(geplaatst op 23.11.2019)
De handen van de overledene liggen afgedekt. Alleen het gezicht zichtbaar, voordat de deksel op de kist komt te liggen en door de nabestaanden wordt aangedraaid. Daarvoor heeft Chris zijn zaag al in de rechterhand van mevrouw Van Vliet gezet. Na het geklungel van de eerste keer, mevrouw Schoof heette ze, met een zakmes en een nijptang, heeft hij een chirurgisch zaagje gekocht. Leve internet.
Hij is gefascineerd door vingers van vrouwen. Bij voorkeur lange vingers. Lange vingers van zijn moeder die hem nooit hebben aangehaald. Als nabestaanden oprecht rouwen, als er op de kijkdagen in het uitvaartcentrum veel mensen respect komen betuigen, weet hij dat de overleden vrouw geliefd was en ongetwijfeld ook lief heeft gehad. Dat ze heeft gestreeld en geaaid. Alleen bij haar zet hij een vinger af. Soms twee. Wanneer ze jonger is dan vijftig.
Zijn collega’s zijn inmiddels gewend dat hij als een bouwvakker zijn lunch meedraagt in een koelbox. Koude boterhammen met melk, op weg naar zijn werk. Lange vingers, op weg naar zijn huis. Daar bakt hij ze even op. Jonnie Boer kruiden er bij. Met smaak kluift hij ze af. Hij proeft de liefde.
Verlatingsangst
Claimgedrag
(geplaatst op 09.11.2019)
‘Thom, ga je vrijdagavond mee naar de biosscoop? Naar die blockbuster. Ik heb er drie pakken action hero koekjes voor moeten opeten. Voor twee kaartjes cadeau.’ Roy benadrukt wat hij gezegd heeft door met zijn rechterhand over zijn buik te wrijven. Hij staat naast het bureau van Thom. Een paar keer per dag loopt hij langs. Komt hij even buurten.
‘Leuk. Is het je gelukt om te reserveren? Het is al weken uitverkocht in het weekend.’
Roy voelt een pijnscheut. Thom zou toch niet hebben geprobeerd om met iemand anders naar die film te gaan?
‘Ik heb zo mijn connecties,’ bluft Roy. Hij neemt een hautaine houding aan door met zijn hand zichzelf koelte toe te wuiven en te knipperen met zijn oogleden. Dat hij zijn vrije ochtend heeft besteed om aan kaartjes te komen, vertelt hij er niet bij. Eigenlijk vindt hij actiefilms niet leuk.
‘Thom, ga je zaterdagavond met mij uit eten? Bij mijn zoektocht naar de reservesleutels van mijn fietsslot, heb ik de lade van het keukenkastje omgekeerd. Ik kwam een dinerbon tegen. Verloopt dit weekend.’ Hij druk op de knop voor een espresso.
‘Gezellig. Kies jij het restaurant uit?’ Thom kijkt blij uit zijn bruine ogen, ziet Roy. Vertederd laat hij Thom achter bij de koffieautomaat. ‘Ja, doe ik,’ mompelt hij nog.
Hij reserveert een tafel voor twee bij het restaurant waar hij dinsdagavond een bon heeft gekocht. Normaal gesproken vindt hij uit eten gaan, weggegooid geld.
‘Thom, ga je zondagmiddag mee naar Ajax? Ik heb twee kaartjes gewonnen met een spelletje op de radio.’
‘Gaaf! Natuurlijk ga ik mee. Die belangrijke wedstrijd wil ik niet missen. Jij hebt ook altijd mazzel.’ Thom geeft een knipoog. Roy draait zich om, voelt dat hij bloost. Dit is hem alles waard. ‘Ik zie je zondag om een uur bij de Arena,’ roept hij bij het verlaten van de afdeling. Roy heeft de kaarten een paar maanden geleden gekocht. Zodra op internet de voorverkoop gestart was. Hij houdt niet eens van voetbal.
‘Ik voel me een beetje bezwaard. Die uitstapjes die jij regelt en waarvoor ik niet hoef te betalen. Ik wil geen misbruik van je maken,’ zegt Thom, die voor de verandering eens bij Roy is komen buurten.
‘Ik heb het ook maar cadeau gehad. Het enige wat ik doe is delen.’
‘Laat mij een keer een avondje uit regelen,’ zegt Thom. Roy glimlacht. ‘Ik kijk er naar uit.’
‘Mooi. Ga ik regelen.’ Roy kan niet anders dan kijken hoe Thom zich omdraait, zijn donkere bos krullen zwierig blijft bewegen als hij wegloopt.
Tijdens de lunch, in de sterk naar frituurvet ruikende kantine, vertelt Thom over de stagiaire die al een paar weken voor het bedrijf werkt. Volgens hem een slimme meid. En ze ziet er goed uit.
‘Ik ga eens onderzoeken of ze vrijgezel is. Ik ben gek op roodharigen. Wat denk jij?’ Thom lepelt een weke gehakbal uit een kom waterige smurrie. ‘Soep met ballen, lekker hoor,’ voegt hij er aan toe.
‘Ah, een fijnproever,’ zegt Roy. ‘Dat is het proberen waard. Je weet nooit hoe het loopt.’ Met moeite weet hij de laatste twee zinnen op neutrale wijze te formuleren. Direct daarna staat hij op. ‘Ik ga weer aan het werk.’
‘Nu al? Je hebt je brood niet eens op.’
‘Eet ik achter mijn bureau. Ik moet nog iets afmaken.’ Roy loopt weg. Zijn mobiel vergeet hij mee te nemen.
Achter zijn bureau gezeten ziet Roy het doemscenario voor zich. Thom wordt verliefd op de stagiaire. Het is wederzijds. Vervolgens ziet hij Thom uitsluitend op het werk. Het weekend zit hij thuis. Hij kan niet tegen alleen zijn. De doordeweekse avonden zijn al erg genoeg. Hij vult ze met chatten. Digitale aanspraak. Niet om zich heen hoeven kijken. Niet hoeven nadenken over zijn bestaan. Hij is pas iets waard als hij onder de mensen is. Op het werk vervult hij een taak. In gezelschap van Thom vervult hij een rol.
De nachtmerries worden heviger. Hij droomt niet alleen dat hij ontslagen wordt, met als gevolg een angstvallig stille werkweek. Hij droomt ook dat Thom hem verlaat. Niemand kijkt meer naar hem om. Niemand praat meer tegen hem. Verward zwerft hij over straat. Hij wil niet terug naar het lege appartement. Op het moment dat hij voor de vrachtwagen stapt, schrikt hij wakker. Ogen wijd open. Verhoogde hartslag. Bezweet lichaam.
‘Ze hebben haar ontslagen,’ zegt Thom en trekt daarbij zijn wenkbrauwen hoog op.
‘Wie?’
‘De stagiaire, over wie ik je laatst vertelde. Een greep in de kas. Ze bleef ontkennen en wist niet hoe het geld in haar jaszak terecht was gekomen.’
Roy veinst verbazing. Een gevaar minder. Dat heeft hij mooi geregeld. Hij legt even zijn hand op Thoms schouder en zegt: ‘Zondag Ajax hè.’
Waarom Casper?
Good cop, bad cop
(geplaatst op 26.10.2019)
Veilig geland. Vakantiebestemming bereikt. Na veertien uur vliegen en zonder te slapen, heeft Casper het wel een beetje gehad. Snel langs de douane, koffer ophalen en naar het hotel. Maar snel in dit land heeft een andere tijdspanne dan thuis.
De besnorde douanebeambte bestudeert Caspers paspoort. Zijn ogen gaan een paar keer van de pasfoto naar het hoofd van Casper, die zo onschuldig mogelijk probeert te kijken. De beambte roept er een collega bij. Casper begint te transpireren. Na wat gesmoes wordt hij in gebrekkig Engels verzocht mee te lopen. Hij wordt zelfs bij zijn bovenarm vastgepakt en in de richting van een hokje achter de schermen geduwd. In zijn ooghoeken ziet hij de veelbetekende blikken van zijn medepassagiers. Ze hebben veertien uur de tijd gehad om te verzinnen waarom een man van zijn leeftijd alleen reist naar dit land. Voor sommigen vallen de puzzelstukjes op hun plaats.
Niet voor Casper. Hij probeert te achterhalen waarom hij apart wordt genomen in een airco gekoeld hok. Er wordt herhaaldelijk gevraagd of hij degene is die in het paspoort genoemd wordt, ook als hij zonder kleren voor hen staat. Ja, wie anders. Is dit zijn eerste bezoek aan dit land? Ja (en waarschijnlijk het laatste). Ze beweren dat hij hier eerder is geweest.
Casper wordt onderzocht en ondervraagd. Door twee rechercheurs. Een is kaal en vriendelijk, de ander overbehaard en dreigend. Alsof Casper in een slechte film is beland, spelen ze good cop, bad cop. Het duurt een eeuwigheid. Uit de vragen die ze hem stellen, kan hij niet opmaken waarom ze hem moeten hebben. Hij is bang dat ze zullen vinden waar ze naar op zoek zijn. Hij wil bekennen, met rust gelaten worden. Een bekentenis kan later worden ingetrokken. Deze gedachten spelen in zijn hoofd, wanneer hij de vraag gesteld krijgt waarom zijn paspoort pas een maand geleden is uitgegeven.
‘Omdat ik bij het aanvragen van het visum mijn paspoort nergens kon vinden.’
De twee ondervragers verlaten de ruimte zonder iets te zeggen. Casper blijft alleen achter. Zonder bagage, zonder kleren. Hij kijkt in de spiegel. Hij ziet een oud hoofd, vermoeid. Hij lijkt allang niet meer op de pasfoto van een maand geleden.
De kale beambte komt terug met een stapel kleren en zegt: ‘U kunt zich aankleden. Er is sprake van een persoonsverwisseling. Drie maanden geleden heeft iemand onder uw naam schilderijen verkocht. Hij is op uw oude paspoort het land binnengekomen. De schilderijen waren vervalst. Hij heeft ze voor veel geld verkocht als origineel. Aan een zakenman, die twee weken geleden is gearresteerd wegens drugshandel. Bij huiszoeking zijn de schilderijen ontdekt.’
‘Verdacht u mij van het handelen in vervalste schilderijen, of in drugs?’ Casper hijst opgelucht zijn broek omhoog.
‘Schilderijen.’
‘Waarom die lijfvisitatie? Het zoeken naar canvasdoeken door het schouwen van de openingen en holten van het onderlichaam, lijkt mij met terugwerkende kracht ongepast.’
‘U kunt gaan,’ zegt de rechercheur, die zich nu minder aardig voordoet dan tijdens het verhoor.
Casper kiest er voor om geen stennis te schoppen. Hij wil weg. Ook zonder excuses. Hij verlaat de terminal. De warme vochtige lucht, zoveel fijner dan de koude verhoorkamer. Met een glimlach stapt hij in een taxi. Zijn bagage is doorzocht op de aanwezigheid van opgerold canvas. Om zijn middel de riem waarin de xtc pillen verstopt zitten.
Vergeten
Nu leven
(geplaatst op 12.10.2019)
Eerder gepubliceerd in de verhalenbundel Onder de boom, Schrijverspunt
Beelden, geluiden, geuren. Alles komt binnen. In mijn hoofd heerst drukte. Een chaos die mij verlamt. Drugs doen me slechts tijdelijk vergeten, waarna het ontwaken extra heftig is. Alsof die korte tijd dat ik niet aan haar dacht, direct moet worden ingehaald. Gebruiken doe ik alleen op de hotelkamer, bang hardop te praten over wat er is gebeurd. Nog een week volhouden.
Twee weken ben ik nu in dit land. Waarvan de laatste week met haar. Het was niet de bedoeling, het was een ongeluk. Wie zal me geloven? Ik wil hier niet opgesloten worden. Ik spreek de taal niet, ken niemand die me voedsel kan brengen. De cellen zitten overvol, heb ik eens in een documentaire gezien. Niets om je over druk te maken als je op vakantie bent. Tot die wereld ineens heel dichtbij komt.
De dag daarna heb ik veel geld gepind. Met mijn eigen pas. Ik ben niet gek. Of ben ik het aan het worden? Men kan er zo achter komen waar ik ben. Op zich niet erg. Ik ben immers op reis. Thuis weten ze dat ook. Thuis. Ik heb er veel voor over om daar nu te zijn. Maar na twee weken wereldreis terugkomen, kan later gezien worden als verdacht. Ik zie het bloed weer stromen. Over een week vlieg ik naar een volgend ver land om het af te vinken van mijn lijst. De lijst die nu nog belangrijker is geworden, die mij moet helpen vergeten. Nog een week volhouden.
Gaat niemand haar missen? Gaat niemand naar haar zoeken? In het hotel heb ik gezegd dat ze is vertrokken, naar andere streken. Ik heb niet gelogen. Ik zou voor allebei betalen en at die ochtend dan ook voor twee. En haar familie? We hebben het niet over thuis gehad. Allebei op de vlucht. Dat is wat ons verbond. Dan stel je geen vragen aan elkaar over wat je hebt achtergelaten. Dan leef je nu. En het nu valt zwaar.
Met het gepinde geld heb ik een grote koffer, zeil, ducttape, bleekmiddel en een schep gekocht. Bij verschillende winkels, in verschillende buurten. Doortrapt. Het ontbijt kwam naar boven zetten en slikte ik met moeite weg. De droge knal van haar hoofd tegen de rand, echode door mijn hoofd.
Op vrijdag worden de kamers niet schoongemaakt. Juist die avond daarvoor zaten we elkaar met kussens achterna. Zij vluchtte lachend naar de badkamer, ik haalde uit, zij draaide zich net om, stond op de bal van een voet, kreeg het kussen vol in haar gezicht, wankelde, zwaaide met haar armen, viel in de badkuip, benen in de lucht, hoofd tegen de rand. Haar lichaam schokte nog een keer. Bloed liep met straaltjes uit de wond bij haar slaap. Ze was weg. Vertrokken. Geen ademzucht of polsslag.
In plastic gewikkeld, met tape in foetushouding gemanoeuvreerd, paste ze in de koffer. Er was zelfs nog ruimte onder haar billen en boven haar nek voor haar weinige bagage. Het door de warmte snel geronnen bloed ben ik met water en bleek te lijf gegaan. Even was ik bang, werd duizelig. Flauwvallen door de indringende geur en zo de volgende dag gevonden worden? Een paar diepe teugen frisse lucht voor het open raam. De bruine badkuip was schoner dan ooit.
Vrijdagnacht heb ik een kuil gegraven in de droge grond. Diep in het park, waar niemand in het donker durft te komen. Ik was niet bang. Mocht ik van de koffer beroofd worden, dan was de lading ook opgeruimd. Onder de boom heb ik gegraven. Een majestueus exemplaar. Zou ze mooi hebben gevonden. Volgens mij hield ze wel van de natuur. Mijn met zweet en aarde bevuilde kleding heb ik de volgende dag, samen met de schep, in een vuilcontainer gedumpt.
Nog een week volhouden. Ik zal elke dag naar de boom gaan. Onder de boom ga ik zitten lezen. Net doen alsof. Geen letter neem ik op uit het openslagen boek. Ik denk uitsluitend aan haar en de vingers van mijn rechterhand klauwen in de omgewoelde aarde. Niet te diep, ik wil haar niet aanraken. Een wereldreis die mij weer naar huis zou doen verlangen. Dat was het doel. Binnen twee weken bereikt. Ik had het vooraf niet kunnen vermoeden. Met het geld uit haar portemonnee koop ik drugs om de nachten door te komen. Zal ik ooit kunnen vergeten?
Zwanger of niet
Een diagnose
(geplaatst op 28.09.2019)
‘Mijn scriptiebegeleidster, je weet wel De Boer, ik denk dat ze zwanger is.’
‘Waarom denk je dat? Heeft ze over je eerste opzet heen gekotst en teruggekoppeld dat ze er geen chocola van kan maken?’
‘Nee, vergeetachtig, dromerig. Te laat komen voor afspraken, niet meer herinneren wat we de laatste keer hebben besproken. Tijdens ons gesprek uit het raam staren en mij niet horen.’
‘Dat heb ik na een avond doorzakken.’
‘Ze legt ook om de haverklap haar hand op haar buik.’
‘Idem dito na een avond doorzakken.’
‘Op zo’n ochtend ruik jij naar schraal bier en knoflook. Geuren die niet met een poetsbeurt te maskeren zijn. Die heb ik bij haar niet kunnen ontwaren.’
‘Mooi woord: ontwaren. Hoewel het eerder past bij zien dan bij ruiken. Of zie je bij mij de walm om mij heen?’
‘Wat ik ruik kan ik visualiseren: geelgroen. Zal ik haar vragen of er iets is? Of komt dat slijmerig over?’
‘Je zou haar kunnen wijzen op haar vergeetachtigheid. Hoewel je wilt voorkomen dat je haar fijntjes onder de neus wrijft dat ze een vroeg stadium van Alzheimer heeft. Een diagnose die ze juist probeert te vergeten.’
‘Hè, jij weet ook altijd een pessimistische kant aan te kaarten van wat mogelijk goed nieuws is.’
‘Als het gewenst is, zou het goed nieuws zijn.’
‘Ze heeft een man.’
‘Is het van hem?’
‘Zo niet, dan is het tijd om te gaan.’
‘Daarom staart ze natuurlijk uit het raam. In gedachten is ze al vertrokken. Ik denk dat je gelijk hebt: ze is zwanger.’
‘Fijn dat je zonder een spoor van sarcasme met me meedenkt. Morgen vraag ik het haar.’
‘Als ze er is.’
Sporen
...wissen en achterlaten
(geplaatst op 14.09.2019)
Het regent. Hard. Waarom juist nu? Had ik het maar moeten plannen. Nee, dan was het met voorbedachten rade geweest. Nu is het in een opwelling gebeurd. Voordeel van al die regen is dat de sporen snel verdwijnen. Hoewel het graven in de drassige ondergrond zwaar is. Ik sta tot mijn enkels in het water en moet nog dieper graven. Ik kan niet riskeren dat het pakket schoongespoeld en zichtbaar wordt.
Doorgaan. In het licht van de extra koplampen van de Landrover Camel Trophy. De schep hoort bij de uitrusting van de auto. Heb ik nog eens iets aan dat tweedehands survival model. Bij het wegrijden de ijzeren platen onder de wielen leggen zodat het gras niet wordt omgeploegd. Je zou dit voor je beroep doen. Er zijn wel heel veel aspecten waar je rekening mee moet houden om niet gelijk tegen de lamp te lopen.
Doorweekt tot op het bot. Het kan me niet deren. Ik glimlach bij de volgende schep vol natte klei. Een schuldeiser minder. Een probleem minder. Hij begon gevaarlijk aan te dringen en morgenavond komen mijn ouders terug van vakantie.
Ik voel rillingen. Donkere aarde plakt aan mijn kleding. Mijn sokken soppen in mijn poreuze rubberen kaplaarzen. Ik duw het in plastic gewikkelde pakket het gat in en hoor de modder de lading met een zuigend geluid ontvangen. De vettige aarde schep ik er bovenop en stamp ik aan. De afdruk van het profiel van mijn laarzen zal snel genoeg wegspoelen. Heel voorzichtig rij ik even later weg. De verwarming aan.
Ik rij naar huis voor een warme douche. Mijn kleren was ik direct. Morgenochtend ga ik naar het huis van mijn ouders om de boel overhoop te halen en het raam te forceren. Als ik de post en de plantjes kom doen, constateer ik dat er is ingebroken en bel ik de politie.
Ze zullen vertellen dat de televisie, de stereo, het zilveren bestek en het bronzen beeldje zijn meegenomen. Ze zullen tegen niemand vertellen dat de schoenendoos met cash is verdwenen. Dat was immers geld dat buiten bereik voor de fiscus werd gehouden. Ze zullen tegen niemand vertellen dat de inhoud van de incomplete bestekcassette, zwart uitgeslagen, weinig meer waard is.
Door dat beeldje mee te nemen, een cadeau van tante Sophie, verleen ik mijn vader een gunst. Hij heeft al meerdere keren voorgesteld het om te smelten. Mijn moeder krijgt van het verzekeringsgeld een nieuwe televisie om haar favoriete soapserie te volgen. Haarscherp weergegeven. En ik betaal mijn schuldeiser af. Zijn we uiteindelijk allemaal winnaars.
Verwerken
Doen alsof
(geplaatst op 31.08.2019)
Klap eens in je handjes, blij, blij, blij…
Hardop zingend, fietst de man richting crèche. Het fietsstoeltje stuitert mee met zijn stuur. De weg is verzakt, de klinkers lijken rondgestrooid in plaats van gelegd. Hij kan zich er niet meer druk om maken.
Op je boze bolletje allebei…
Hij wil de vlek nog niet uit zijn pantalon verwijderen. Veroorzaakt door een broodje smeerworst. Hij weet het nog goed. Een vlek van drie weken geleden.
Twee handjes in de hoogte…
Vandaag voor het eerst weer zijn pak aangetrokken, alsof hij zo dadelijk naar het werk gaat. Niet nadat hij naar de crèche is gefietst, om Daan weg te brengen. Zoals alle werkdagen daarvoor.
Twee handjes in je zij…
Hij ruikt de donzige haartjes van zijn zoon. Alsof hij weer voor hem zit. Voorwenden. Om het te verwerken. Om te beseffen dat het voorgoed voorbij is.
Zo, varen de scheepjes voorbij…
Gepimpt
Achter glas ben ik iemand anders
(geplaatst op 17.08.2019)
Ik voel de diepe bass op mijn borst. Iedereen hoort me. Ik zit in de kuipstoel, een hand op het driespaaks sportstuur, de andere op de aluminium pookknop. Mijn stropdas hangt losjes om mijn nek, het bovenste knoopje van mijn overhemd open. Ik houd me netjes aan de maximum snelheid. Met 30 kilometer per uur kunnen ze de verlaagde zwarte Golf GTI veel beter zien. De motor pruttelt. Het geluid voorspelt dat er een enorme kracht schuilgaat onder de motorkap. Als ik optrek voor plankgas dan zal de 2,0 liter motor brullen.
Ik stop voor het zebrapad en laat de meisjes oversteken. Mijn brogues schoenen verdeeld over het gas- en rempedaal. Ik speel met het gas en zet de auto schrap. Ze lachen, kijken naar mij, zien me niet. Ik volg ze door de geblindeerde ramen. Even de voorwielen een extra rondje laten draaien voordat ik de rem loslaat en gelijk het gas minder. Rustig rij ik verder.
Aan het einde van de winkelstraat geef ik gas. Bij wijze van afscheid laat ik de motor ronken. Bij het verlaten van de bebouwde kom, zie ik de drempel te laat. Ik hoor eerst plastic kraken, dan metaal schrapen over het wegdek. De Golf komt hortend tot stilstand. Ik stap snel uit, laat het portier openstaan en loop een rondje om de auto. Ik zie wat ik al vreesde: de voorbumper hangt er bij, evenals de dubbele uitlaatpijp. Iedereen ziet me. Ook zien ze een Eend die met gemak de drempel pakt en mij passeert. De gangsterrap, die vanuit het binnenste van de auto luid over straat klinkt, ervaar ik ineens als ongepast.
Eerlijke vrouw zoekt maatje
Een maatje ter ondersteuning
(geplaatst op 20.07.2019)
Vrouw, met stevige armen (om je goed vast te houden) en brede heupen (twee gezonde kinderen), is op zoek naar maatje om lange wandelingen mee te maken. Ben jij sportief en gespierd? Zelf ben ik al jaren lang begonnen met sporten.
Ik heb rood haar, maar als je wil kan ik blond uit de hoek komen. Jij hebt haar op de juiste plekken. Toupet wordt niet gewaardeerd. Zelf ben ik van middelbare leeftijd, jij mag ergens tussen de 30 en 50 zijn.
Mijn kinderen hebben net het huis verlaten. Ik hoop die van jou ook. Als je ze hebt. Alle tijd voor ons tweeën en die lange wandelingen. Misschien kunnen we volgend jaar de vierdaagse samen lopen. Om jouw brede schouders hangt de rugzak met eten en drinken. Lijkt me aangenaam.
Ik zie graag dat jij een rijbewijs en een auto hebt. Bij mij zijn beiden ingevorderd. Mijn rijbewijs eerder dan mijn auto. Een hele prestatie, maar dat terzijde. Nu zit ik opgesloten in dit Brabantse dorp waar ik sinds mijn scheiding moest blijven wonen. Kom jij mij verlossen, met je bij voorkeur rode bolide?
Ik hou van lekker eten. Niet te exotisch. Je moet het wel kunnen prakken, zal ik maar zeggen. Als ik niet eet, drink ik, dus ik sta voor gezelligheid. Of lig, aan het einde van de avond. Kom jij tegen mij aan liggen, nadat je me naar huis hebt gebracht?
Ik doe niet aan drugs. Ja, wiet en witte wijn (vandaar dat akkefietje met het rijbewijs). Dat is gewoon legaal, dat telt niet. Zingen is mijn drugs. Hoewel het plaatselijke koor mij niet moest. Die zijn jaloers. Karaoke is mijn lust en mijn leven. Bij voorkeur Neil Diamond. Als je ook maar een beetje op hem lijkt, laat iets van je horen en wie weet zingen we binnenkort You don’t bring me flowers anymore. Heb ik ook niet meer dat probleem dat ik beide stemmen moet doen.
Koopzondag
Alleen onder de mensen komen
(geplaatst op 06.07.2019)
Het is een jungle in de stad. Een dicht oerwoud. Niet met bomen en planten, maar met mensen en buggy’s. Hoe te overleven op koopzondag? Het pad volgen, omdat ik niet anders kan. Hoewel ik de straatstenen niet kan zien. Dit is de weg richting het plein. Links van me het pad voor de andere richting, terug naar het station. Links gaan lopen en naar het plein willen zou waanzin zijn. Tegen de stroom in is onbegonnen werk. Waarom zou ik? Als ik zelf de weg wil bepalen moet ik hier niet wezen. Hier geldt de wil van de massa. Zoals bij een grote kudde die zich door het landschap beweegt. De massa wil consumeren, de kudde wil eten.
Ik maak deel uit van de schare, ik volg gedwee. Zo nu en dan stap ik uit de stroom een winkel in. Daar denk ik mijn individualiteit te benadrukken door een t-shirt te kopen. Ik ben niet voor niets de stad in gegaan. Aangezien de stoet langs de winkel gaat, blijken meer mensen op deze wijze hun persoonlijkheid te onderstrepen, merk ik als ik in de rij bij de kassa sta. Hoor ik er toch weer bij.
Het winkelpersoneel werkt hard en kijkt wezenloos uit de ogen. Ze kunnen niet anders dan de klanten als nummer behandelen. Er duiken teveel gezichten voor ze op. Zoals op Schiphol bij de loopband continue mind your step afgespeeld wordt, zouden ze dat hier ook kunnen overwegen met de zin: als het er niet tussen hangt, hebben we het niet meer.
Er is geen ontkomen aan. De menigte is op drift en ik ben daar onderdeel van. Ik maak deel uit van het leger en ben daardoor anoniem. Voel ik me daarom zo alleen? Ik wil niet onder deze onpersoonlijke meute vallen. De volgende keer, wanneer ik denk in de binnenstad te moeten zijn, ga ik doordeweeks. Vlak na openingstijd. Weinig mensen. En degenen die er zijn hebben oog voor elkaar. Nog een voordeel: het valt niet gelijk op dat er meer mensen zijn die dat ene t-shirt willen hebben.
Goede daden, goed gevoel
Het verleden is passé
(geplaatst op 22.06.2019)
Wat geweest en over is kun je niet veranderen.
Waarom blijven hangen in het verleden? Wat telt is het nu.
Alles wat mis is gegaan is een herinnering. Misschien wel een wijze les.
Iedereen die je kwijt bent geraakt zal je op een dag weer tegenkomen. Op welke wijze dan ook.
Dat wat ze je hebben meegegeven pas je toe. Dat wat ze je aan hebben gedaan, weet je te vergeven.
Daar waar je hebt geholpen, zal je terug ontvangen.
Daar waar jij pijn hebt gedaan….
‘Jeetje, geloof jij in deze shit?’ Franka, gooit het boek waaruit ze heeft voorgelezen, op de bank.
‘Als ik mezelf heel zielig vind. Of als ik voor mezelf probeer goed te praten wat ik in het verleden verkeerd heb gedaan. Ik lees die zinnen hardop. Als een mantra.’ Josine, pakt het boek en legt het op het dressoir naast de wierookhouder.
‘In de hoop dat bad karma niet aan je zult kleven?’
‘Zoiets ja.’
‘Je probeert boetedoening te ontlopen.’ Franka’s ogen schieten vuur. ‘Je bent het Jaap verschuldigd.’
‘Daar geloof jij in. Je past het al maanden toe. Maar wat is het nut? Jaap weet van niets. Boetedoening is op het verleden gericht. We leven vandaag en waarschijnlijk morgen ook nog. Dus kijk om je heen en vooruit. Ik weet dat wat we samen hebben gedaan fout was. Het had niet mogen gebeuren. Ik weet dat jij mij nu ook wilt zien lijden. Ik geloof daar niet in. Ik kan veel beter nuttig zijn door goede daden te verrichten, dan mij met een karwats te kastijden. Ik voel me goed, anderen hebben baat bij mijn daden. Win win.’
‘Aha! Nu goede daden verrichten om uiteindelijk zonder schuldgevoel op je sterfbed te belanden. Dus je doet het voor jezelf.’
‘Probeer het eens, Franka. Ook jij kunt een zinvol egoïstisch leven leiden. Dan vindt Jaap je waarschijnlijk weer een stuk leuker.’
Dood en versieren
Waarheen, waarvoor
(geplaatst op 08.06.2019)
‘Welke nummers wil je afspelen op je uitvaart?’ Hij kijkt de vrouw in haar ogen.
‘Zie ik er zo slecht uit, dat ik daar nu over moet nadenken?’ Ze haalt haar hand door haar blonde haren. Dit antwoord had hij niet verwacht. ‘Flikker op, man’, of ‘Ga jij even ergens anders depressief zitten wezen’. Daar was hij op ingesteld. Daarvoor had hij reacties ingestudeerd. Nu moet hij razendsnel schakelen.
‘Nee. Nee, zeker niet. Maar denk je wel eens na over je eigen dood?’
‘Wat een bijzondere vraag voor de vrijdagavond. En dat in een café. Het is eerder een vraag uitgesproken door een dominee vanaf de kansel op zondagochtend. Niet dat ik een kerkganger ben.’ Ze scant de tafeltjes achter hem. Geen gniffelend vriendengroepje dat hen aan het observeren is.
‘Dus een afgezant van God naast jouw kist hoeft niet,’ zegt hij.
‘Streep je die even door op je lijstje?’ Ze kijkt hem aan. Hij heeft een zacht gezicht, zijn bruine ogen staan helder.
‘Hoe bedoel je?’
‘Misschien werk je voor een uitvaartorganisatie en kan je het werk moeilijk loslaten.’
Hij glimlacht. ‘Nee, ik zag je al een tijdje zitten aan de bar. Volgens mij kom je hier niet vaker, dus op die geweldige openingsvraag kon ik het antwoord al vermoeden.’
‘Iemand aanspreken over haar uitvaart, is jouw versiertruc?’ Ze ziet hem rood worden.
‘Nou, nee. Het is niet de bedoeling je te versieren, hoor. Niet dat je niet knap bent. Alsof dat belangrijk is. Maar... Wil je iets van me drinken?’
‘Een droge witte wijn, graag.’
Hij buigt zich over de bar heen en bestelt. Ze ruikt aftershave vermengd met zweet. Als ze proosten zegt zij: ‘Op de dood.’
‘Je hebt toch geen doodswens, hoop ik,’ zegt hij, terwijl hij voelt dat hij de regie over het gesprek aan het verliezen is.
‘Zolang ik niet vegeteer niet. Maar om op je oorspronkelijke vraag terug te komen: ik weet welke vier nummers ik de aanwezigen wil laten horen. Twee toespraken er tussen in. En ik wil gecremeerd worden. Of nog liever composteren. Als dat tegen die tijd mag. Geen uitstoot en ik eindig als vruchtbare aarde.’
‘Kijk. Een vrouw die weet wat ze wil.’ Hij drinkt zijn glas in een keer leeg. ‘Interessant. Jammer dat ik er van door moet. Wie weet tot een volgende keer.’
‘Ja, wie weet.’
Met het besef van sterfelijkheid verlaat hij de kroeg. Misschien toch een ander onderwerp uitwerken, voordat ik weer een vrouw aanspreek, denkt hij op weg naar huis.
Geen gehoor
Niet thuis geven
(geplaatst op 25.05.2019)
Van achter de bank zie ik de schaduw die ze veroorzaakt als ze door het raam naar binnen staat te turen. De contouren van haar immense lichaam, die bolle kop met permanent duidelijk zichtbaar op het parket. Ondertussen klopt ze met haar worstenvingertje tegen het raam en roept: ‘Vincent, Vincent’. God wat haat ik op zo’n ogenblik mijn naam en wat ik haar dochter heb aangedaan.
Jij zit naast me en kan je moeder niet meer horen. Ik heb er voor gezorgd dat jij niet zo kan worden. Zorg jij dan dat de plas met bloed niet groter wordt?
In de boot genomen
Van kansloze naar favoriete schoonzoon
(geplaatst op 11.05.2019)
Toeterend komen ze aangereden. Yasmine zit klem tussen Kees en het portier van de rode Canta. Ze zwaait enthousiast naar haar ouders die voor het raam verschijnen. Als Kees uitstapt, ziet ze haar moeder de gebaren maken alsof ze een hogere macht aanspreekt. Kees is twee keer zo zwaar en drie keer zo oud als Yasmine. Vandaag komt ze hem voorstellen, als haar nieuwe vriend.
Haar moeder morst thee bij het inschenken. Kees propt zich vol met de zoete kleverige lekkernijen die op tafel staan. Heel even legt hij, zoals afgesproken, zijn hand op de knie van Yasmine.
Haar vader springt op als door een wesp gestoken en rondt de theeceremonie af. Kees veegt zijn handen af aan zijn broek, schudt die van de ouders en vertrekt.
‘Yasmine! We verbieden je met Kees om te gaan. Hij is niet goed voor je reputatie. Dan nog liever Samir.’ Haar vader klinkt onverbiddelijk.
‘Samir? Je bedoelt die scooter rijdende nietsnut?’ Yasmine kijkt haar ouders uitdagend aan.
‘Dat is tenminste een jongen van jouw leeftijd die nog een leven voor zich heeft,’ zegt haar moeder vleiend.
‘Daar zal je hem net hebben,’ zegt Yasmine. Een scooter stopt voor de erker. ‘Ik ga naar buiten.’
Haar ouders zien hun dochter achterop klimmen en wegrijden.
‘Het is gelukt, Samir. We mogen elkaar weer zien. Ik ben zo blij. En Kees was goed.’
‘Zei ik toch. Mijn buurman is chill. Kom, we gaan hem bedanken.’
Hallo aarde
Bericht aan een onnozele planeet
(geplaatst op 27.04.2019)
Zouden ze überhaupt wel weten wat ze met hun berichten teweegbrengen? Elke keer veroorzaken de geluidsgolven een verstoring in onze atmosfeer. Nadat de rukwinden zijn gaan liggen, mogen we puinruimen.
Het is een achterlijk volk. We hebben ze nu lang genoeg geobserveerd en het is duidelijk dat ze op het gebied van kennis lichtjaren op ons achterlopen. Nog een wonder dat ze zich draaiende weten te houden. Ook al doen ze er alles aan om hun eigen wereldje om zeep te helpen.
Hun onwetendheid is schrijnend. In aanraking laten komen met onze knowhow zou een schokgolf teweeg brengen. Er zijn vast wel exemplaren, die na de nodige studie, onze wereld zouden kunnen bevatten. Niet doorgronden, maar zich wel een voorstelling kunnen maken over hoe het er hier uitziet. Het zou ze de hopeloosheid van hun bestaan eerder doen beseffen. Waarom zouden we ze wijzer willen maken? De geschiedenis van hun leert ons dat ze eerder denken aan expansie, dan dat ze kennis ten goede zouden aanwenden. Nee, laat ze daar lekker rondjes draaien.
Het is alleen jammer dat we, door dat geklungel met die boodschappen, wel iets van ons moeten laten horen. Zeker nu zij de frequentie hebben opgevoerd en wij met de schade zitten. Dus vandaag zenden we de volgende boodschap terug: Hallo Aarde. Hier spreekt het parallelle universum. Stop met het sturen van berichten. De geluidsgolven veroorzaken schade aan ons leefmilieu. Stop, of wij zullen u vernietigen.
De dingen die ik moet weten
Angst voor het onbekende
(geplaatst op 13.04.2019)
Ik moet weten dat ik niets tegen de bewaker mag zeggen, dat ik niet mag schreeuwen, niet mag huilen. Althans niet hoorbaar. Maak ik geluid dan komt de bewaker en voel ik het buigend riet op mijn ontblote bovenlijf striemen. Mijn vorm van menselijk contact.
Ik tast echter in het duister over wat ik moet weten wat zij willen weten? Waarom ben ik hier? Wat willen ze van me? Waarom word ik niet ondervraagd? Het enige wat mijn bewaker minstens een keer per dag tegen me zegt is, dat ik ze binnenkort alles zal vertellen. Wat is dat dan? Ik heb en ik ken geen geheimen.
Overdag slaap ik beter dan ’s nachts. In de nacht lig ik op mijn rug op een metalen spiraalbodem. Mijn rechterenkel vastgeketend aan het bed, de huid rood en rauw. Omdraaien gaat niet. Als er door de spleet tussen de bakstenen muur en het golfplaten dak licht valt, weet ik dat de nacht voorbij is. De enkelklem wordt verwijderd. Als ik een paar happen van het ondefinieerbare ontbijt heb genomen val ik doorgaans in slaap. Zo gaat het nu al weken. Maar vandaag is anders. Mijn hart klopt in mijn keel, er staan zweetdruppels op mijn voorhoofd. Het gaat gebeuren, de confrontatie. Dat kan niet anders. De bewaker zei vanochtend immers: ‘Vandaag ga je ons alles vertellen.’
Vrij!
Eindelijk naar buiten
(geplaatst op 30.03.2019, eerder gepubliceerd in het zomernummer van literair tijdschrift Poesia 2018)
Het loeien van de koeien is intens. Ze weten dat er iets gaat gebeuren. Waren ze er verleden jaar ook al bij? Hoe ver reikt hun geheugen? De balk wordt van de staldeuren geschoven door de boer, stereotype op klompen en gehuld in blauwe overall. Zo herkent het publiek de veehouder. Hij opent een van de deuren, een zwart-wit gevlekt exemplaar steekt haar kop naar buiten. Kennelijk ontstaat achter haar tumult want ze wordt naar voren gedreven. De andere deur zwiept open. De dames persen zich nu als een aaneengeklonterde massa door de opening. Niemand wil de achterhoede zijn. Ze moeten zich dit van verleden jaar herinneren. In hun donkere ogen is geen angst zichtbaar, maar verrukking.
Vrij! Eindelijk vrij! Laten we rennen. Schop ledematen een tegengestelde richting uit. Schok met je lijf. Beweeg als nooit tevoren. Het lijkt vooraf te zijn afgesproken. Een choreografie ontvouwt zich, alsof ze dansen onder hoogspanning. Stadslui applaudisseren, ook zij gaan een keer per jaar voor het eerst naar buiten.
Onrust
Nergens veilig
(geplaatst op 16.03.2019)
Ik probeer niet op te vallen, leid een teruggetrokken bestaan. Overdag naar buiten voor het hoognodige, in de avonduren geld verdienen. Schoonmaken. Ze laten je met rust zolang je je werk doet. Vanwege de mengelmoes aan nationaliteiten is de spreektaal Engels. Ik heb mijn best gedaan om de taal van mijn verblijfplaats onder de knie te krijgen, maar ik spreek het amper.
Mijn multiculturele achterstandswijk is bevolkt met lotgenoten uit alle windstreken. We veroorzaken geen problemen, blij dat we hier kunnen schuilen. Ik heb zelfs de Nederlandse nationaliteit, weliswaar verkregen onder een valse identiteit. Maar ben ik veilig?
Ik wantrouw een nieuwe collega totdat ik zeker weet dat hij niet uit mijn land komt. Ik wantrouw een ieder die door blijft vragen naar mijn afkomst, uit welke streek ik kom en vragen stelt over wat ik in mijn geboorteland ben geweest en heb gedaan. Ik kijk regelmatig over mijn schouder als ik over straat loop. Houdt iemand mij in de gaten?
De littekens op mijn armen houd ik verborgen. De open wonden van toen zijn niet minder gaan jeuken, ondanks mijn wraak. Ik had alleen geen ooggetuigen achter moeten laten. Ooggetuigen praten. Net als toen wil ik vandaag overleven. Door de bril van nu is het gemakkelijk oordelen. Ik vrees de dag dat het arrestatieteam bij mij voor de deur staat. Of zal dat rust geven?
Wensvader
Kinderen gezocht
(geplaatst op 02.03.2019)
Ik zou zo graag een vader willen zijn voor twee leuke kinderen. Bij voorkeur een jongen en een meisje met een leeftijd dat ze nog dingen van je aan willen nemen. Dat je niet bij voorbaat stom gevonden wordt. Dat je er niet alleen maar bent om ze te voederen. Dat je niet uitsluitend opgezocht wordt als je je portemonnee mag trekken.
Ik zou zo graag een vader willen zijn die de kinderen uit school haalt, die een kopje thee voor ze zet, die spelletjes met ze doet, die een boswandeling met ze maakt, die ze naar de sportvereniging brengt, die met ze praat over alles en nog wat.
Zelf ben ik 54, alleenstaand, fit en zelfstandig ondernemer. Ik werk vanuit huis en kan mijn tijd zelf indelen.
Dus wie heeft twee lieve kinderen in de leeftijd van 5 tot 9 jaar die wel een vaderfiguur kunnen gebruiken? Ik meld me aan.
Wie weet, kan ik binnenkort een zorgzame rol in hun leven vervullen. Een rol die ik niet op me heb kunnen nemen voor mijn kinderen.
Overigens, ruilen voor mijn twee zogenaamd zelfstandige pubers mag ook. Of moet ik daarvoor een andere oproep plaatsen?
Begraven
Verborgen verleden
(geplaatst op 16.02.2019)
Ik sta oog in oog met de man die ik acht maanden geleden begraven heb.
Je ziet er verdomd goed uit voor iemand die onder de grond heeft gelegen, is het eerste wat ik denk. Ik ben verbijsterd, met stomheid geslagen. Terwijl er allerlei gedachten door mijn hoofd schieten kan ik geen woorden vormen die verstaanbaar over mijn lippen komen. Ik voel de rillingen over mijn rug lopen.
Hoe is dit in godsnaam mogelijk? Ik heb je notabene in diens naam ter aarde besteld, zoals je dat zelf had voorgeschreven. Maar wie lag dan in jouw kist? Ik heb wel iemand met jouw DNA begraven. Die match is vastgesteld op de spaarzame menselijke resten die in het uitgebrande autowrak zijn gevonden.
Wat is er die decembernacht gebeurd? Wat voor leven heb je daarna geleid? En nog belangrijker, wat voor leven heb je daarvoor geleid? Daar was ik toch een onderdeel van.
Ik heb verdomme tranen met tuiten gejankt op die begrafenis van jou. En nu sta ik in Den Helder, de lelijkste stad van Nederland. Of is dat Roermond? Mijn gedachten schieten alle kanten op. Bij de les blijven nou.
Ik haal een paar keer diep adem en weet eindelijk iets te zeggen: ‘Hallo pa. Zullen we een kop koffie drinken? Dan kan je mij bijpraten.’
Eerste stap
Erwin durft een eerste stap te zetten
(geplaatst op 02.02.2019)
Beste Cynthia,
Als je dit leest, dan is het mij gelukt om deze brief door de kier van de deur van jouw locker te frommelen. Laat ik maar gelijk zeggen wie ik ben om misverstanden te voorkomen, want misschien heb je wel een batterij aan bewonderaars. Ik ben het, Erwin, van de emballage. Ja, die gast die sjekkies voor je rolt in de pauze.
Eindelijk durf ik je op een andere manier aan te spreken. Nee, je hoeft niet bang te zijn, ik heb geen geld voor een huwelijk. Maar wat ik je wil zeggen is dat ik je een leuke en spontane meid vind.
We werken nou zo’n vier jaar in de supermarkt en ik heb je volgens mij nog nooit sjaggie meegemaakt. Je bent ook één van de weinigen die een gesprek met mij aanknoopt en lacht om mijn flauwe grappen. Ik ben toch een beetje een buitenbeentje met mijn zwarte kleding en mijn lange haren. Maar jij prikt daar door heen en ik wil graag geloven dat je dat niet alleen doet voor een sigaret.
Onze werelden grenzen alleen aan elkaar bij de Jumbo. Niet bepaald de meest veelzeggende omgeving. Ik zou heel graag een beetje meer van jouw wereld willen leren kennen.
Heb je zin om een keertje na werktijd naar de Coffee Company te lopen? Dan drinken we goede koffie in plaats van de maag tectylerende substantie die op het werk daar voor moet doorgaan. Hoeft niet lang te duren, hoor. Gewoon wat drinken en een beetje kletsen. Zie maar.
Erwin
Durven
Erwin houdt nog even pauze
(geplaatst op 19.01.2019)
Als hij de personeelsingang neemt ziet hij haar staan. Om het hoekje uit het zicht van de hoofdingang staat ze te roken.
‘Hoi Erwin’, zegt ze enthousiast.
‘Hee Cynthia, alles wel?’ Tjesus wat is dat nou voor een oubollige reactie, denkt hij nog. ‘Ik kom even naast je staan, hoor.’ Erwin houdt zijn pakje shag in het zicht om duidelijk te maken dat het hem om het roken gaat. Maar eigenlijk wil hij zo dicht mogelijk bij haar in de buurt zijn.
‘Kan je er één voor mij rollen?’ vraagt ze.
‘Geen probleem.’ Erwin draait een strakke sigaret en geeft deze aan Cynthia. Hij houdt er direct een vlam bij. Ze inhaleert diep.
‘Lekker, dankjewel.’ De scherpe geur van de zware tabak prikkelt Erwin in zijn neus. Ze begint over het weekend te praten terwijl hij een tweede sigaret rolt. Ze is vrijdag en zaterdag de stad in geweest en heeft de nodige clubs van binnen gezien. Erwin luistert maar half. Zijn gedachten dwalen af als hij haar aankijkt. Wat is het toch een leuke meid. Dat kuiltje in haar kin, die stralende ogen, die lange blonde haren.
‘Hé, Erwin! Ik vraag je wat.’
‘O sorry, ik was even afgeleid. Wat was je vraag?’
‘Je was afgeleid omdat Annemieke er aan kwam’, ze lacht. ‘Je hebt een oogje op haar.’
‘Het is moeilijk om je oog niet op dat kolossale lichaam te laten vallen’, floept hij er met een rood aangelopen hoofd uit. Cynthia grinnikt.
‘Dat is niet aardig’, zegt ze met een fonkeling in haar ogen. ‘Maar, of je wel eens in Fab bent geweest? Je weet wel, die club aan de rand van het centrum.’
Durf ik haar ooit, daar mee naar toe uit te nemen, denkt hij als hij zijn hoofd schudt.
Om naar uit te kijken
De reden dat Erwin naar zijn werk gaat
(geplaatst op 05.01.2019)
Om half 7 steekt Erwin zijn benen buiten bed. Hij blijft even op de rand zitten en strijkt zijn lange haren uit zijn gezicht. Met een diepe zucht staat hij op. Nog brak van het concert van gisterenavond. Zou zo maar de laatste keer kunnen zijn dat hij Dries gezien heeft. Over een uur moet hij bij de supermarkt zijn. Dan mag hij weer een dag lang het eentonige werk op de emballage verrichten. Hoe is het ooit zo ver gekomen?
Hij rolt een sjekkie terwijl hij rondjes loopt om de salontafel. Dure benaming voor een leeg bierkrat met plank. Als hij de tabak in brand steekt hangt hij met zijn hoofd buiten het raam. Hij inhaleert diep.
Heerlijk, die eerste sigaret van de dag, die tinteling in je hoofd, denkt hij. Er is nog tijd voor een sterke bak koffie. Zo veel beter dan die op het werk.
Hij duwt zijn neus eerst onder zijn linker en dan onder zijn rechter oksel.
Flink spuiten, dan kan ik douchen overslaan.
Een paar seconde later, gehuld in een geurige nevel, kleedt hij zich aan. Daarna tandenpoetsen, waarbij ‘godver de godver’ tandpasta op zijn zwarte t-shirt valt. Hij veegt het weg met de natgemaakte punt van een handdoek. Er blijft een smoezelige vlek achter.
Nou ja, straks toch dat apenpakje aan van de supermarkt.
Waarom hij zo’n geel overhemd aan moet is sowieso een raadsel. Hij komt niet in contact met klanten.
Kwart over 7 springt Erwin op de fiets. Hij zou het in 5 minuten kunnen lopen, maar hij kiest er voor om rustig via een omweg door de stad te fietsen. Een beetje naar binnen gluren bij mensen die meestal zitten te ontbijten. Eén keer zag hij een glimp van de borsten van een vrouw, toen haar duster openviel. Die dag heeft hij prettig gewerkt.
Als hij de personeelsingang neemt ziet hij haar staan. Om het hoekje, uit het zicht van de hoofdingang staat ze te roken.
Vervreemden
Erwin wil iets anders
(geplaatst op 29.12.2018)
‘Vet man! Dat we na zo’n lange tijd weer eens naar een concert gaan. Jammer dat Cobus niet kon,’ zegt Dries.
‘Zeker jammer.’ Erwin neemt een slok en voelt eventjes het gewicht van de gevulde plastic tas. Nog vier halve liters te gaan en het stadion is al in zicht. ‘Kom, dan gaan we nog even in het park zitten, daar. We moeten die tas leegmaken voordat we naar binnen gaan.’ Ze gaan zitten op een bankje.
‘Heb je dat reisprogramma op Discovery gezien?’ vraagt Erwin. ‘Het ging over een gast die alleen met zijn rugzak door Zuid-Amerika trekt en nu in Peru is beland.’
‘Nee, niet gezien. Je weet toch dat ik niet zo avontuurlijk ben aangelegd. Het is al heel wat dat ik hier voor het stadion sta.’ Dries knijpt in het blik en gooit het vervolgens met een boog de prullenbak in. Erwin geeft hem direct een volle.
‘Die gast leeft zonder zorgen. Althans, zijn enige zorgen zijn waar hij vanavond slaapt en of hij wat te eten kan krijgen.' Erwin is op het puntje van de bank gaan zitten.
‘Dat is het nu juist. Ik wil mij dat niet hoeven afvragen.’
‘Maar zou je dan niet eens een keer een andere cultuur dan die van de Achterhoek willen leren kennen?’
‘Nope. Dit leven is overzichtelijk. Daar hou ik van.’
‘En had je dit leven voor ogen toen je ging studeren?’
‘Ik heb nooit groots gedroomd en ik was er al snel achter dat profvoetballer worden er voor mij niet in zat.’ Dries sluit af met een boer.
Erwin glimlacht. ‘Lekker Dries, dat jij zo tevreden kunt zijn!’
‘Ben jij dat dan niet?’ Vanuit het stadion klinkt muziek. Erwin staat op.
‘Laten we gaan. Het voorprogramma is begonnen.’
Positieve kijk op het leven
Getrouwd
(geplaatst op 21.12.2018)
Van de zes uur dat hij getrouwd was, was hij vier uur gelukkig.
Verjaring
Ex ontvoert dochtertje...
(geplaatst op 08.12.2018)
Met een grote glimlach op haar gezicht meldt Louise zich bij het Dopey lokaal. Bijna kan ze haar dochter weer in haar armen nemen.
‘Hallo, ik kom Sophie ophalen. Is alles goed gegaan?’
De leidster van de groep kijkt met opgetrokken wenkbrauwen naar Louise. ‘Euh... ik dacht dat u ziek was. En dat nog wel op haar verjaardag.’
‘Hoe zo, ziek?’
‘De vader van Sophie heeft haar een uur geleden opgehaald. Hij zei dat u niet kon komen omdat u griep had.’
‘Wat zeg je? Je weet toch dat mijn ex, Sophie niet mag zien?’ Louise ademt snel en kort, haar mond open, haar hoofd schut lichtjes terwijl ze het in haar nek werpt alsof op zoek naar zuurstofrijke lucht.
‘Gaat u alstublieft zitten,’ zegt de leidster, ‘hier heeft u een zak.’
Louise weet wat ze moet doen. Even later is de ademhaling op peil en snauwt ze naar de leidster: ‘Waarom heb je mij niet gebeld om te controleren of zijn verhaal klopte? Mijn God, hoe kunnen jullie zo stom zijn. Bel de politie. Nu meteen!’
Even later vertelt de leidster aan de agente wat er is gebeurd. Louise geeft een beschrijving van haar ex en ze appt een foto om een Amber-alert op te stellen. Nee, ze weet niet waar hij momenteel verblijft. De agente adviseert Louise naar huis te gaan. Ze zal een specialist naar haar toe sturen.
‘Zal ik met u meelopen naar huis?’ vraagt de agente nog.
‘Nee, dat is niet nodig ik woon hier om de hoek. Laat me maar even.’
In een uur tijd, vijf jaar ouder. Allerlei doemscenario’s gaan door haar hoofd als ze de tweehonderd meter naar huis aflegt. Vlak voordat ze bij haar tuinhekje is, hoort ze een kirrend geluidje dat ze altijd zal herkennen. Ze draait haar hoofd naar de hoek van de tuin. Daar zit Sophie in een maxi cosy, tevreden pruttelend te spelen met een knuffelbeest dat haar moeder niet herkent. Als Louise de giraffe pakt begint Sophie te huilen.
‘Kom, meisje. We gaan naar binnen. We gaan taart eten.’
De bejaarde Duitser
Over vergeten en herinneren
(geplaatst op 17.11.2018)
In het all inclusive resort doet de heer Schillinger verwoede pogingen het verleden te vergeten. De dokter heeft het immers ook gezegd dat hij verder moet. Vooruit kijken is het devies. Hij slaat geen activiteit over, ook al heeft hij vaak meer behoefte aan een moment voor zichzelf. Het reisgezelschap bestaat uit senioren, zoals je ze tegenwoordig hoort aan te duiden. Sommigen zijn ver over de datum en leunen zwaar op het medisch duo dat onderdeel uit maakt van de groep. De eerste kennismaking was op Franz Josef Strauss, vlak voor het boarden. Geen weg terug meer.
De heer Schillinger heeft ergens gelezen dat je baas kunt zijn over je gedachten. Hij heeft zelf bedacht dat zoiets het beste lukt in een vreemde omgeving. Geen vertrouwde voorwerpen of situaties met een link naar het verleden. Een reis naar Alanya moet hem aan de toekomst doen denken.
Over tien minuten gaan ze het beleven of de computers crashen bij het ingaan van het nieuwe millennium. De heer Schillinger danst met Henrike. Ze kent geen hang naar het verleden. Ze straalt een aanstekelijke energie uit. Hoe lang kent hij haar nu?
Een kwartier na het proosten en de beste wensen verontschuldigt hij zich. Mathilde bedankt hem voor een heerlijke avond. Op de hotelkamer gaat hij zitten op het eenpersoonsbed.
‘Lieve Henrike, het is niet gelukt het verleden te laten rusten. Ik heb de hele avond met jou gedanst. Ik heb besloten dat ik mijn toekomst vul met ons verleden. Baas over eigen gedachten.’
Schijt aan alles
Als ik een meeuw zou zijn...
(geplaatst op 07.11.2018)
Als ik een meeuw zou zijn, zou ik schijten op pas gelapte ramen, op fris wapperende was, op net gekapte kapsels. En dan nog een keer in duikvlucht krijsend overvliegen.
Van buitenkomend onheil
Ongeluk om tot inzicht te komen...(geplaatst op 25.10.2018)
Eerder gepubliceerd in de verhalenbundel De zwarte agenda, Schrijverspunt
Het gebeurde altijd op een dinsdag. Ik heb er speciaal een agenda voor aangeschaft. Een zwarte, omdat de gebeurtenissen mysterieus op mij overkwamen, als in niet te verklaren. Door het vastleggen heb ik de regelmaat ontdekt. Altijd op de eerste drie dinsdagen van de maand. Nooit op een vierde of eventueel vijfde.
Voor mij waren de dinsdagen parttime dagen. Bijkomen. Die klote maandag op het werk overleefd. Of eigenlijk moet ik zeggen: die maandag op het klote werk overleefd. Dan de dinsdag gebruiken om energie op te doen om de rest van de werkweek door te komen. Ja, de arbeidsvreugde was ver te zoeken, het salaris maakte echter veel goed.
De eerste paar keer zocht ik er niets achter. Gewoon domme pech. Tijdens het hardlopen een verstuikte enkel op het verste punt van huis. Lekker veel tijd om na te denken over mijn toekomst tijdens het naar huis strompelen. Fietste ik langs de golfbaan, werd ik geraakt door een bal. Geen speler te bekennen. Een rood oor en de rest van de dag een geluid alsof de Noordzee binnen handbereik was.
Toen de incidenten zich opstapelden ben ik ze gaan noteren. Wat lekke banden betrof, had ik eigenlijk geen agenda nodig. Ik had inmiddels een innige band met mijn fietsenmaker Gerard opgebouwd, dus voor overzicht had ik zijn administratie kunnen raadplegen. Maar er was meer. Zoals die keer dat ik naar huis fietste met een plastic tas rechtop in mijn krat. Een krijsende reiger die zich tot precisiepoeper ontpopte en zijn tot drek verteerde ontbijt in mijn tas met nieuw aangeschafte kleding loosde. Dat wou ik ook graag vastleggen.
Ik begon op te zien tegen de dinsdagen. Staat er iets te gebeuren? Zo ja, wat? En als er dan iets was gebeurd was ik kwaad, verongelijkt: waarom ik? Dit had ik toch niet verdiend? Soms gebeurde er helemaal niets, alsof elke maand maar drie weken had. Werd me een of twee keer in de maand wel de tijd gegund om bij te komen? Ik was voortdurend bezig met wat me nu weer zou overkomen, dat ik niet meer kon genieten van de parttimedagen waarop er geen sprake was van ongeluk.
In plaats van de energie nam ik de frustratie van de dinsdag mee naar mijn werk. Wat ik altijd al stom had gevonden kon ik nu niet meer relativeren. De door mij in gedachten uitgesproken mantra ‘salaris, salaris’ had nog maar weinig effect. Maandag begon mijn minst erge werkdag te worden, opgeladen in het weekend, geen tegenslag ondervonden. De balans, nodig om het uit te houden tot de volgende loonstrook, raakte zoek. Ik ging diervriendelijk eten, dronk alleen biologische wijn en was aardig tegen bejaarden. Kon ik mijn karma beïnvloeden? Vier maanden later was die hoop verdwenen toen Gerard vertelde dat ik zijn komende vakantie had gefinancierd.
De druppel die een stortvloed aan verandering teweeg heeft gebracht, was een telefoontje met het verzoek of ik dezelfde dag nog iets kon opleveren. Dit was geen van buiten komend onheil meer, maar had direct met mijn werk te maken. Hallo! Het is mijn parttime dag, hoor. Maar om de kans op boventallig verklaard te worden te beperken, vloekte ik stilletjes de presentatie in elkaar en mailde het naar kantoor. Aan het einde van de dag schreef ik ook deze gebeurtenis in de agenda als tegenslag. Toen wist ik het zeker.
Achteraf koester ik de tegenslagen. Ik koester de zwarte agenda die nu rood zou mogen zijn. Of een andere kleur vol energie. De tegenslagen van driekwart jaar hebben me uiteindelijk in beweging gezet. Ik had nogal een duwtje nodig. Een duw om tot inzicht te komen. Ik heb nu een andere baan. Leuk werk, minder betaald, maar ik voel mij vrijer dan ooit, tevreden, gelukkig zelfs. Binnenkort eens langs bij Gerard en vragen hoe zijn vakantie was, ik heb hem al een tijd lang niet gezien.